Het franse deja-vu-gevoel

Of het nu Franse scholieren of studenten zijn, wijnbouwers of tuinders, ze blijken allemaal even gewelddadig als ze de straat opgaan voor een manif tegen hun regering. Het straatmeubilair was nog niet hersteld van de vernielende vissers, of de jongeren liepen te hoop tegen de verlaging van het minimumjeugdloon. Niets en niemand ontziend, in blinde woede ontstoken.

Als het Franse volk zich roert, spreken commentatoren al snel van een revolutionair klimaat. Immers, denk maar aan mei ‘68. Maar daarvoor had je al 1871, 1848, 1830, en natuurlijk 1789. Na de Franse Revolutie draagt iedere politieke schermutseling de belofte in zich van confrontatie en escalatie, van massademonstraties en wankelende regeringen, van geweld en doden, van overwinning en nederlaag. De Franse geschiedenis lijkt te kunnen worden geschreven aan de hand van oproeren en opstanden.
Met zo'n temperament vragen de Fransen om een straffe hand, om een sterke staat, zo menen de commentatoren door de jaren heen. Edmund Burke, een van de eerste critici van de Franse Revolutie, schreef al over de Fransen dat 'het is beschikt in de eeuwige orde der dingen dat mensen met een onmatige geest niet vrij kunnen zijn. Hun passies smeden hun boeien.’
Maar ligt het verband tussen passie en politiek niet precies andersom? De Fransen gaan massaal en gewelddadig de straat op omdat de almachtige regering niet luistert naar een vriendelijk verzoek, een bescheiden petitie of een ludieke actie. De Franse staat trekt zich niets aan van de societe civile. Zij verwaarloost alle geluiden uit de samenleving en luistert slechts als het niet anders kan.
Om de overheid tot luisteren te bewegen, maken Franse burgers, normaal gesproken toch niet minder geciviliseerd dan inwoners van andere landen, gebruik van weinig orthodoxe middelen. Wie niet luisteren wil moet voelen. Met de politieke kleur van de zetelende regering heeft dit nauwelijks van doen. Gepassioneerd protest is er altijd. Simpel gezegd: als links regeert, relt rechts, en als rechts regeert, relt links.
Is de massale mobilisatie eenmaal een feit, dan is er geen sprake meer van overleg en compromis, dan wordt het voor beide zijden een kwestie van alles of niets, met als gevolg het inmiddels bekende scenario. De regering die eerst nog hautain had meegedeeld niet met de straat te praten, wordt uiteindelijk vaak gedwongen het bekritiseerde voorstel in te trekken. In hun overwinningsroes zetten demonstranten Parijs nog een keer op zijn kop, en daarna keert de rust weer.
Waar de Franse staat eerst doof is en dan soms toegeeft, luistert de Nederlandse politiek eindeloos, om vervolgens vaak haar eigen zin door te zetten. En ook in Nederland bepalen de autoriteiten hoe hoog de hartstochten oplopen: wie aan talloze adviestafels mag aanschuiven, voert zachtaardiger actie. En bereikt soms minder.
De Franse autoriteiten moeten bij hun Nederlandse collega’s in de leer, de Nederlandse bevolking bij de Franse.