De prijs van vernieuwing in het onderwijs

‘Het gaat goed met ons onderwijs’

L.H. Wiener nam dit jaar afscheid van het onderwijs. Bijna veertig jaar was hij leraar Engels. ‘Het nieuwe onderwijssysteem is als het leven zelf: één groot frauduleus bankroet.’

In januari van het jaar 2002 heb ik mijn school, het Stedelijk Gymnasium te Haarlem, de rug toegekeerd, in de overtuiging dat mijn onderwijscarrière, die toen 34 jaar omspande, toch tot een ergerlijk en voortijdig einde was gekomen.

Het lukt maar weinigen binnen het onderwijs om er de moed tot het eind toe in te houden en ik had er alles aan gedaan om mijzelf dit armoedige lot te besparen. Zo had ik vanaf 1997 naar vermogen de nieuwe regels van het Studiehuis gevolgd en getracht termen als ‘studielast’, ‘handelingsdeel’, ‘profielwerkstuk’, ‘activerende didactiek’, ‘vrije ruimte’, ‘contact-uur’, ‘deelvak’ en ‘leeskilometers’ te begrijpen, maar gaandeweg raakte ik steeds meer vervreemd van mijn eigen sectieleden en uiteindelijk van mijn eigen vak.

In mijn roman Nestor staat het er, bij monde van mijn literaire alter ego Victor van Gigch, ongeveer zo: ‘Voor de niet ingewijden in deze materie zij hierbij verduidelijkt dat het Studiehuis een ludieke ambtelijke benaming is voor een heilloze onderwijshervorming, die als totaalprogramma wordt aangeduid met de term de Tweede Fase, waarbij de leerlingen in de bovenbouw hun opleiding zelfstandiger dan vroeger moeten benaderen en inrichten. Een theoriemodel heet zoiets, bedacht door een aantal zogenaamde onderwijsdeskundigen in Den Haag of Zoetermeer, of waar zij zich verder nog verschansen, deze merendeels van het actieve onderwijsfront weggevluchte oud-collega’s. Van de praktiserende leraar wordt nu niet meer verwacht dat hij in de bovenbouw lesgeeft. Literatuur wordt niet meer behandeld, maar opgegeven. Van literaire vorming en verdieping is geen sprake meer. De leerlingen mogen het nu allemaal zelf doen en zelf zeggen. Boektitels met bijbehorende opdrachten worden ter vrije keuze aangeboden en data voor inlevering van de gemaakte werkstukken vastgelegd in een zogeheten studiewijzer. Daarna kan de fraude beginnen.

Grootste bron van kennis en informatie is ook hier het internet. Hoe slimmer men de knoppen bedient, des te dieper zal het inzicht in de literatuur reiken. De leraar corrigeert vervolgens dit leesdossier, waarvan hij niet weet of de antwoorden uit het hoofd van zijn leerling komen dan wel uit het geheugen van een computer. Hij weet zelfs niet of het ingeleverde werk wel afkomstig is van de leerling wiens naam er boven staat, dan wel of het gedownload is uit het bestand van een bevriende relatie of een gespecialiseerde autoriteit.

Dat de kwaliteit van het geschreven Engels in werkstukken, sedert de invoering van het Studiehuis, met sprongen vooruit is gegaan, kan niemand ontkennen en dat in de operationele fase van dit monstrum een leraar moderne talen vernederd wordt tot het opsporen van opzettelijk aangebrachte fouten in anders onberispelijke kopieën, mag de pret niet drukken. Zo is het nieuwe onderwijssysteem als het leven zelf: één groot frauduleus bankroet, maar het Studiehuis is niet méér dan dat, terwijl het leven zelf daarnaast toch ook nog heel mooi kan zijn en mysterieus en zeer waard om te leven.

In mijn onderwijsaanstelling staat dat ik geacht word les te geven in de Engelse taal- en letterkunde, een opdracht waaraan ik me altijd heb gehouden, maar met de invoering van de Tweede Fase word ik verondersteld om te schakelen naar de zogeheten “activerende didactiek”, waarbij de leerlingen in groepjes worden geformeerd, “genummerde hoofden” krijgen en dan aan elkaar moeten gaan vertellen hoe het niet zit. “Genummerde hoofden”, of hun schedel ook moet worden opgemeten is mij onbekend, want ik heb geweigerd aan deze vorm van onderwijs mijn medewerking te verlenen. De Tweede Fase, alias het Studiehuis, deze door het ministerie van onderwijs eenzijdig doorgevoerde onderwijshervorming, is niets anders dan een flagrante vorm van contractbreuk!’

Elders in het boek noemt Van Gigch de onbetamelijke salarisingreep die in 1985 door de toenmalige minister van Onderwijs, Deetman, werd doorgevoerd en de ronduit krankzinnige beloningsverschillen die er sindsdien onder docenten bestaan en die bij twee collega’s met dezelfde onderwijsbevoegdheid, aan dezelfde school en in dezelfde sectie, even oud en met hetzelfde aantal uren, kunnen oplopen tot bruto 777 euro per maand. Men gelooft niet dat zoiets mogelijk is, maar het is gebeurd en toen na deze maatregel in onderwijsland geen algemene staking volgde, begreep het ministerie dat nu zo goed als alles mogelijk was, hetgeen nadien ook duchtig zou blijken.

Ik stond in de fietsenstalling en dacht: ‘Ik ga niet meer naar binnen.’ Ik keek naar de hoge ramen van lokaal 7, dat decennialang mijn vaste werkplek was geweest, ik liet mijn blik nog een etage hoger gaan, naar lokaal 16, waar ik bijna nooit kwam, en dacht aan de andere lokalen in het gebouw, waar ik zo lang en met zo veel plezier had gefunctioneerd. En ik besloot dat het gebouw zelf er niets aan kon doen en dat ik het niet zomaar in de steek laten kon. Sommige huizen of gebouwen leiden zo hun eigen leven, zijn veel meer dan een onderkomen alleen, of een stil decor voor menselijke bezigheden. Plaatsen waar voor altijd stemmen fluisteren in de trommelvliezen van het geheugen en geuren zweven in het reukcentrum der herinnering.

Ik zette mijn fiets weer op slot, liet mijn tas achter onder de snelbinders en betrad het gebouw voor de laatste maal. Het ging om een afscheid, een farewell. Het was laat in de middag, na het zevende uur en op de gangen was het stil. Ik deed mijn handen op mijn rug en wandelde met trage pas door mijn verleden. Ooit was ik hier begonnen met nog haar op mijn hoofd en een grote snor, ooit had hier nog de moeder van mijn kinderen lopen lachen, met de andere leerlingen van 6A, nu allen verdwenen ‘in de mist der mensen’, niet echt weg, maar wel uit het oog. Lokaal 23 bestond niet meer. Het was opgegaan in de nieuwe mediatheek, na de grote zolderbrand van enkele jaren her. Lokaal 23, waar ik het met een groepje van twaalf leerlingen eens heb gewaagd een ‘diepte-lezing’ te doen van de beroemdste twaalf regels uit de wereldliteratuur, een sombere overpeinzing van de door eerzucht geteisterde Macbeth, wanneer hij verneemt dat zijn vrouw uit wroeging over de lafhartige moord op de goede koning Duncan zelfmoord heeft gepleegd. Een boodschapper brengt het nieuws onverholen: ‘The queen, my lord, is dead.’ Waarop Macbeth mijmert:

She should have died hereafter;

There would have been a time for such a word.

To-morrow, and to-morrow, and to-morrow,

Creeps in this petty pace from day to day,

To the last syllable of recorded time;

And all our yesterdays have lighted fools

The way to dusty death. Out, out, brief candle!

Life’s but a walking shadow, a poor player

That struts and frets his hour upon the stage,

And then is heard no more; it is a tale

Told by an idiot, full of sound and fury,

Signifying nothing.

Een close-reading-_benadering, waarbij ik als een soort verkenner voorop ging en de leerlingen de sporen wees, die zij dan moesten interpreteren, zodat wij samen ons doel konden bereiken, een associatief spel tussen leraar en leerling, waar ieder zijn nutteloze gêne losliet en wij dwars door de woorden heen achter de betekenis van deze regels belandden, of, om het iets zakelijker te formuleren: met Shakespeares tekst als leidraad een intense literaire leeservaring hadden. Het was op een zaterdagmorgen in 1984, toen vanwege een of ander belangrijk hockeytoernooi een fiks aantal leerlingen afwezig was en ‘gewoon doorgaan met het boek’ niet zinvol leek. In 1984 werd er op het Stedelijk Gymnasium te Haarlem nog op zaterdagmorgen lesgegeven. _Those were the days. En zo bleek weer eens het nut van sport, want het werd mijn beste les ooit, die ik met een voltallige klas niet had kunnen scoren. Een beter pleidooi voor verkleining der klassen kan ik niet houden. Als men het rendement van een literatuurles in een score zou kunnen uitdrukken, dan werd het die morgen 12-0 voor Shakespeare. Good-bye, school, it was nice while it lasted.

Thuisgekomen schreef ik een briefje van drie woorden: Ik ben ziek, maar wat ik bedoelde was dat niet ik ziek was, maar het systeem. Gezegd moet worden dat de schoolleiding begrip kon opbrengen voor mijn positie – ik was vergrijsd in het vak en too much set in my ways, zoals de Engelsen het noemen – en ‘in goed overleg’ is toen besloten dat ik mijn ‘laatste jaren’ uitsluitend in de onderbouw zou lesgeven, waar ik weer de schoolmeester kon zijn die ik was. En waar niemand mij kon verbieden Macbeth in mijn eigen woorden ten tonele te voeren. Dat alles is nu voorbij. Per 1 augustus 2007 ben ik met vervroegd pensioen gegaan, fpu, zoals deze regeling heet en waarvan zo goed als iedere docent gretig gebruikmaakt. All’s well that ends well kan ik niet zeggen, hoogstens dat ik de dans nog redelijk ontsprongen ben en mijn schrijverschap nu eindelijk volledig vrij kan uitoefenen.

Ik ben ook nog leraar is de titel van een verhaal uit 1970, waarin ik een portret schets van mijzelf als beginnend docent. Twee jaar eerder, veertig jaar geleden inmiddels, had ik een aanstelling aanvaard als leraar Engels aan een scholengemeenschap te Amsterdam. Ik was toen 23 en diep doordrongen van mijn missie in onderwijsland. De Mammoetwet van de toenmalige minister van Onderwijs, Cals, was kort tevoren aangenomen, hetgeen voor de moderne talen betekende dat de vertalingen uit en in de vreemde taal waren afgeschaft en de zogeheten meerkeuze-examens hun intrede hadden gedaan. Ook het schoolonderzoek, een deel van het examen dat door de eigen docenten werd georganiseerd, deed toen zijn intrede. Het was een overgangstijd die langzaam zou stabiliseren. Wat niet stabiliseerde was mijn ontevredenheid op de school waar ik begonnen was. De naam scholengemeenschap suggereert een organisatie onder één administratief dak, waarbinnen het mogelijk is voor leerlingen om al naar gelang hun aanleg zonder veel moeite van schooltype te wisselen en zodoende een maximaal rendement uit hun aanleg te halen. In de praktijk echter bleek dat een dergelijke organisatie als theoriemodel wel aardig was opgezet, maar in de praktijk veel stroever werkte dan de bedoeling was. In feite was er op die school een klassenmaatschappij ontstaan, die tot een strenge segregatie aanleiding gaf. In Engeland, waar de klassenmaatschappij onuitroeibaar is, kijkt de upper class neer op de middle class en de middle class op de working class. Zo keek ook het vwo neer op het havo en het havo op het mavo, drie nieuwe schooltypes, die de oude hbs, mms en mulo vervingen. Van enig gemeenschapsgevoel was geen sprake en op een school met meer dan honderd docenten duren de vergaderingen lang. Ik heb het daar acht jaar volgehouden, hetgeen een twijfelachtige prestatie genoemd moet worden en ik weet nog dat ik daar, op het laatst, op mijn leerlingen na, niemand meer groette.

Maar ik had gedurende die periode een eerste optie en dat was afstuderen. Ik gaf les met een tweedegraads bevoegdheid, mo-a heette dat diploma, en ik studeerde in de avonduren voor de akte mo-b. Hoe ik dat toen heb volgehouden kan ik mij nu niet meer voorstellen. Overdag lesgeven, ’s avonds nakijken en voorbereiden en dan studeren voor een groot en moeilijk examen, dat gelukkig juist in die tijd, na een beleefd protest van de ‘avondstudenten’, voor een deel werd opgesplitst in tentamens. Maar zwaar bleef het. Waar een universitair student de tentamens Oud-Engels en Middel-Engels in een half jaar kon afronden en er daarna niet meer mee werd geconfronteerd, daar moest een student aan de Vrije Leergangen beide vakken vijf jaar volgen en afronden bij hem onbekende examinatoren in Leiden, Utrecht of Groningen. En zo begaf ik mij op een donkere decemberochtend in het jaar 1975 naar Groningen, om aldaar mijn twee laatste examens: Chaucer en Shakespeare, oftewel Middle-English en de Renaissance, met knikkende knieën te gaan doen.

Ik geloof niet in lotsbestemming, wel in eigen initiatief en toeval. En zo zocht ik op een stille middag in het voorjaar van 1976 het telefoonnummer van de afdeling onderwijs in de gemeente Haarlem op en informeerde naar eventuele vacatures Engels op eerstegraadsniveau. Drie dagen later was ik aangenomen op het Stedelijk Gymnasium aan het Prinsenhof.

In de jaren die volgden heb ik twaalf boeken geschreven en ik vraag mij af of ik het beter had kunnen doen. De overtuiging dat ik de goede keuzes heb gemaakt gaat in vlagen van twijfel verloren, maar de vraag of ik sterker en meer literair werk zou hebben geproduceerd als ik mij uitsluitend als schrijver had ontwikkeld en de schuldeisende medemens meer had durven trotseren, blijft in eendere vlagen van twijfel onbeantwoord.

Hoe dan ook, de slotzin van mijn afscheidsrede, uitgesproken begin juli van dit jaar, luidde: ‘Lieve vrienden, vijanden en overige aanwezigen, nu ga ik weg en dat wordt hoog tijd ook, het ga u allen, en daarmee mijn eigen lief- en leedschool, in de toekomst goed.’

Kort geleden werd oud-lerares en oud-staatssecretaris van Onderwijs, mevrouw Tineke Netelenbos, voor de tv-camera’s gevraagd hoe het nu toch allemaal zo ver heeft kunnen komen dat er een parlementaire enquête moet worden gehouden over de invoering in 1997 van het Studiehuis, de Tweede Fase, het ‘Nieuwe leren’, of ook wel het ‘Leren leren’ genoemd, en al die andere speelse namen voor de rampzalige onderwijshervormingen die mede door haar ongebreidelde dadendrang tot de huidige puinzooi in onderwijsland hebben geleid. Dat steunmuurloze Studiehuis van haar, dat nu in de derde fase weer moet worden afgebroken. Mevrouw Netelenbos antwoordde eerst guitig dat ze blij was eindelijk ook eens wat te mogen zeggen, zei toen wat, waarbij zij niet inging op het verwijt dat zij de Kamer destijds onvolledig of zelfs foutief over haar plannen had ingelicht en pareerde vervolgens de laatste lastige vraag met de zin: ‘Het gaat goed met ons onderwijs’, waarna ze met een vreemd vertrokken mond uit het beeld verdween. Ik schoot in de lach, want een rake gotspe is wel aan mij besteed.

De auteur is schrijver. Bij Contact verschenen de afgelopen jaren de roman Nestor (2002), die bekroond werd met de F. Bordewijkprijs, en De verhalen deel I (2003) en deel II (2004). In 2006 verscheen de roman De verering van Quirina T., die genomineerd werd voor de shortlist van de Librisprijs van dat jaar