Het flitssocialisme van wim kok

Iedere keer als ik naar mijn armetierige audio-setje kijk, verbijt ik me een beetje. Die lullige boxjes! En dan te bedenken dat ik voor een paar honderd piek twee manshoge geluidsdozen in mijn flatje had kunnen hebben!

Dat kwam zo: toen ik een paar weken geleden van mijn werk naar huis liep, stopte opeens een grote bestelbus naast me. Twee jonge kerels voorin. Ze wilden me niet de weg vragen maar me iets verkopen.
Samenzweerderig vertelde de chauffeur me dat hij achterin een paar puike geluidsboxen had liggen. ‘Zulke boxen hebben ze ook in discotheken en restaurants, meneer. Het is een overschotje en mijn baas gaat ze verpatsen voor duur geld. Maar u ken ze hebben voor honderd piek ’t stuk. Verdienen wij ook nog een paar centen. Sijn we allemaal gelukkig, ja toch?’
Onmiddellijk werd de padvinder in mij wakker: 'Dat is heling, Hans!’ Dus sloeg ik braaf het duistere handeltje af en stapte met ferme tred huiswaarts.
Vorige week bevestigde een rapport van de FIOD en de Rotterdamse politie iets wat iedereen allang wist, namelijk dat de transportwereld een semi-criminele bedrijfstak is. Een op de zeven directeuren van transportondernemingen heeft een strafblad. En allemaal hebben ze zo hun eigen opvatting van flexibilisering. Van iedere zes bedrijfswagens rijdt er één zonder vergunning en er wordt op grote schaal geknoeid met vrachtbrieven, kentekenbewijzen, grensdocumenten, tachograafschijven, sociale premies en belastingen. Veel chauffeurs verdienen er een centje bij door naast hun reguliere vrachtje ook afvalstoffen, drugs en uitheemse plant- en diersoorten te smokkelen.
Dat komt allemaal door die moordende concurrentie, zo vertellen de rapporteurs ons; daardoor worden bedrijven namelijk in de richting van het criminele circuit gedreven. Dus concurrentie leidt tot criminaliteit. Zou dat ook gelden voor agrariërs, schoenwinkeliers en freelance journalisten? Flauwekul natuurlijk; het wegtransport is nu eenmaal de bedrijfstak van de 'vrije jongens’ en in dit wilde westen van de arbeidsmarkt heerst het recht van de sterkste. De Franse vrachtwagenchauffeurs kunnen erover meepraten.
Soms vraag ik me weleens af of de PvdA nog een beeld van de samenleving heeft, maar eigenlijk weet ik het wel. Nederland moet één ondertunneld verkeersknooppunt worden, één wriemelend va-et-vient van vliegtuigen, vrachtwagens en flitstreinen. Nederland omgebouwd tot een transportonderneming, een spin in het web van de 24-uurseconomie waarin alles op ieder moment van dag en nacht beschikbaar moet zijn.
En laten we in godsnaam niet naar het waarom van al dit krankzinnige heen-en-weergezeul van mensen en goederen vragen. Werk, werk, werk! Vroem, vroem! Dender, dender! Flits, flits!
Je leest tegenwoordig steeds meer het begrip ingenieurssocialisme. Vorige week nog gebruikte de Volkskrant het in een hoofdartikel naar aanleiding van de PvdA-tournure in het nachtvluchtendebatje. Ik neem aan dat de term ingenieurssocialisme slaat op de infrastructurele grootheidswaanzin van de huidige sociaal-democratie. Maar misschien is het woord flitssocialisme toepasselijker. Het begrip ingenieurssocialisme hoort namelijk thuis in het interbellum en betekent iets heel anders.
Het slaat in de eerste plaats op het destijds opmerkelijk grote aantal (vooral Delftse) ingenieurs in de SDAP-top: SDAP-fractieleider Albarda, Philips-topman en hoogleraar J. Goudriaan, Tweede-Kamerlid Th. van der Waerden en natuurlijk Hein Vos, samen met Jan Tinbergen verantwoordelijk voor het Plan van de Arbeid (1935) en na de oorlog kortstondig minister van Economische Zaken. Anders dan Wim Koks flitssocialimse was het ingenieurssocialisme gericht op een herverdeling van de macht in de samenleving, onder andere door greep te krijgen op de kapitaalvoorziening.
Het ingenieurssocialisme kan ook gezien worden als een uitdrukking van metaforisch denken in de politiek: de samenleving als een machine. Tegenover het klassiek-conservatieve beeld van de samenleving als een lichaam - en waaraan je dus beter niet kon prutsen - stelde het interbellaire socialisme het beeld van een machine: ingewikkeld, maar beslist bestuurbaar, mits door goed uitgeruste en terzake kundige ingenieurs.
Dit soort analogieën zijn nagenoeg verdwenen uit de politiek. Alleen in de politiek-ecologische hoek hoor je er nog weleens een, bijvoorbeeld de aarde als de kwetsbare Blauwe Planeet of als Spaceship Earth een niet minder fragiel ruimtescheepje met een verdeelde, ruziënde bemanning. Maar in het algemeen wordt dit soort beelden als naïef, kinderachtig of misleidend beschouwd. Politici denken tegenwoordig niet meer analoog maar digitaal, ze denken niet meer in beelden, maar in 'plaatjes’: koopkrachtplaatjes, kostenplaatjes, mobiliteitsplaatjes. En de beelden behoren nog uitsluitend toe aan literatoren, een enkele breedsprakige mooiprater als Van Mierlo misschien uitgezonderd - alhoewel ik ook die man al jaren niet meer op een aansprekende metafoor heb kunnen betrappen.
Kan de politiek zonder beelden? Kunnen mènsen eigenlijk zonder beelden? Die laatste vraag kan moeilijk ontkennend beantwoord worden. De onstuitbare opmars van clip, beeldscherm en virtual reality geeft zelfs voedsel aan de gedachte dat mensen steeds meer in beelden gaan denken. Flitsbeelden, dat wel. En zo is de PvdA toch meer bij de tijd dan ik dacht.