Blog (3)

Het Franse islam-debat woedt op de achtergrond

In de aanloop naar de Franse presidentsverkiezingen blogt De Groene-correspondent Marijn Kruk vanuit Frankrijk over de laatste politieke ontwikkelingen. Vandaag: Islam, identiteit en terrorisme.

Islam, identiteit en terrorisme. Daar zou het in Frankrijk tijdens de verkiezingscampagne over gaan, zo luidde de veronderstelling. Dat viel tegen. In praktijk draait het vooral om de affaires van de rechtse kandidaat François Fillon en staart men zich blind op peilingen. Maakt Marine Le Pen nu een serieuze kans om president te worden of is dat slechts een op niets gebaseerd angstbeeld? Maar in die vraag zit de problematiek rond de islam natuurlijk verpakt.

Het lijdt geen twijfel dat de golf van terreuraanslagen die het land de afgelopen twee jaar trof (Charlie Hebdo, Bataclan en Nice – om alleen de grootste te noemen) Le Pen in de kaart heeft gespeeld. En anders wel de verontrustende berichten uit de banlieue over de toegenomen invloed van het salafisme. Om nog maar te zwijgen over de zorgen over terugkerende jihadisten. De journalist David Thomson schreef daar een verhelderend en belangrijk boek over: Les revenants, de terugkeerders. Daarin stelt hij onder meer dat Europa de prijs zal moeten betalen voor de nonchalance die tot 2014 is betracht zodat jonge aspirant-jihadisten vrijelijk naar Syrië konden afreizen.

De gevierde ex-Midden-Oosten-correspondent Robert F. Worth noemt de presidentsverkiezingen in Frankrijk een ‘referendum over de verknipte relatie met moslimimmigranten en met de islam in het algemeen’. Eerder deze week publiceerde Worth in The New York Times een lezenswaardig profiel van de Franse arabist en islamkenner Gilles Kepel.

Kepel maakte naam met Fitna, over de toegenomen invloed van radicalen binnen de islam vanaf de jaren negentig. Na de aanslag op het satirische weekblad Charlie Hebdo groeide hij dankzij talrijke televisieoptredens uit tot een heuse ster. Die beroemdheid kwam hem ook op bedreigingen te staan. Nadat de Franse jihadist Larossi Abballa vorig jaar zomer een Franse politieman en zijn vrouw had omgebracht in de Parijse voorstad Magnanville las hij een dodenlijst voor met namen van mediapersoonlijkheden. Kepel was de eerste die hij noemde. In La fracture, zijn meest recente boek, prijkt Kepel nadrukkelijk zelf op de cover. ‘Een daad van verzet’, zo beargumenteerde hij dat. ‘Zo van: als je me wilt doden, moet je dat maar komen doen.’

Kepel was ook partij in een heel ander soort strijd: die tussen Franse islamologen. De strijd speelt zich vooral af tussen Kepel en diens nemesis: de filosoof Olivier Roy. De inzet is de aard van de terreurgolf. Komt die voort uit een ‘radicalisering van de islam’ (Kepel) of van een ‘islamisering van de radicaliteit’ (Roy)?

Geschoten of gesneden wordt hierbij weliswaar niet, maar zachtzinnig gaat het er evenmin aan toe. Zo merkte Kepel vilein op dat Roy geen Arabisch kent en zodoende geen kennis heeft van het merendeel van de jihadistische traktaten en pamfletten. Roy noemde Kepel op zijn beurt een op macht beluste arrivist, die het niet zonder vijandbeeld kon stellen (‘een academische versie van Sarkozy’, de oud-president – mk).

Dat de twee elkaar zo bestrijden heeft zijn vermakelijke kanten, maar het is ook jammer, want in wezen zijn ze complementair. Immers, als je het contemporaine jihadisme wilt begrijpen zul je iets moeten weten van zowel de achterliggende ideologie (de focus van Kepel) als van de plaats van religie binnen de moderniteit (het onderzoeksterrein van Roy).

De golf van jihadistisch geweld heeft het debat over de aard en de positie van de islam in Frankrijk op scherp gezet. Zelfbenoemde woordvoerders van een imaginaire ‘moslimgemeenschap’, maar ook veel gewone moslims hebben zich bij herhaling tegen de terreurdaden uitgesproken. Tegelijk viel er bij hen ook diepe onvrede te beluisteren. Beladen woorden als ‘islamofobie’, ‘discriminatie’ en ‘racisme’ waren niet van de lucht. Worth voert Marwan Mohammed op, de uitvoerend directeur van een organisatie die strijdt tegen islamofobie. Mohammed, een ex-beurshandelaar, refereert aan de wet uit 2004 die het dragen van ‘ostentatieve religieuze tekens’ op Franse openbare scholen verbiedt, in de volksmond bekend als de ‘wet tegen de hoofddoek’. Hij noemt de wet ‘de bron van alle spanningen’.

Dat kwam me niet onbekend voor. Toen ik in de dagen na de aanslag op Charlie Hebdo in en even buiten Parijs met Franse moslims sprak, was ik verbaasd over de emotionele reacties die deze wet nog steeds opriep. De pijn bleek onverminderd sterk. Het was alsof de inmiddels twaalf jaar oude wet een paar weken eerder was aangenomen. Bij veel moslims, maar ook bij bepaalde linkse intellectuelen (door Kepel smalend ‘islamo-gauchistes’ genoemd) voedde de wet de verdenking dat het officiële Frankrijk de islam ongunstig gezind was. De befaamde laïcité, het principe dat scheiding tussen kerk en staat in Frankrijk regelt, zou zijn verworden tot een schaamlap voor islamofobie. Wetten en verordeningen werden opgetuigd die in naam voor iedereen golden, maar waarvan voor iedereen duidelijk was dat ze de islam als doelwit hadden.

Het verbod op de gezichtssluier (niqaab) uit 2010 leek dat te bevestigen, later gevolgd door polemieken over halal-vlees of de boerkini, het kuise badpak dat door een aantal burgemeesters werd verboden. Op links tekende zich een nieuwe demarcatielijn af: zij die een ferme opstelling ten opzichte van de islam voorstaan (geïncarneerd door de inmiddels ex-premier Manuel Valls) versus degenen voor wie islamofobie en racisme het te bestrijden onrecht waren (voorgegaan door de journalist Edwy Plenel van de website Mediapart).

Ook Kepel en Roy botsten op dit punt de afgelopen jaren hard. Volgens Kepel worden moslims niet meer gediscrimineerd dan anderen. Roy ziet maatregelen als de wet op de hoofddoek als onnodige provocaties die extremisten in de kaart spelen.

Feit is dat le repli identitaire, zoals de Fransen dat zeggen, ‘de neiging je terug te trekken in je eigen groep’, onder moslims de afgelopen tien jaar sterk is toegenomen. Met name in de banlieue, waar veel nakomelingen van moslimimmigranten uit de voormalige koloniën in Noord- en West-Afrika wonen. Sociologische studies (onder meer van Kepel) wijzen op een sterk gegroeid wantrouwen ten opzichte van de Franse overheid en een toegenomen invloed van radicale stromingen als het salafisme. Het verband met grote aantallen naar Syrië afgereisde Franse jihadisten is lastig hard te maken, maar dát er een verband is lastig te ontkennen. Eerder schreef de Amerikaanse journalist George Packer daar nog een prachtig verhaal over in The New Yorker.

Discriminatie en werkloosheid in de banlieue zijn zeer reëel en als jonge moslim is het verleidelijk je te verschansen in een cultuur van slachtofferschap en Frankrijk-haat. Toch is het natuurlijk maar een beperkt deel van de verklaring voor de radicalisering van grote aantallen Franse jongeren. Ook de alomtegenwoordigheid van de jihadistische ideologie speelt een niet te onderschatten rol.

Evengoed is het verwijt van Franse moslims dat media en politici het op hun religie hebben voorzien niet helemaal uit de lucht gegrepen. Dat stelde politicoloog en godsdienstwetenschapper René Rémond toen ik hem in 2005 interviewde voor dagblad Trouw. Rémond was zelf katholiek, auteur van hét standaardwerk van rechts Frankrijk en bestuursvoorzitter van Sciences-Po, het beroemde instituut aan de rue St. Guillaume in Parijs waar de Franse politieke en bestuurlijke elite wordt opgeleid. Niet bepaald een linksgekkie dus.

Rémond was lid geweest van de zogeheten commissie-Stasi, namens toenmalig president Chirac belast met de herijking van de laïcité. De wet tegen de hoofddoek was een direct uitvloeisel van de werkzaamheden van deze commissie. Maar dat was niet het hele verhaal, leerde het gesprek met Rémond me.

Laïcité is het principe dat de scheiding tussen kerk en staat in Frankrijk regelt. Die is veel minder rigide dan veel mensen denken. Ze kreeg beslag in de beroemde Loi de 1905 (verwijzend naar het jaar waarin de wet in het parlement aangenomen werd). Deze wet beslechtte de strijd die de hele negentiende eeuw had gewoed tussen de Katholieke Kerk en haar republikeinse tegenstanders. Na eeuwenlang te zijn verknoopt geweest met de macht moest de religie weer een privé-zaak worden, meenden die. Volgens de Loi de 1905 is de Franse overheid verplicht de godsdienstvrijheid te garanderen. Tegelijk stelt zij zich te zullen onthouden van subsidie of financiering van welke cultus dan ook. Daar stond tegenover dat de overheid zich verplichtte het onderhoud van alle kerken die vóór 1905 waren gebouwd op zich te nemen. Ook onderwijzend personeel van katholieke scholen zou door de Franse staat worden betaald. Kortom: niet zozeer een verheven principe als wel een ordinaire deal – al zou het tot 1925 duren eer ook de Paus zich erbij neerlegde.

Het achterliggende idee van de commissie-Stasi was dat er honderd jaar na dato ook zo’n deal met de andere religies op het Franse grondgebied gemaakt moest worden, met de islam met name. Zo gek was dat ook niet, want er was de nodige scheefgroei ontstaan. Islamitische feestdagen bestonden niet en terwijl de overheid zo ongeveer alle kerken onderhield, was het haar verboden geld te besteden aan moskeeënbouw.

Rémond: ‘De commissie had een weidse visie op de laïcité, maar de grote media waren slechts geïnteresseerd in de problematiek van de islam en de hoofddoek’. De Franse wetgever ging daarin mee. ‘Van de 25 aanbevelingen die wij hebben gedaan werd slechts die over het verbod op ostentatieve religieuze tekens op scholen door het parlement overgenomen.’ Andere voorstellen, zoals de invoering van een islamitische feestdag, haalden het niet. En dat terwijl de aanbevelingen volgens Rémond een ‘bouwwerk’ vormden waarvan de verschillende onderdelen met elkaar in onderling verband stonden. ‘Nu is de hoofddoek uit de Franse scholen verdwenen’, vervolgde hij. ‘Maar of daarmee de integratieproblemen zijn opgelost?’

Het was kort nadat er in de banlieue drie weken achtereen heftige rellen hadden gewoed. Zou het anders zijn gelopen wanneer het Franse parlement de voorstellen van de commissie-Stasi en bloc had aangenomen, en daar niet slechts het hoofddoekverbod op scholen uit had gevist? We zullen het nooit weten. In ieder geval zouden aan de Moslimbroederschap verwante organisaties als de UOIF minder munitie hebben gehad om verongelijkt naar de Franse staat te wijzen. En ook zou de verdenking dat de laïcité vooral wordt ingezet als instrument om arme Franse moslims dwars te zitten eenvoudig kunnen worden ontkracht. Zo nu en dan klinken er nog wel oproepen om een gebaar te maken naar de Franse moslims. Zoals in Situation de la France, van de conservatieve filosoof Pierre Manent.

Maar de golf van terreuraanslagen en de uittocht van Franse jihadisten richting Syrië hebben de politieke manoeuvreerruimte voor dat soort initiatieven aanmerkelijk kleiner gemaakt. Als het al niet gelijk staat aan politieke zelfmoord. Sterker nog: moslims op de korrel nemen is politiek juist aantrekkelijk, zo bleek al in 2004.