TONEEL

Het fileermes van Jürgen Gosch (2)

Die Möwe

Nogmaals Deutsches Theater, Berlin-Mitte, Jürgen Gosch regisseert Tsjechovs Meeuw. Derde akte. De jonge schrijver Treplew is teleurgesteld in de liefde voor zijn muze, Nina, die het nota bene aanlegt met de broodschrijver Trigorin, en heeft zich voor zijn kop geschoten. Schampschot natuurlijk. De ambitieuze jonge hond kan aardig blaffen maar zich een kogel door zijn hoofd jagen, ho maar. Zijn moeder, de gearriveerde actrice Arkadina, ververst het verband en praat op hem in, wat steevast op ruzie uitloopt, nu dus ook. Hij: ‘Schraapster!’ Zij: ‘Schooier!’ Zoon af, minnaar Trigorin op. Deze is druk bezig Nina het bed in te praten en hij wil het aanstaande vertrek uitstellen. Arkadina kent haar pappenheimers en praat als brugman om hem terug in haar gareel te krijgen. Wat schijnbaar lukt. Althans voor het moment.
Het is een scène van drie boekpagina’s die, laten we het diplomatiek stellen, lange tijd niet populair is geweest in feministische kringen. Tsjechov vond verliefdheid wel een leuke uitvinding, maar als er voor het behoud van de liefde tot bloedens toe moest worden gevochten, vond hij de mensen aanstellerig en nogal ridicuul. Arkadina vernedert zich hier tot een punt-komma in het oeuvre van ‘haar’ schrijver (‘Jij, laatste bladzij in mijn leven’).
Regisseur Gosch heeft aan de toneelspeelster Corinna Harfouch gevraagd geen melancholieke stemmingsafdruk te spelen van een doodsbange actrice in de overgang, maar een geloofwaardig beeld neer te zetten van een jonge vrouw in de kracht van haar leven die heeft besloten haar tanden te zetten in de mens die ze tegen wil en dank beschouwt als the man I love. Enig geldige toneelspelersafspraak: zoek naar een als nieuw ontdekte vorm van ‘Wahrhaftigkeit’ en speel die uit of je leven ervan afhangt. Dat gebeurde die avond in Berlijn luttele meters van mijn stoel en ik zat, kijkend naar Corinna Harfouch, te trillen als een espenblad. Het was een woedend schreeuwen, springen en vallen, met de vuist op de vloer bonken, onopgemaakt en met een onooglijk zwart jurkje in haar minnaar klimmend en er weer uit vallend als uit een boom zonder houvast, het was bij vlagen nog behoorlijk lelijk ook, een sopraan die de coloratuur niet haalt en de wanhoop daarover niet verbergen kan, de rafels hingen eraan, maar mijn god, wat een mokerslag, die toneelspelers-aria waar maar geen eind aan leek te komen en die eindeloos mocht duren. En ze acteerde er nog iets bij, deze grote toneelspeelster. Niet één groot kind (Treplew) heeft Arkadina aan haar rokken hangen, maar twee, want de gearriveerde schrijver Trigorin (Alexander Khuon) is in deze voorstelling opvallend jong gecast, geen temerige Schwärmer met een zware Untergang des Abendlandes-dronk, maar een lekker ding met een vlotte babbel en een goed voorziene voorraad pikkebroeksmoezen. ‘Ik accepteer tijdens het repeteren steeds meer van wat de toneelspelers me laten zien’, zei Gosch in een interview, ‘de neiging in te grijpen wordt almaar kleiner. Met een geduldiger oog ziet veel van wat toneelspelers aanreiken er heel anders uit.’ Als hem de tijd wordt gegund, wacht Jürgen Gosch (na Onkel Wanja uit 2007 en deze Möwe van 2008 bij Deutsches Theater, en Drei Schwestern dat hij in 2005 in Hannover ensceneerde, allemaal samen met zijn geniale ontwerper Johannes Schütz) de zwanenzang van de schrijver, Der Kirschgarten. Onder het tsjechoviaanse motto dat deze toneelavonden zo groots en zo onvergetelijk maakt: ‘Lacht… aber weint!’

Die Möwe en ook Onkel Wanja blijven op het repertoire van Deutsches Theater Berlin, www.deutschestheater.de. Onkel Wanja staat het komend seizoen op het programma van De Singel in Antwerpen, 13 en 14 februari 2010, www.desingel.be