Optreden van Faustin Linyekula uit de Democratische Republiek Congo tijdens de uitreiking van de Prins Claus Prijs in 2017 © Frank van Beek

‘Stropdasdragers aller landen verenigt u: werpt het touw af dat u hindert! Zet uw nek op het spel! Bevrijdt u en waagt u in het openboordenparadijs.’ Het is 9 december 1998 in het Paleis op de Dam en prins Claus brengt zijn handen naar zijn das, trekt de knoop eruit, zwaait er even mee naar het publiek en gooit het ding dan op de grond. De aanwezigen joelen, mannen volgen zijn voorbeeld – het fragment haalde, uiteraard, cnn. Hier was een prins die zich van het juk van het koningshuis bevrijdde, hier trad iemand uit de schaduw.

Maar dat hij dat deed, en dat is minder bekend, werd ingegeven door een groep modeontwerpers uit West-Afrika die op dat moment in Amsterdam te gast was. Na een grote modeshow met catwalk kregen Alphadi uit Niger, Oumou Sy uit Senegal en Tetteh Adzedu uit Ghana de eerste hoofdprijs van het Prins Claus Fonds uitgereikt (honderdduizend gulden) en verscheen het boek The Art of African Fashion. Met zijn das nog om hield de prins een toespraak waarin hij het belang van mode en textieldesign voor Afrika onderstreepte, als uitingsvorm van de vele verschillende volkeren, tradities en religies van het continent. Hij zei: ‘Alleen de mens draagt kleren die praten.’

Daarna pas bracht hij zijn handen naar zijn das, als een ode aan de eerste laureaten van het fonds dat hij twee jaar eerder voor zijn zeventigste verjaardag uit handen van de Nederlandse staat had ontvangen. Hij gooide de das weg, op de catwalk. Het was niet zomaar een daad van verzet, maar een teken van persoonlijke betrokkenheid.

Het Prins Claus Fonds voor Cultuur en Ontwikkeling was voor prins Claus boven alles een deur om zijn ideeën over cultuur en ontwikkelingssamenwerking in praktijk te brengen. Hij was ‘vrij sceptisch’ over het succes van ontwikkelingssamenwerking op dat moment, vertelt zijn jongste zoon prins Constantijn in een videogesprek. Tijdens zijn werk als Duits diplomaat in de Dominicaanse Republiek en Ivoorkust en als adviseur en inspecteur op het gebied van ontwikkelingssamenwerking had hij veel gezien en meegemaakt. Prins Constantijn herinnert zich dat hij bijvoorbeeld vertelde over een ziekenhuis in Afrika dat gebouwd was op een heuvel, waar zieke mensen te voet nauwelijks tegenop kwamen en waar het ontbrak aan faciliteiten voor familieleden om voor de patiënten te zorgen, omdat er was uitgegaan van een westers zorgmodel met verpleging. Of dat hij op inspectie Nederlandse vrijwilligers bezocht die alleen bij elkaar zaten, als expats, met weinig interesse voor lokale contacten en vriendschappen. ‘Een van zijn belangrijkste inzichten was dat je in veel gevallen de plank misslaat als je met een westers perspectief naar ontwikkeling kijkt. Waarom zien we toch iedere keer alles vanuit ons perspectief en waarom is het zo moeilijk om eerst eens te luisteren en vragen te stellen?’

Prins Constantijn is sinds het overlijden van zijn vader in 2002 erevoorzitter van het bestuur van het fonds, eerst samen met zijn broer prins Friso, tot deze in 2013 overleed. Het gedachtegoed van prins Claus vormde de grondslag en bleef dat tot op de dag van vandaag: het Prins Claus Fonds is een fonds voor cultuur in brede zin, met een bescheiden budget gefinancierd door ontwikkelingssamenwerking, nu ondergebracht bij Buitenlandse Zaken, met kunst hoog in het vaandel. Prins Constantijn vertelt: ‘Mijn vader vond dat cultuur op zich een heel belangrijk onderwerp was voor ontwikkelingswerk, naast infrastructuur, onderwijs en economie, omdat mensen er hun identiteit en hun waardigheid aan ontlenen. Die zijn evengoed belangrijk bij maatschappelijke ontwikkeling.’

Gelijkwaardigheid, tussen het Prins Claus Fonds en de landen waar het fonds opereert, is van meet af aan het streven geweest en de leus die daarbij hoort is inmiddels grijs gedraaid: je kunt mensen niet ontwikkelen, mensen ontwikkelen zichzelf, op hun eigen manier en in hun eigen tempo. Maar oorspronkelijk zei prins Claus het zo: ‘On ne développe pas, on se développe, zo houdt een oude Afrikaanse vriend mij altijd voor.’

Opgegroeid in Tanganyika, het tegenwoordige Tanzania en voormalige Duits-Oost-Afrika, en jarenlang werkzaam op het continent, had prins Claus wel degelijk Afrikaanse vrienden gemaakt. Adriaan van der Staay en Adriaan van Dis waren bestuursleden van het eerste uur. Van Dis herinnert zich de eerste keer dat het bestuur van het Prins Claus Fonds bijeenkwam. Anil Ramdas, Lolle Nauta en de anderen moesten vertellen over wat hen bond met de gedekoloniseerde wereld. Van Dis: ‘Prins Claus vertelde hoe hij als jongetje opgroeide in Tanganyika en dat hij daar op een gegeven moment weg moest, naar een kostschool in Duitsland. En dat hij dat zo vreselijk vond, dat hij werd weggerukt uit dat voor hem paradijselijke Afrika. Vergeet niet, dat was een Afrika dat niet meer bestaat, een Afrika waarin de witte man nog steeds de baas was. Toch moet hij daar een prachtige jeugd hebben gehad met verre horizonnen en rood bestoven wegen. Als hij wakker werd in dat nare kosthuis hield hij lang zijn ogen dicht, omdat hij maar in Afrika wou blijven. “En dan deed ik mijn ogen weer open en dan zat ik weer tussen die Duitse rotjongens.” Dat zinnetje zal ik nooit vergeten.’

‘Als jongetje vond prins Claus het vreselijk dat hij werd weggerukt uit paradijselijk Afrika’

In de tuin van zijn uitgeverij aan de Prinsengracht vertelt Van Dis hoe de ontstaansgeschiedenis van het Prins Claus Fonds er een was van vallen en opstaan. Al vroeg kwam het idee om mensen van buiten te vragen die het bestuur zouden kunnen inspireren, ervaringsdeskundigen uit de gebieden waarvan zij het gevoel hadden dat Nederland daar iets van zou kunnen leren, ‘als oude landdief’. Grote inspiratoren waren onder anderen de Israëlische filosoof Avishai Margalit, de Kameroense filosoof en politieke denker Achille Mbembe en Gerardo Mosquera, kunsthistoricus uit Cuba. Margalit vond dat ze van het fonds een soort Amnesty International voor de kunst moesten maken, voor kunsten die in een beklemde situatie waren geraakt. En zo steunden ze in de eerste jaren bijvoorbeeld het traditionele boogschieten in Bhutan, een culturele uiting van grote maatschappelijke betekenis voor het land die plotseling onder druk was komen staan.

Van Dis herinnert zich ook discussies over slavernij, migratie en identiteitsdenken – wat dat betreft was het fonds zijn tijd ver vooruit. Maar er waren ook wonderlijke confrontaties. Van Dis: ‘De eerste keer dat we de Prins Claus Award uitreikten was er een diner in het Van Loon Huis. Dat is niet alleen het huis van slavenhandelaren, maar boven de deuren in dat huis hangen hoofden van tot slaaf gemaakten, van zwarte mannen in wit gips. Ik zat naast de ambassadeur van Mozambique en die vroeg mij op een gegeven moment: wat betekent dat? Het schaamrood kwam bij mij op. Hoe onzorgvuldig waren wij om hier voor het eerst bijeen te komen.’

Prins Claus met mode-ontwerpster Oumou Sy uit Senegal, de laureaat van 1998 © Courtesy of the Prince Claus Fund

Het fonds begon in een kantoor aan de Hoge Nieuwstraat in Den Haag, tegenover de Hofvijver, met een elfkoppig bestuur en een directeur, Els van der Plas. Zij had eerder de Gate Foundation opgericht, een fonds voor ‘interculturele’ uitwisseling op het gebied van hedendaagse kunst, en zou het Prins Claus Fonds veertien jaar leiden. Inmiddels is ze zakelijk directeur bij museum Bonnefanten in Maastricht. In een online gesprek blikt ze terug. ‘Ik heb er altijd voor gestaan dat kunst en cultuur op hun merites beoordeeld werden en dat het Prins Claus Fonds zich niet richtte op kunst en cultuur als middelen tot iets anders. We namen de culturele en maatschappelijke relevantie samen. Onze slogan paste precies: cultuur is een basisbehoefte.’ Het fonds kreeg vier pijlers die elkaar op allerlei manieren voedden: debat en gesprek (‘exchanges’), publicaties, prijzen en projecten waar mensen een aanvraag voor konden doen. Samen met het bestuur ging ze op zoek naar de belangrijkste kunstenaars en denkers in landen als Mozambique, Cuba, Irak, Iran, Afghanistan en Sierra Leone. Een belangwekkend internationaal netwerk ontstond. Ze maakten meteen de eerste jaren gedurfde keuzes voor een fonds betaald uit ontwikkelingssamenwerking, en politiek was het soms op het scherp van de snede. Van der Plas: ‘We gaven bijvoorbeeld Al Jazeera een prijs toen de nieuwszender pas drie jaar bestond. Ik denk nog steeds dat dat heel goed is geweest. Zij waren een van de eerste vrije nieuwszenders van de Arabische wereld en werden door veel van de leiders van de Arabische landen tegengewerkt omdat ze stonden voor vrijheid van meningsuiting.’

Als andere gewaagde laureaten noemt Van der Plas de Algerijnse komiek Mohamed Fellag en de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish. Natuurlijk was het belangrijk dat prins Claus zich achter de keuzes schaarde, maar de Nederlandse politiek was over het algemeen open, vertelt ze. Sterker nog, het Prins Claus Fonds gaf politici de gelegenheid om een punt te maken dat minder hard aankwam dan wanneer dat punt gemaakt werd in de politieke arena. ‘We gaven eens een prijs aan een cultureel tijdschrift dat onder druk stond in Iran, Jahan-e Ketab. Minister Jozias van Aartsen ging toen naar Iran en wilde die prijs wel uitreiken. Dat was voor hem een manier om op een zachte manier kenbaar te maken waar hij stond.’

De Surinaamse jurist en mensenrechtenactivist Lilian Gonçalves-Ho Kang You was tussen 2004 en 2013 bestuursvoorzitter. De eerste jaren was ze tevens voorzitter van de Nederlandse tak van Amnesty International. Daar streed ze er onder meer voor dat de burgerlijke en politieke rechten waar Amnesty voor stond werden uitgebreid met sociaal-economische en culturele rechten. Gonçalves vertelt in een videogesprek: ‘Het is al heel lang geaccepteerd dat cultuur een mensenrecht is, maar dat zie je niet erg terug in de praktijk van ontwikkelingssamenwerking. Iedereen denkt: mensen moeten geen honger hebben, ze moeten werk hebben, en dat klopt ook allemaal. Maar ik kan het eigenlijk niet mooier zeggen dan een van onze prijswinnaars, fotograaf Shahidul Alam uit Bangladesh: in een gevangenis heb je ook eten en drinken maar je mist bepaalde dingen, de vrijheid en vooral de vrijheid om je te kunnen uiten.’

In het Prins Claus Fonds vond ze ruimte voor dat hiaat en ze kon zich goed vinden in het gedachtegoed van prins Claus. Haar voorzitterschap werd gekenmerkt door de nasleep van 9/11. ‘Kunstenaars en intellectuelen hielden zich na 2001 opvallend veel bezig met identiteit. We koppelden de prijsuitreiking in deze jaren aan een thema en in 2007 kozen we voor “cultuur en conflict”, een thema waar ook prins Friso een groot voorstander van was.’ De hoofdprijs ging dat jaar naar Faustin Linyekula, de danser en choreograaf uit Congo, twee jaar geleden associated artist van het Holland Festival. Prins Constantijn zei in zijn speech dat het Prins Claus Fonds ‘niet naïef en zelfs zeer bewust [is] dat cultuur zich vaak in het hart van conflict bevindt – in veel opzichten heeft cultuur wellicht haar onschuld verloren’.

‘Het is mooi dat cultuur buiten de politiek staat en daar toch deel van uitmaakt’

De prijs aan de hoofdlaureaat is altijd in het Paleis op de Dam uitgereikt, maar andere prijsuitreikingen vonden lange tijd plaats in het land zelf. Gonçalves vond het wezenlijk dat de trots ook in eigen land werd gedragen. ‘Vooral voor jonge mensen zijn rolmodellen belangrijk, zeker in fragiele democratieën waar de leiders niet altijd mensen zijn die je als rolmodel zou willen hebben. Het is mooi dat cultuur buiten de politiek staat en daar toch deel van uitmaakt, hoewel een boel laureaten ook politiek geëngageerd zijn, gelukkig. Toen Linyekula de prijs kreeg uitgereikt was zijn acceptatiespeech heel politiek. Je ziet die heftigheid ook in de gebaren van de dansers. Kunst is niet altijd vrolijk, maar wel gemaakt met de vrijheid om je te kunnen uiten.’ En ze vond het belangrijk dat het fonds de ‘top’ uitstraalde. ‘We wilden echt dat het Prins Claus Fonds de Nobelprijs voor Cultuur zou zijn, ook al waren prijzen niet de enige activiteit.’

Het Prins Claus Fonds heeft altijd te maken gehad met politieke spanningen. Als voorzitter moest Gonçalves de rug recht houden en helpen waar mogelijk. In Aleppo was bijvoorbeeld jarenlang een fotografietentoonstelling en elk jaar waren er problemen met de overheid. De avond tevoren werd de elektriciteit afgesloten of de galerie werd onder water gezet. Dan belde de directeur en keek het fonds wat mogelijk was. Wat het fonds precies voor de mensen in het netwerk kan doen, hangt af van de aard van de problemen. ‘Financieel is vaak weinig mogelijk, maar moreel ondersteunen kan in ieder geval en vaak zijn er voorzichtige, diplomatieke wegen te bewandelen.’

De Argentijnse uitgeverij Eloísa Cartonera, die kartonnen boeken met handbeschilderde kaften maakt en in 2012 de Prins Claus Prijs ontving. Buenos Aires © Courtesy of the Prince Claus Fund

Vertrouwen zit ingebakken in het fonds, vertelt Van der Plas. In 2003 richtte zij een nieuw programma binnen het fonds op, de Cultural Emergency Response (cer). Toen na de inval van de Verenigde Staten in Irak beelden binnenstroomden van het museum in Bagdad dat werd geplunderd, dacht zij: wij zijn een fonds voor cultuur en ontwikkeling, we moeten iets doen. ‘Ik heb toen gezegd: we moeten een soort Rode Kruis voor cultuur gaan oprichten om te kunnen acteren op het moment dat cultuur echt under threat is.

‘In de cer komen veel van de ideeën over cultuur als basisbehoefte samen en het bleek een geweldige aanwinst voor het netwerk. De directeur van het museum in Afghanistan, die van het fonds een prijs had gehad, kon bijvoorbeeld goed bijdragen aan het veiligstellen van cultureel erfgoed in Afghanistan. Of omgekeerd: door de cer leerden we betrokken mensen kennen die ondergelopen moskeeën redden, door aardbevingen ontwrichte kerken of culturele centra weer opbouwden en door oorlog bedreigd erfgoed het land uit smokkelden.’

Vertrouwen was van levensbelang. ‘Het eerste project van de cer was de geplunderde bibliotheek in Bagdad. We moesten geld brengen zodat de mensen weer boeken en computers konden kopen, maar er waren geen functionele banken op dat moment. Toen hebben we contant geld meegegeven aan journalisten en militairen die daar naartoe gingen en de mensen daar kregen gewoon cash. Je moest erop vertrouwen dat dat allemaal goed kwam, maar dat vertrouwen werd ook gehonoreerd en gerespecteerd.’

Adriaan van Dis spreidt een stapel publicaties van het fonds die door de jaren heen verschenen voor ons uit op tafel. Ze zijn ontworpen door Irma Boom en er zitten juweeltjes bij, zoals de publicatie bij de uitreiking van de hoofdprijs in 2019 aan Kamala Ibrahim Ishag, de kunstenaar uit Soedan, en het kartonnen boekje met handbeschilderde kaft met poëzie uit Argentinië uit 2012. In dat jaar kreeg de Argentijnse uitgeverij Eloísa Cartonera de hoofdprijs voor de boeken gemaakt van gerecycled karton, die met de hand door de gemeenschap gemaakt werden. Van het prijzengeld kochten ze een nieuwsstal op de boulevard van Buenos Aires en dat werd zo’n succes dat grote schrijvers en dichters de rechten gaven om hun boeken uit te geven.

‘Een aantal laureaten is vervolgd voor vrijheid van meningsuiting of kritiek op regimes’

Op tafel ligt ook de dvd van de Sahel Opera uit 2007, een idee van prins Claus dat pas is uitgevoerd na zijn overlijden. Het werd een wereldwijd succes, prins Constantijn noemt het een meesterwerk. ‘Mijn vader vond dat er veel te weinig erkenning was voor cultuur in de Sahel, terwijl daar een fenomenale rijkdom is. De Sahel Opera is eigenlijk heel tegenstrijdig: opera is geen Afrikaanse kunstvorm, dus het gaat in zekere zin in tegen wat hij claimde, dat je van lokale krachten uit moet gaan. Hij zag opera meer als een metafoor voor een combinatie van toneel, muziek, dans en ook verhaalcultuur die je zou kunnen samenbrengen.’ Maar de Sahel Opera kwam er, met koren die zongen in verschillende dialecten, met mensen die elkaar niet verstonden. Er waren rappers die opera zongen. De hoofdrolspeelster, Djeneba Kone uit Mali, was gescout bij lokale audities. Ze speelde kindsoldaat en groeide dankzij de opera uit tot een ster, liep over de rode loper van Cannes maar overleed jong bij een auto-ongeluk.

‘De Sahel Opera was een fenomenale exercitie die uiteindelijk zijn première kreeg op de rivierbanken van de Niger in Bamako. Tijdens de pauze pakten twee dames spontaan het podium. Zij hadden niets te maken met de opera, maar de muzikanten dachten: het zal er wel bij horen. De belichting dacht dat ook. Dus toen kregen we vijf minuten geïmproviseerd toneel van twee voorbijgangers. De gastheren geneerden zich, maar wij vonden het eigenlijk heel erg leuk.’

Bijzondere kunstenaars in 25 jaar Prins Claus Fonds kan prins Constantijn niet uitlichten, het zijn er te veel. ‘Herinneringen heb ik bijvoorbeeld aan de voetbalvereniging Mathare Youth Sports Association in Nairobi. Ik heb daar samen met Aron Winter nog gevoetbald met meisjes op blote voeten. Maar ook aan de Braziliaanse zanger Carlinhos Browns, die tijdens de uitreiking in 2004 nog met mijn moeder heeft gedanst. Dat was ook emotioneel omdat mijn grootvader die dag overleed. Zo zijn er vele momenten met dit fonds die heel persoonlijk zijn, met mensen die we later ook zijn blijven volgen. Twee zangers uit de Sahel Opera hebben opgetreden bij de memorial voor mijn broer.’

Prins Constantijn ziet de laureaten, los van wat ze artistiek doen, als bijzondere mensen. ‘Een aantal is vervolgd voor vrijheid van meningsuiting of voor hun kritiek op regimes.’ Een andere laureaat die hij noemt is de Syrische cartoonist Ali Ferzat, wiens handen gebroken werden zodat hij geen cartoons meer kon maken. En Omara Khan Massoudi, directeur van het museum in Kabul, die tijdens de eerste plunderingen door de Taliban een belangrijk deel van de collectie achter een blinde muur wist te verstoppen. ‘Hij heeft zijn leven gewaagd om cultureel erfgoed te beschermen. Het is supermooi dat dat hem gelukt is. Het feit dat mensen bereid zijn hun leven te geven voor cultureel erfgoed – zo belangrijk zijn kunst en cultuur blijkbaar. Dan zitten wij toch in een veel betere positie hier in Nederland. Ik vind dat een belangrijke les in bescheidenheid die we ook uit het fonds kunnen winnen.’

Echte verandering, zegt Adriaan van Dis, gaat langzaam. Hij denkt terug aan prins Claus die zijn das afdeed, aan zijn verlangen om zich van zijn ketenen te ontdoen. ‘Alleen twee jaar later stond iedereen daar weer met zo’n malle das om zijn nek geknoopt. Dan zie je: je wil wel veranderen, maar het gaat millimeter voor millimeter.’

De wereld veranderde in 25 jaar op alle fronten radicaal. Positief en negatief. Prins Constantijn noemt de emancipatie waardoor landen niet zomaar meer ontwikkelingssamenwerking accepteren maar zelf aangeven wat ze daarmee willen. De gelijkwaardigheid tussen culturele activisten wereldwijd, nu we ook hier moeten vechten voor het behoud voor culturele expressie. De tijd onder voormalig president Trump toen het Westen plots te maken kreeg met populisme: dagelijkse kost voor veel van de prijswinnaars. ‘Dat was een mooi moment in gelijkwaardigheid, toen de prijswinnaars tegen ons zeiden: wij gaan al veel langer om met instabiele leiders, nu kunnen jullie eens van ons leren.’

Als grote zorg noemt hij dat er steeds minder geld komt voor kunst en cultuur en dat kunst als maatschappijkritische uitingsvorm onder druk staat. Het is de reden dat het Prins Claus Fonds bestaansrecht heeft, maar de kwetsbare positie van cultuur is niet met geld alleen te ondervangen. ‘Het gaat er vooral om dat mensen niet vergeten worden. Het feit dat ze deel zijn van een netwerk betekent ook dat ze niet vergeten worden als ze een keer problemen hebben met een overheid. De openbaarheid brengt een zekere mate van bescherming.’

Het is een goed moment om te reflecteren op het eigen bestaan. Het Prins Claus Fonds, inmiddels gevestigd in Amsterdam, staat op de drempel van belangrijke veranderingen. De cer gaat vanaf volgend jaar verder als een zelfstandige organisatie en het fonds keer terug naar de prijzen als instrument om kunstenaars te steunen en mensen te verbinden en zet alle pijlen op het verder bouwen aan een gemeenschap. Prins Constantijn: ‘Ik denk dat er veel toekomst in het fonds zit, maar ik denk dat het niet makkelijker wordt. We zijn nog steeds klein en de wereld is groot, en de problemen worden er niet minder om. Het blijft zaak om elke keer de focus te zoeken. Het maakt eigenlijk niet uit wat je bent, als je maar weet wat je wil.’