Antisemitisme Jodenhaat wint terrein in Oost-Europa

Het gaat goed met het antisemitisme

Veel joden zijn er niet meer in Oost-Europa. Toch steken oude fascistische sentimenten overal weer de kop op. Recentelijk deden zes EU-lidstaten een opmerkelijk voorstel: ze willen de communistische ‘genocide’ gelijkstellen aan de holocaust.

POLITICI DIE HAAT ZAAIEN tegen minderheden zijn er volop in het voormalige Oostblok. Soms keren ze zich daarbij ook openlijk tegen joden. Zo liet de Tsjechische oud-premier Mirek Topolánek zich vorig jaar in een interview negatief uit over achtereenvolgens homo’s, joden en kerkelijken. Bij die ‘joden’ vermeldde de rechts-liberale partijleider expliciet Jan Fischer, zijn opvolger als premier. Fischers joodse afstamming zou de oorzaak zijn van de politieke misère in Tsjechië. En Topolánek is niet zomaar een politicus: hij was als regeringschef in 2009 met zijn land EU-voorzitter, en dus de hoogste baas van de Europese gemeenschap.
Oost- en Midden-Europese gezagsdragers die zich antisemitisch uiten, richten hun agressie meestal niet alleen op de joodse gemeenschap. Net als Topolánek geven zij het signaal af hun staat tegen joden én andere ongewenste elementen te zullen verdedigen. Dat kunnen homo’s zijn of 'communisten’, 'zigeuners’, kritische journalisten en het kan zelfs de EU zijn, wanneer deze het voor de rechten van de genoemde groepen opneemt.
Dat laatste is helaas slechts theorie. Agressie tegen allerhande minderheden is nog steeds de praktijk in de nieuwe EU-staten uit het oosten. Ook tegen gemeenschappen die er amper nog bestaan, zoals de joodse. Een - zeldzaam kritisch - Litouws blad becommentarieerde de agressors tegen een recente homoparade met de tekst: 'Het gaat erom je als echte Litouwer te gedragen. Joden zijn hier niet meer, en toch worden ze bestreden. (…) Zo groeit de overtuiging dat een echte Litouwer alleen hij is die met zijn vuisten op anderen inhakt en daarbij luid brult. Homo’s zijn natuurlijk geen echte Litouwers.’
Vaak wordt het woord 'jood’ uit taktische gronden vermeden, zoals door de Hongaarse premier Viktor Orbán, die op dit moment met zijn land het EU-voorzitterschap bekleedt. Europeanen moeten zijn retoriek leren doorzien. Het is dezelfde taal als die van nogal wat ministers, museumdirecteuren en media in het voormalige Oostblok. Met name in Hongarije, de Baltische staten en Polen wordt antisemitisme verholen maar gestaag door gezagsdragers gevoed.
Een jaar of vijf geleden spreidde Viktor Orbán als oppositieleider zo'n fraai staaltje redeneerkunst ten toon. Hij had toen nog een liberaal imago dat vele progressieve jongeren aantrok, die niets van de 'ex-communistische’ regering wilden weten. Dat belette hem niet op de Hongaarse televisie een extreem-rechts weekblad in bescherming te nemen. Het blad had de sovjetrussische coup van 1956 herdacht en had, als contrast, de eerdere fascistische Hongaarse en Duitse legers 'de ware verdedigers van de Europese beschaving’ genoemd. Orbán rechtvaardigde dit als volgt: voor sommige Hongaren waren de Russische tanks in 1956 hun finest hour, maar voor andere een tragedie. Verder terugkijkend kun je daarom net zo goed blij als bedroefd zijn over het feit dat Hitler de Tweede Wereldoorlog heeft verloren.
Orbáns gedachtegang is natuurlijk grotesk. Maar een nadere blik leert dat onder zulke vergelijkingen van het 'rode’ met het 'bruine’ regime, die in het Oostblok zeer gangbaar zijn, veelal een adder schuilgaat: die van het antisemitisme.
In Hongarije is het ontkennen van de holocaust door de vorige, linkse regering strafbaar gesteld. De nieuwe, rechtse regering-Orbán heeft die wet vorig jaar uitgebreid met de ontkenning van communistische misdaden. Orbáns Fidesz-partij heeft een waardensysteem waarin nationale mythen van onschuld en heldendom gepaard gaan met repressie tegen andersdenkenden. ’s Lands eigen aandeel in fascisme en holocaust wordt daarbij gebagatelliseerd. Dat Fidesz niet extreem-rechts kan heten, komt door de omstandigheid dat Hongarije een nog extremere partij ter rechterzijde heeft: Jobbik, met zijn paramilitaire gardes en fascistische scholingsclubs.
In december demonstreerden Jobbik-parlementarïers nog voor de Litouwse ambassade in Boedapest ten gunste van een Litouwse regeringsadviseur, die de holocaust een 'legende’ had genoemd. Deze topambtenaar en historicus moest pas opstappen nadat enige ambassadeurs in de Litouwse hoofdstad Vilnius, onder wie de Nederlandse, druk hadden uitgeoefend. In de petitie die de demonstranten in Boedapest hadden opgesteld heette dat 'de hysterische campagne die door joodse lobbygroepen was gestart’.
Tel de ruim twaalf procent Hongaarse stemmen voor Jobbik op bij de 68 procent stemmen voor Fidesz en je hebt een zeldzaam machtsblok. Bedenk daarbij dat geen enkele regering de afgelopen tien jaar iets voor de welvaart van de bevolking heeft gedaan en een civil society nagenoeg ontbreekt. In de Hongaarse samenleving heerst een sfeer van ieder voor zich. Deze ontlaadt zich in massale steun aan een 'Führer’, een man 'met het aureool van de almacht’ (schrijver György Konrád in de laatste Der Spiegel). Orbán is een leider die bijvoorbeeld het geweld tegen roma in zijn land niet officieel goedkeurt, maar wel salonfähig maakt.
In dit klimaat steken ook de oude fascistische sentimenten de kop op die door het communisme werden onderdrukt. Een andere beroemde Hongaarse schrijver, György Dalos, woonachtig in Berlijn, schreef deze week in Die Welt hoe in Hongarije de westerse pers vrij algemeen als 'zionistisch’ wordt gezien. Hoe het democratiebesef van de Hongaar moet worden versterkt nu de eigen media door Orbán zijn gemuilkorfd, weet Dalos ook niet.
In december was heel Europa met de eurocrisis bezig. Alleen de Angelsaksische pers besteedde aandacht aan het opmerkelijke voorstel, dat in de luwte vlak voor Kerstmis door zes lidstaten uit het Oosten bij de Europese Commissie was ingediend. Litouwen, Letland, Hongarije, Tsjechië, Roemenië en Bulgarije vroegen de Commissie daarin op een Europese 'dubbele-genocidewet’ aan te koersen. Zij willen het ontkennen van de misdaden van communistische regimes overal even strafbaar maken als het ontkennen van de holocaust. De commissie verwierp het voorstel terstond, omdat dit met name in het Westen gevoelig ligt.
In een aantal Europese staten is het ontkennen van de holocaust strafbaar, zoals in Duitsland en Frankrijk. Een deel van de lidstaten uit het Oosten, zoals Hongarije, heeft een wet tegen het ontkennen van alle totalitaire misdaden. Andere landen, zoals Nederland, vinden een aparte wet op de holocaust-ontkenning niet nodig; communisme speelt hier geen rol. Inderdaad kunnen haat zaaiende en tot geweld oproepende burgers prima tot de orde worden geroepen met de in elk land bestaande wetten over belediging en opruiing. Dan gaan mensen die uit louter domheid de holocaust ontkennen maar vrijuit.
Een aparte wet op de holocaust-ontkenning is dus vooral een symbool van politiek-correct denken. En van eenzelfde symboolpolitiek getuigt het voorstel van de zes staten om 'rode’ terreur in Europa officieel gelijk te stellen aan 'bruine’. Hun bevolking heeft erg onder Stalin en de Goelag geleden. Maar wat betekent de dubbele-genocidebenadering voor de omgang met Hitler en de holocaust?
Het was de Litouwse regering die het initiatief nam tot het dubbele-genocidevoorstel aan de EU. In dit land loopt sinds drie jaar een justitieel onderzoek tegen een handvol hoogbejaarde joodse partizanen. Zij wisten in de oorlog uit het getto van de hoofdstad Vilnius te ontsnappen en vochten samen met Russische partizanen tegen de nazi’s en hun Litouwse handlangers. Daarbij zouden zij een veertigtal Litouwers hebben omgebracht. De aanklacht die boven hun hoofd hangt, wordt begeleid met intimidaties en met hetzes in de toonaangevende Litouwse media.
De Litouwse burgerrechtenbeweging LHRA, die geacht wordt antisemitisme op te sporen, bericht op haar website over deze stokoude verzetsstrijders dat zij 'een massaslachting onder burgers’ hadden aangericht en daarvoor nu bestraft gaan worden. Het staat er alsof het hier om een neutraal nieuwsfeit gaat.
'Nu maar hopen dat er ergens een burgerrechtenorganisatie is die deze burgerrechtenorganisatie aan de schandpaal nagelt’, antwoordde Dovid Katz zojuist op een mail. Katz is een professor in Jiddische taal en cultuur die werkt vanuit Oxford en Vilnius. Hij bericht op zijn website www.DefendingHistory.com onvermoeibaar over de opeenvolgende antisemitische schandalen in de Baltische staten. De dubbele-genocidesentimenten leiden volgens hem tot een onverdraaglijke gelijkstelling: dat je joden had die, samen met de Russen, Litouwers vermoordden, zoals je Litouwers had die joden vermoordden.
Maar van de tweehonderdduizend Litouwse joden overleefde geen vijf procent de oorlog. In de andere Baltische staten was het plaatje amper beter. De bevolking van deze staten was alvast begonnen met het afslachten van hun joodse buren en stadgenoten voordat de nazi’s waren gearriveerd. Elke internationale poging om hun oorlogsmisdadigers nog achter de tralies te krijgen, werken de Baltische regeringen echter tegen.
In de nationale musea van Boedapest, Vilnius en Riga die namen dragen als het Bezettings-, Genocide- of Terreurmuseum, wordt het lijden van de etnische Let, Litouwer en Hongaar onder het communisme gethematiseerd. In Boedapest bestrijkt het museum de periode 1944-1989. De Hongaarse fascisten komen er dus één jaar in voor, waardoor het communisme veertig keer zo erg lijkt. Het museum te Riga verdedigde zich onlangs vergelijkbaar: de Russische bezetting duurde een paar generaties lang, dus wat was nu erger? De joden komen in deze prestigieuze musea amper in beeld, en de Russen alleen als daders.
In 2010 vond in Riga weer de jaarlijkse veteranenoptocht plaats van het Letse SS-legioen met zijn jeugdige aanhang. Niet alleen de Letse, maar ook de Litouwse vlaggen wapperden er. In Vilnius moet je daarentegen door de politiek-correcte façades leren kijken. Sinds de stad in 2009 Culturele Hoofdstad van Europa werd, is het voormalige joodse getto opgetooid met gedenkplaten voor beroemde joden uit vroeger eeuwen.
Maar wie de officiële toeristische stadsgids van 2009 bestudeerde, las daar over de Tweede Wereldoorlog slechts dat de Russen massadeportaties hadden gehouden. Duitsers noch joden worden er genoemd, laat staan de collaborerende Litouwer. Het getto van Vilnius, waar die nu vervolgde partizanen uit ontsnapten, komt elders in de brochure ter sprake: als een buurt waar de joden, een nijver handwerkersvolk, zich in de zestiende eeuw vestigden. Punt.
Onder leiding van het Simon Wiesenthal Center hebben joodse organisaties en enige Amerikaanse en Duitse universiteiten eind 2008 protest aangetekend tegen de status van Vilnius als Europa’s Culturele Hoofdstad. De titel Antisemitische Hoofdstad van Europa was beter op zijn plaats, vonden ze.

WAAROM KAN het antisemitisme op institutioneel niveau zo voortwoekeren in het voormalige Oostblok? De Baltische staten, Polen en Hongarije waren na de ondergang van de Europese keizerrijken in 1918 onafhankelijk geworden. Het waren autoritair geregeerde staten met weinig democratie-ervaring en veel nationaal bewustzijn. Repressie tegen minderheden was het directe gevolg. In de eerste jaren van de nieuwe Hongaarse en Poolse staat vonden daar bijvoorbeeld al honderden haatcampagnes tegen joodse burgers plaats.
Vilnius, dat 'het Jeruzalem van het Noorden’ werd genoemd, lag als 'Wilno’ van 1918 tot 1939 in de nieuwopgerichte Poolse staat. Een van de eerste pogroms kostte er al aan circa honderd joden het leven. In de jaren dertig werden de anti-joodse maatregelen in de stad uitgebreid. De Poolse regering kreeg daarbij steun van de antisemitische studentenbond Al-Poolse Jeugd, die bewerkstelligde dat joodse studenten van universiteiten werden geweerd. Het is pikant dat de Al-Poolse Jeugd direct na de val van de Muur in Polen werd heropgericht, door de kleinzoon van een leidsman uit de jaren dertig.
Net als na de Eerste Wereldoorlog vonden er in de Poolse Volksrepubliek direct na de Tweede Wereldoorlog alweer pogroms plaats, gevolgd door de 'antizionistische’ zuiveringscampagnes van de jaren vijftig en zestig. Bij de laatste grote campagne onder het communisme, die van 1967-68, verloor de helft van de veertigduizend nog in Polen levende joden hun baan en werden zij, die vaak amper nog wisten dat ze jood waren, zo wel gedwongen te emigreren.
Generaties Poolse schoolkinderen, die verplicht naar Auschwitz gingen, kregen daar tot in 1989 slechts te horen dat er door de 'Hitler-fascisten’ 'Polen’ waren vermoord - niet geheel onwaar, want van de zes miljoen vermoorde joden was ongeveer de helft Pool. Maar zo leer je weinig. Vijf jaar geleden nog organiseerde de genoemde Al-Poolse Jeugd, met dekking van de kerk en het ultra-conservatieve Poolse kabinet, optochten waarbij antisemitische leuzen werden gescandeerd en de Europese Unie als een wezen met een haakneus werd uitgebeeld. De heroprichter van deze club werd daarna vice-premier en minister van Opvoeding, terwijl zijn vader als Europarlementariër een antisemitisch getoonzette brochure verspreidde met het EU-logo erop.
In 2005 kopte de liberale kwaliteitskrant Gazeta Wyborcza sarcastisch: 'Antysemityzm ma sie dobrze’ - Het gaat goed met het antisemitisme. Een kritisch Pools onderzoek had aangetoond dat de jodenhaat weer aan terrein had gewonnen. Maar het aantal mensen dat zich ervan distantieerde, groeide ook.
Het breekpunt vormde de Jedwabne-affaire. In 2001 beschreef de joods-Poolse Amerikaan Jan Gross in zijn boek Jedwabne de slachtpartij in 1941 van de Poolse bewoners van Jedwabne op hun joodse dorpsgenoten. Dat sloeg in als een bom: tot dan waren de nazi’s voor het bloedbad met zestienhonderd doden verantwoordelijk gehouden. Maar het waren niet de minsten die boodschapper Gross als het grotere euvel zagen. Oud-president Lech Walesa, winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, noemde de auteur op de radio 'een jood, wie het om het geld ging’. En het Poolse parlement besloot in de naweeën van de affaire tot een 'Lex Gross’. Deze wet legde tot drie jaar gevangenisstraf op aan eenieder die 'de Poolse natie in het openbaar beticht van de deelname aan, de organisatie of verantwoordelijkheid voor communistische of nationaal-socialistische misdaden’.
De Lex Gross werd in 2008 door het Poolse constitutionele hof in strijd met de grondwet geacht. Polen ontbreekt opvallend in het rijtje staten dat vlak voor Kerst bij de EU aandrong op de gelijkstelling van de communistische 'genocide’ met de holocaust. De meest optimistische lezing van dit feit is dat de huidige, liberalere Poolse regering dat voorstel als een terugval in antisemitische sentimenten beschouwt.