Reptielen hebben ook gevoel

Het flegma van een hagedis

Toen herpetoloog Henk Strijbosch klein was, keek hij een levendbarende hagedis in de ogen. ‘Ik dacht: dit leven wil ik leren kennen, dit dier wil ik leren begrijpen.’ Inmiddels hebben de reptielen het moeilijk met het veranderende klimaat.

BEGIN JULI BELDE IK Henk Strijbosch om te horen of hij al terug was uit het Noorden. Henk houdt niet van het Noorden. Hij is een reptielenman, hij houdt van droog, warm, zonnig. Maar ja, de levendbarende hagedis.
Afgezien van zeeschildpadden heeft de levendbarende hagedis van alle reptielen ter wereld het grootste verspreidingsgebied: van Ierland tot Japan, van Bulgarije tot ver boven de poolcirkel. En als je wilt zien wat een dier werkelijk in zijn mars heeft, moet je aan de randen van zijn verspreidingsgebied zijn; daar presteert hij maximaal.
In 2003 had Henk al met vrouw en camper een tour door het Noorden gemaakt. De levendbarende hagedis zit er in zeer lage dichtheden en bleek er uiterst schuw te zijn. Hij blijft angstvallig in de dekking en hoe lang je ook wacht, hij komt (anders dan in Nederland) niet terug op de plek waar je hem verstoord hebt.
Predatiedruk, vermoedt Henk, predatiedruk gevoed door kalkgebrek. Er heerst een schreeuwend tekort aan mineralen in die regionen. Dan staat er een hoge prijs op het hoofd van elk prooidier met botjes.
Honderden en honderden kilometers op het oog geschikt terrein, en voor je gevoel was het warm genoeg. Toch maar sporadisch een waarneming, heel frustrerend. En in het natuurreservaat Stabbursdalen, net onder de Noordkaap, schoot een beestje weg. Het zou zijn noordelijkste hagedis ooit zijn geweest, maar het moment was net te kort en dan moet je toegeven dat het ook een bruine kikker kan zijn geweest, en dan is zo'n waarneming in feite nog frustrerender dan geen waarneming.
Op de terugweg, halverwege Finland alweer, was hij toen aan de praat geraakt met een boswachter. Maar welke idioot, zei die, gaat er nou ’s morgens op zoek naar hagedissen! Henk dus. Want in de rest van Europa zou alleen een idioot ’s middags op zoek gaan naar hagedissen. ‘En dat leer je dan op het eind van je reis’, zegt hij.
Dus nu, met deze ervaring in zijn ransel, op herhaling. Zelfde vrouw, zelfde camper, hetzelfde Noorden. Zes weken lang. Toen ik hem begin juli opbelde, was hij net terug. Hoe het geweest was? Een mislukking. Niets dan sombere luchten en regen en wind, géén reptielenweer. Wel een vreetvraat gezien, en een witstuitbarmsijs, maar levendbarende hagedissen? No score.

EIND JULI, op een vroege, zonnige zondagmorgen, kruiste een jonge adder mijn pad. Formaat breipen. Je kon hem een eindje de hei in volgen, maar hij gaf me geen gelegenheid om kleur en tekening goed te bekijken. Watervlug.
Henk zou er bovenop zijn gedoken, denk ik dan - hij zou het dier bewonderend hebben opgehouden en geruststellend hebben toegesproken. Henk is, als het om reptielen gaat, nooit ver uit mijn gedachten.
Ik heb hem in 1979 leren kennen toen ik, inderdaad, een stuk over adders wilde schrijven. Dat is de oude socialist in mij, ik zal altijd plaats inruimen voor de verworpenen der aarde.
Hij had een kamer in het gebouw Wis- en Natuurkunde van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Ik was nauwelijks binnen of we zaten al tot onze nek in de soortvorming bij de groene kikker. Nu wordt die onderscheiden in meerkikker, poelkikker en een bastaardvorm - toen was dat net begonnen.
En wat de adder betreft: wist ik dat er vrouwtjes zijn die anderhalf jaar lang leven op één enkele muis? Dat is de laatste muis die ze vangt in het najaar - dan een winter, dan een zomer die geheel gewijd is aan het voortbrengen van jongen, dan nog een winter en dán pas gaat ze op zoek naar de volgende muis.
Henk is wetenschapper en verhalenverteller, ik weet niet wat je voorop moet zetten. In beide hoedanigheden legt hij dezelfde hartstocht aan de dag. Behalve in zijn voorkeur voor bepaalde landschappen en een bepaald weertype heeft hij ook in zijn temperament iets reptiliaans. Hij kan fel zijn.
Hij is inmiddels 67. De universiteit heeft hij, na een van die deprimerende conflicten die in deze wereld onvermijdelijk schijnen te zijn, al jaren geleden verlaten. Maar zijn sporen had hij al verdiend. Alle herpetologen in Nederland kennen zijn werk, en het gros van hen heeft hij zelf opgeleid. Zo ook Raymond Creemers en Jeroen van Delft, de samenstellers van het vorig jaar verschenen prachtwerk De amfibieën en reptielen van Nederland.
Dit boek is aan Henk Strijbosch opgedragen. Vanwege zijn enthousiasme, zijn corrigerende pennetje, zijn rol als mentor, inspirator en vriend, en niet in de laatste plaats zijn befaamde buitenlandexcursies, 'die vele jaren later nog in ons geheugen gebeiteld’ staan.

AAN ZO'N EXCURSIE in Zuid-Frankrijk heb ik zelf ook onuitwisbare herinneringen. Zijn compromisloze omgang met de studenten, zijn commentaar bij de gekko’s die in Arles als toonsleutels aan de huizen gekleefd zaten, de bedrevenheid waarmee hij een skink voor me ving… ach, Zuid-Frankrijk.
Onze thuisbasis was een vennengebied bij Nijmegen. Officieel draagt dat de naam Overasseltse en Hatertse Vennen - wat ik als een bureaucratisch gedrocht beschouw. Ook de afkorting OHV, die in publicaties wel wordt gebruikt, vind ik voor een natuurgebied een onding. Ik zeg dus maar wat ik altijd heb gezegd: Hatertse Vennen. Dat ze in Overasselt liggen, maakt het dan alleen maar interessanter. Henk heeft er jarenlang allerlei herpetologisch onderzoek gedaan en laten doen, ikzelf heb er indertijd elke vierkante meter verkend met mijn eerste hond. Ja, dáár heb ik mijn geloof in het socialisme verloren - dankjewel Bello.
Nu had ik al eens vernomen dat de levendbarende hagedis in de Hatertse Vennen schrikbarend achteruit was gegaan, en het was me opgevallen dat Henk daar absolute aantallen bij gaf. Dat begreep ik niet. Hoe kun je nou zeggen hoeveel hagedissen er in een bepaald gebied leven? Natuurlijk, als iemand jaar in, jaar uit onder dezelfde condities dezelfde trajecten loopt, kan hij iets zeggen over het aantalsverloop van de dieren die hij ziet. Hij kan iets zeggen over voor- of achteruitgang, eventueel uitgedrukt in percentages. Maar dat zijn verhoudingsgetallen.
De Hatertse Vennen beslaan 45 hectare. Toen en toen zaten er volgens Henk zoveel levendbarende hagedissen en nu nog maar zoveel. Ik zei: je moet me toch eens uitleggen hoe je aan die getallen gekomen bent. En hij: dan moet je maar weer eens langskomen.

HET GAAT OM DE VERHOUDING tussen het aantal dieren dat je ergens ziet en het aantal dat er zit. Als we ons tot reptielen bepalen: lang niet alle dieren zijn tegelijk actief, en lang niet alle dieren die actief zijn, worden opgemerkt. Hoeveel tijd je er ook aan besteedt, inventarisaties volgens de klassieke methode zullen nooit meer opleveren dan schattingen met tot wanhoop stemmende foutenmarges.
Goed, zes jaar onderzoek in de Hatertse Vennen (waar alleen de levendbarende hagedis voorkomt), zeven jaar op De Hamert in Midden-Limburg (waar naast de levendbarende ook de zandhagedis voorkomt). Hier werd gewerkt aan populaties waarvan de omvang exact was vastgesteld - alle volwassen exemplaren werden gevangen en gemerkt (10.362 gedocumenteerde vangsten!).
De bedoeling was de ecologie van beide hagedissensoorten te bestuderen. Daartoe werden van de gemerkte dieren gegevens verzameld over dagritmiek, jaarritmiek, terreingebruik en populatieontwikkeling. Achteraf pas besefte Henk dat hij deze gegevens ook nog voor iets anders kon gebruiken.
Hij selecteerde bijna achthonderd zorgvuldig geregistreerde waarnemingen voor een nadere statistische bewerking. Vraag: welk percentage dieren was in welke tijd van het jaar op welk moment van de dag gezien? Resultaat: tabellen met vermenigvuldigingsfactoren.
Voor zichzelf had hij deze tabellen al in 1993 beschikbaar. Vervolgens heeft hij ze negen jaar lang getoetst op 54 (deel-)populaties van de levendbarende hagedis in de Hatertse Vennen, 'en daar kwamen nooit idiote getallen uit’. Daarna heeft hij nog een tijd geaarzeld omdat hij bang was voor misbruik door 'broodbiologen, waarvan er tegenwoordig zoveel zijn’. Maar in 2008 is de methode-Strijbosch dan toch, met bijbehorende tabellen, gepubliceerd.
Een geoefende waarnemer gaat bijvoorbeeld half mei het veld in. Hij heeft tevoren vastgesteld dat er hagedissen zitten en over welke oppervlakte het terrein homogeen is samengesteld. Hij heeft bovendien een hagedisvriendelijke dag afgewacht - de allervriendelijkste is zonnig na een regenperiode. Nu loopt hij in dit voorbeeld zijn traject tussen tien en elf in de ochtend.
Levendbarende hagedis in een droge habitat: vermenigvuldigingsfactor 4. Levendbarende hagedis in een vochtige habitat: 7,1. Zandhagedis (die maar één habitat kent): 9,3.
Nu moet het verkregen getal nog tot een manuur worden teruggebracht of opgewaardeerd - dan heb je de dichtheid per hectare. Voor biologen is dat een standaardeenheid. Voor terreinbeheerders die daar behoefte aan hebben, kan de populatie van een gebied worden getotaliseerd.
Nog één kanttekening: hoe lager de vermenigvuldigingsfactor, hoe groter de betrouwbaarheid. Zo kun je uit de tabellen aflezen dat waarnemingen in juli en augustus zo goed als onbruikbaar zijn. Hagedissen zijn dan domweg niet voldoende zichtbaar. Het is niet duidelijk of dat komt doordat ze dan weinig te doen hebben of doordat de vegetatie dan maximale dekking geeft. (En daarom, omdat het juli was, zijn we deze keer, hoewel de Hatertse Vennen om de hoek lagen, niet samen het veld in geweest.)

IN ZIJN KINDERTIJD in de Peel was het gewoon hekketus. Meer formeel heette het dier kleine hagedis. Maar soortnamen met 'klein’ of 'groot’ zijn nogal onpraktisch. Zo is het 'levendbarend’ geworden, een letterlijke vertaling van het Latijnse 'vivipara’.
In zuidelijker streken zijn ze eierleggend, zoals het reptielen betaamt. Maar bij ons zijn ze inderdaad levendbarend, een aanpassing aan het klimaat. Vrouwtjes broeden bevruchte eitjes inwendig uit, uiteraard zonder daarmee met een navelstreng verbonden te zijn.
De levendbarende hagedis. Poëzie zal het nooit worden, maar het went, op den duur denk je er niet meer bij na.
In de Hatertse Vennen werden tussen 1993 en 2002 in het voorjaar gemiddeld bijna 4900 levendbarende hagedissen geteld. Dat laatste jaar was tevens het topjaar: 6400 dieren.
Toen Henk in 2008 op verzoek van Staatsbosbeheer nog eens in het gebied rondkeek, schrok hij zich wezenloos. Daarom in 2009 zijn methode nog maar eens toegepast, en werkelijk: nog maar zo'n 1600 - een kwart van dat topjaar, een derde van dat langjarige gemiddelde.
Als we ons tot de laatste twintig jaar beperken, gaat het behoorlijk goed met de reptielen in Nederland. De cijfers zijn misschien wat geflatteerd doordat het meetnet steeds fijnmaziger is geworden, maar toch: slangen en hagedissen vertonen geen achteruitgang. Behalve de levendbarende hagedis. Die gaat wel degelijk achteruit, en hard ook - en zelfs in de Hatertse Vennen, het gebied waar ze naar Henks mening het langst zouden kunnen en moeten standhouden.
'Geen mens die het weet’, zegt hij als ik naar de oorzaak vraag. 'Maar met mijn kennis van het beest wil ik wel wat speculeren. De droogte! Tijdens mijn leven is de grondwaterstand in Nederland wel met een meter verlaagd.’
'Maar dat speelt al een halve eeuw’, reageer ik ietwat teleurgesteld. (Mijn eerste boek over de natuur heette De grote droogte in waterland, en dat was in 1980.)
'Maar op zeker moment zak je onder een drempel en dan is er geen houden meer aan’, reageert hij dan weer.
Bij het waterbeheer in Nederland prevaleren agrarische belangen. Voor de natuur is dat des te nadeliger nu in een nieuw klimaat momenten van extreme regenval worden afgewisseld met perioden van extreme droogte. Tegen een graadje warmer zullen de meeste reptielen wel bestand zijn, maar van veranderende neerslagpatronen zouden ze wel eens zwaar te lijden kunnen krijgen - en dan de levendbarende hagedis als eerste. Dit dier functioneert het best in een enigszins vochtige habitat. De vrouwtjes groeien in natte jaren harder dan in droge, en grote vrouwtjes produceren meer nageslacht.
Dit dier is in ieder geval erg gevoelig voor verdroging. De levendbarende hagedis heeft dankzij gekielde schubben een isolerend luchtlaagje om zich heen, maar verder heeft hij tegen verdroging geen verweer.
'Zet een hagedis in een exsiccator’, zegt Henk, 'voer er lucht met nul procent vochtigheid doorheen - meet vervolgens hoeveel vocht die lucht heeft opgenomen, dan weet je hoeveel het dier is kwijtgeraakt.’
Een zandhagedis verliest in het zevende uur veel minder vocht dan in het eerste: bij hem vlakt de curve af. Kennelijk is er een intern mechanisme in werking getreden om vochtverlies tegen te gaan. Bij de levendbarende hagedis echter gaat de lijn recht omhoog; hij verliest in het zevende uur net zo veel vocht als in het eerste. (De proef werd tot zeven uur beperkt om te voorkomen dat de dieren doodgingen.)
Al met al staat Henk volledig achter het besluit van Staatsbosbeheer om nog eens flink wat bos in de Hatertse Vennen te kappen. Die bomen, die staan daar maar water op te pompen, die maken het terrein alleen maar droger. Niet dat hij een hekel heeft aan grove den, integendeel, maar de levendbarende hagedis is hem toch liever.
Het zijn overigens maar armetierige boompjes, en het kappen ervan heeft naast het hydrologische nog een ander voordeel: levendbarende hagedissen vestigen zich graag op kapvlaktes. Het is echter de vraag of ze die vanuit hun micropopulaties in de Hatertse Vennen nog weten te bereiken. Door eutrofiëring (wat je bemesting door wind en regen zou kunnen noemen) groeien deze plekken bovendien versneld dicht, wat hagedissen weer minder op prijs stellen.

NET ALS ANDERE REPTIELEN leven levendbarende hagedissen uiterst zuinig. Ze gebruiken per dag 0,5 gram voedsel, op jaarbasis zestig tot honderd prooien, meest spinnen.
Anders dan andere reptielen zijn levendbarende hagedissen zelfs zuinig met hun emoties. Ze leggen een zekere zelfbeheersing aan de dag, een zeker flegma.
'Je vangt een hagedis’, zegt Henk, 'en je zet hem op een steen om hem te fotograferen. Je laat hem los, hij gaat ervandoor, je grijpt hem, je zet hem terug, je laat hem los, hij gaat ervandoor, je grijpt hem, je zet hem terug, je laat hem los, hij gaat ervandoor, je grijpt hem, je zet hem terug, je laat hem los, hij gaat ervandoor… Een ander beest kan dat volhouden tot hij erbij neervalt, maar de levendbarende heeft na twee, drie keer in de gaten dat vluchten niet werkt. Die denkt: hier verspil ik mijn energie niet meer aan, nou eerst maar eens afwachten wat de bedoeling is… Maar zodra je je ogen afwendt - weg!’
'Bij andere reptielen bewonder je de bruutheid’, zeg ik, 'bij de levendbarende hagedis lijk je juist zijn bescheidenheid te bewonderen.’
'Ja prachtig’, reageert hij. 'Toornslang, parelhagedis… die beesten vertellen heel veel over zichzelf als je ze pakt, enorme vechters zijn dat. Daarmee vergeleken geeft de levendbarende zijn geheimen maar moeizaam prijs - en dat vind ik ook prachtig.’
En in alle 'bescheidenheid’, stel je het verspreidingsgebied van dit dier eens voor, stel je eens voor over welke capaciteiten het wel niet moet beschikken - en dat heel die plasticiteit in dit ene genenpakket besloten moet liggen.
'De zandhagedis heb ik ook bestudeerd’, zegt Henk, 'maar meer als vergelijkingsmateriaal.’
Zandhagedissen mag hij graag met ridders te paard vergelijken, en levendbarende hagedissen met voetvolk. Zo begrijp je meteen waar zijn sympathie ligt. En als je 'professoren’ leest voor zandhagedissen en 'veldbiologen’ voor levendbarende, begrijp je meteen waarom zijn loopbaan is geweest zoals zij is geweest.
'Als ik ergens de baas had moeten worden’, zegt hij, 'had ik nooit kunnen doen wat ik wou doen.’
Als kind had hij een glazen bak met een heideveldje en hagedissen. Zijn vader ving ze voor hem, een oom ving ze voor hem en toen hij acht was, ging hij er al op uit om ze zelf te vangen. Eén keer, op een stoppelig spoorwegtalud bij Helmond, was een dier gewond geraakt.
'Er droop bloed uit het ooglid in zijn oog’, vertelt hij een kleine zestig jaar later. 'Ik keek hem aan, hij keek mij aan, en ik zag een verwijt in zijn ogen. Zie je nou wat je gedaan hebt? Was het nou nodig dat je me ving? Er was communicatie tussen mij en dat beest.’
Tegelijkertijd kijk je in die ogen terug in een wereld die eindeloos veel ouder is dan de onze.
'Het was alsof ik door een luikje keek, alsof ik een glimp opving van een bestaan waarin ik eigenlijk geen toegang had. Ik dacht: dit leven wil ik leren kennen, dit dier wil ik leren begrijpen.’
'En?’ vraag ik.
'En wat je het liefst wilt weten: of ze elkaar kennen, of ze onderling goed met elkaar kunnen opschieten of dat er bij zijn waar ze een hekel aan hebben, waar ze bang voor zijn.’
'En?’
'Ik denk’, zegt hij, 'dat ze wat dat betreft net zo zijn als mensen.’

IK HEB DIT GESPREK weergegeven in de onvoltooid tegenwoordige tijd. In werkelijkheid vond het plaats op 15 juli. Die avond noteerde ik in mijn journaal: Bij Henk S. in Wijchen. We hadden het over de leeftijd van reptielen in evolutionaire zin. En die van mestkevers. En die van bomen. 'Wij denken dat het allemaal om intelligentie en bewustzijn draait’, zei ik, 'maar als ik van mijn bomenboek één ding geleerd heb, is het wel dat de evolutie heel goed zonder kan.’ Waarop Henk zei: 'De mens is een experiment, en als je het mij vraagt, een mislukt experiment.’ De kwestie is dan - om van mislukking te kunnen spreken, moet je de natuur een doel toekennen, en wie zou dat anders kunnen doen dan de mens?