Drugsbestrijding

Het gaat goed, maar het kan niet deugen

Terwijl de Tweede Kamer volgende week debatteert over een verbod op paddo’s wordt in Wenen het drugsbeleid van de Verenigde Naties voor de komende tien jaar bepaald. Nederland wil daar niet meer voorop lopen.

‘Wat betreft drugs ben ik een geheelonthouder’, bekent Egbert Tellegen bij aanvang van de presentatie van zijn boek Het utopisme van de drugsbestrijding. We hebben hier niet te maken met een ervaringsdeskundige, zoals er in de pro-drugslobby wel een paar rondlopen, maar met een socioloog en emeritus hoogleraar milieukunde. Tellegens boek is een pleidooi voor drugsregulering in plaats van -prohibitie. Drugsbeleid vanuit het oogpunt van gezondheidszorg: geen moralisme maar risicobeperking; niet marginaliseren maar integreren. Typisch Hollands gedachtegoed, zou men in het buitenland zeggen, maar niets is minder waar: het Nederlandse drugsbeleid neigt steeds meer richting repressie. Volgende week gaat de Tweede Kamer in debat over het verbieden van paddo’s. Het lijkt erop dat een meerderheid daar voor is. In feite zijn de psychotrope paddestoelen de enige legale en gereguleerde drugssoort in Nederland, dus precies waar Tellegen voor pleit. De overheid kan van de paddestoelen, van spoor tot ingepakte gebruiksklare paddo, alles controleren. Men kan zich bemoeien met de grootte van een dosis en de regulering van de distributie – iets wat door het gedoogbeleid bij marihuana allemaal niet mogelijk is. Kan Tellegen hardmaken dat regulering echt de beste resultaten oplevert?

Het boek schetst de geschiedenis van zowel drugsgebruik als drugsbeleid. Dat eerste is leuk om te lezen en onderhoudend geschreven, maar het kan, wat minder uitgebreid, ook worden gevonden in drugshandboeken voor de beginnende gebruiker, zoals Uit je bol. Veel interessanter in het licht van de huidige discussie is de historie van het drugsbeleid. Hier komen de sociologische kwaliteiten van Tellegen echt tot hun recht. In een overzicht van bijna honderd jaar drugsbestrijding – in 1909 vond de eerste internationale conferentie plaats in Shanghai; opium was toen het grote kwaad – geeft hij de verhoudingen tussen de hoofdrolspelers weer. Het drugsbeleid van de Verenigde Staten en Zweden komt uitgebreid aan bod.

Nederland is altijd het brutaalste jongetje van de klas geweest, al was dat in het begin vooral op economische gronden. In de koloniën werden veel drugs geproduceerd en geconsumeerd; verbieden zou alleen maar tot moeilijkheden leiden. Later gingen minder opportunistische argumenten een rol spelen. Waar de VS heilig geloofden dat drugsgebruik moreel verwerpelijk was en dat een harde aanpak zou leiden tot uitroeiing ervan, dacht Nederland niet dat verbieden invloed zou hebben op het gebruik. Verbieden zou eerder leiden tot de zoektocht naar een – meestal heftiger – vervangmiddel. De coffeeshop laat zien dat regulering drugs bijna saai kan maken en ook tot een afname van het aantal gebruikers kan leiden. In 1995 is er voor het eerst sprake van een stijlbreuk. Uit de Nota drugsbeleid blijkt dat de zogenaamde partydrugs – xtc, cocaïne, speed – geen groot gezondheidsrisico inhouden en bij regulering gebaat zouden zijn, maar Paars wil daar niks van weten. Ook stagneert het coffeeshopbeleid; gedogen leidt niet tot legaliseren. De paarse regering, waarvan juist een liberaal beleid werd verwacht, verweerde zich tegen de restricties door te wijzen op de kritiek uit het buitenland. Maar was juist Nederland niet altijd tegen die kritiek ingegaan?

De regering-Balkenende zet deze lijn door. Terwijl de landen om ons heen – Engeland, Zwitserland, Spanje – toenadering zoeken tot het Nederlandse model spreekt het huidige coalitieakkoord enkel van bestrijding van gebruik en handel in drugs. Tellegen concludeert dat Nederland zijn vooraanstaande positie kwijtraakt.

Het laatste deel van zijn boek handelt over wat de contouren van een ander drugsbeleid zouden kunnen zijn. Tellegen geeft niet alleen kritiek, maar heeft ook een visie op hoe de regulering van drugsgebruik georganiseerd zou kunnen worden met een nationaal drugsbureau en een drugspas. Deze toekomstmuziek is interessant, maar ook voorbarig. Eerst zal er een andere wind moeten gaan waaien. Wat dat betreft zou het geen kwaad kunnen als de Tweede-Kamerleden zich, ter voorbereiding op het debat van komende week, in Tellegens boek verdiepten. Zijn kritiek op de verbiedpolitiek is veelzijdig – zowel juridisch en medisch als sociaal – en grondig, en daarom interessant voor mede- en tegenstanders.

Veel belangrijker dan het Nederlandse debat over paddo’s is de conferentie begin maart in Wenen. Daar wordt het drugsbeleid van de Verenigde Naties voor de komende tien jaar bepaald. Een mooie kans voor Nederland om de voorstanders van prohibitie nog eens de vruchten van zijn liberale beleid onder de neus te wrijven en voor een andere invalshoek te pleiten. De cijfers liegen er immers niet om: van praktisch alle soorten drugs ligt het percentage gebruikers in de VS twee keer zo hoog als in Nederland.

De kans dat Nederland dat gaat doen lijkt nihil. De VS steunen op hun morele gelijk in de war on drugs, en niemand wil zijn vingers branden aan een alternatief. Er is reden om trots te zijn op wat Nederland tot stand heeft gebracht, maar daar lijkt de Nederlandse overheid geen boodschap aan te hebben. Men laat zich verleiden door de Amerikaanse retoriek en denkt: het gaat weliswaar goed, maar het kan toch niet deugen.

Egbert Tellegen, Het utopisme van de drugsbestrijding. Mets & Schilt, 384 blz., € 22,-