Luuk van Middelaar over Europa

‘Het gaat in de eerste plaats om belangen’

Volgens filosoof en historicus Luuk van Middelaar, die deze week promoveert op zijn dissertatie De passage naar Europa, ontbeert Europa een gevoel van gezamenlijkheid. ‘Er zal toch zoiets als een Europese regering moeten komen, omdat we anders gemarginaliseerd worden.’

VAN HET POLITIEKE project dat ‘Europa’ heet kun je veel zeggen, maar niet dat het bij de Europeanen warme gevoelens oproept. Dat geldt niet alleen voor de doorsnee burger, maar ook voor veel intellectuelen. Goed, nimmer om sweeping statements verlegen zittende denkers als Alain Finkielkraut, Pascal Bruckner, Peter Sloterdijk en Hans Magnus Enzensberger hebben er wel eens een abstracte bespiegeling over geschreven, maar filosofische beschouwingen waarin het feitelijke proces van de Europese eenwording wordt geanalyseerd lees je toch zelden. Intellectuelen houden zich het liefst met intellectuelen bezig, en niet met banale onderwerpen als markten, besluitvormingsprocedures en bureaucratische processen.
Ook het droomdebuut van de filosoof en historicus Luuk van Middelaar (1973) ging over intellectuelen. In het alom geprezen Politicide: De moord op de politiek in de Franse filosofie (1999) beschreef hij hoe de toonaangevende Franse filosofen vanaf de jaren dertig bezweken voor een visie op politiek die ten diepste gewelddadig, antidemocratisch en totalitair was. Zijn dissertatie De passage naar Europa, waarop Van Middelaar op 13 mei is gepromoveerd, handelt echter over het tot stand komen van de Europese Unie, een onderwerp dat door intellectuelen zelden wordt beschouwd als spannend of sexy. Hoe zou dat zo komen?
Van Middelaar, die sinds vorige zomer een column over buitenlandse politiek in NRC Handelsblad heeft en in Brussel woont, lacht vriendelijk: ‘Mijn eerste boek was vooral een kritiek op de denkbeelden en houding van veel intellectuelen die blijk gaven van onbegrip voor de waarde van de democratie en volstrekt blind waren voor de ware aard van het communisme. Maar het leveren van kritiek is uiteindelijk toch onbevredigend. Politicide had weliswaar een slothoofdstuk waarin ook een alternatieve, meer bruikbare benadering van politiek werd geschetst, maar het boek speelde zich toch volledig af in de wereld van de boeken. Ik wilde meer contact hebben met de politieke werkelijkheid, met de dingen zoals ze zijn.’
Aanvankelijk dacht Van Middelaar aan een politiek-economisch onderwerp en wilde hij onderzoek doen naar de rol van pensioenfondsen in Europa. Begin 2001 had hij in Brussel een oriënterend gesprek met eurocommissaris Bolkestein, dat er uiteindelijk toe leidde dat hij van 2002 tot 2004 een van diens persoonlijke medewerkers werd. Zijn eerste werkdag viel samen met het begin van de Europese Conventie, die onder leiding van de voormalige Franse president Valéry Giscard d’Estaing het ontwerp voor de Europese grondwet opstelde.
Luuk van Middelaar: ‘Ze zeiden, ga jij daar maar heen, daar hebben wij geen tijd voor. Daar zat ik dan, te midden van dat gekakel. Aanwezig waren vertegenwoordigers van de nationale parlementen, van de nationale regeringen, en van de Europese Commissie en het Europarlement. En allemaal hadden ze hun eigen opvattingen over de vraag hoe de toekomst van Europa eruit moest zien. Bij een hoop mensen bestond het idee dat met behulp van die grondwet Europa opnieuw gesticht zou worden. Dat raakt natuurlijk heel sterk aan klassieke politiek-filosofische vragen als: wat is een staat, wat is gezag, hoe ontstaat een politieke orde? Voor mij was die Conventie een stoomcursus die duidelijk maakte welke denkbeelden en belangen er speelden. Ook was het een taalcursus, waarin ik ingewijd werd in de mandarijnentaal die in Brussel wordt gehanteerd. Het gevaar is natuurlijk dat je deel gaat uitmaken van die Brusselse binnenwereld.’
In De passage naar Europa onderscheidt Van Middelaar drie vertogen over Europa, drie verhalen over wat Europa nu eigenlijk is, of zou moeten zijn. Zo gaat het ene vertoog over het Europa van de staten, over de samenwerking tussen nationale staten. Daarnaast is er het verhaal over het Europa van de burgers, waarin bepaalde bevoegdheden van de afzonderlijke lidstaten zijn overgeheveld naar nieuwe Europese instituties. En tot slot is er nog het verhaal over het Europa van de kantoren, de Brusselse bureaucratie waarin gewerkt wordt aan praktische oplossingen voor concrete problemen. Wanneer werd het duidelijk dat deze verhalen, deze werelden met elkaar botsten?
‘De verschillen voel je zodra je met verschillende mensen gaat praten. Bij ambtenaren proef je de weerzin jegens de vertegenwoordigers van de nationale staten, die niet zouden begrijpen hoe het in Brussel werkt, terwijl de vertegenwoordigers van de afzonderlijke landen zich vaak vol ironie uitlaten over de europarlementariërs, die volgens hen lid zijn van een belachelijke, overbodige instelling. Dat is een veld van op elkaar botsende woorden en opvattingen, waar je zelf middenin staat. Pas toen ik uit Brussel weg was had ik voldoende intellectuele afstand om onderscheid te maken. Dat begon met heel simpele vragen. Bijvoorbeeld: welke woorden worden gebruikt voor wat er gebeurt? De Nederlandse regering heeft het heel lang over Europese “integratie” gehad, maar na het referendum van 2005 wordt er steeds gesproken over Europese “samenwerking”, terwijl de Fransen altijd de mond vol hebben van “constructie”. Het kiezen van een woord is het innemen van een politieke positie, aangezien het iets zegt over hoe je het proces beoordeelt. “Integratie” heeft de connotatie van samensmelten, een chemisch en breukloos proces. Bij “samenwerking” ligt de nadruk op het zelfstandig blijven van de samenstellende lidstaten. Dat is nogal een verschil. Het ook in de Brusselse binnenwereld populaire “constructie” gaat sterk uit van de maakbaarheid van de geschiedenis. Het Europa dat gebouwd wordt op een braakliggend terrein.’
Gaandeweg werd Van Middelaar duidelijk wat hem interesseerde: de wijze waarop Europese politiek vorm kreeg, hoe in de ene periode het ene verhaal domineerde over het andere. Maar veel tijd om aan zijn proefschrift te werken had hij voorlopig niet, aangezien hij na zijn vertrek uit Brussel in 2004 twee jaar lang werkte als politiek adviseur van Jozias van Aartsen, de toenmalige fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer. Na diens vertrek hield ook Van Middelaar het voor gezien. Dankzij een aanstelling van het Duitsland Instituut kon hij twee jaar lang aan zijn dissertatie werken.

HOEWEL Van Middelaar zowel historische als filosofische vragen stelt, wijkt zijn originele en fraai geschreven dissertatie sterk af van de meeste historische en filosofische boeken. Hij geeft geen eenduidig chronologisch verhaal, maar zet zich tegelijkertijd ook af tegen de neiging van veel filosofen om verschijnselen te bevriezen, waarna ze kunnen worden geanalyseerd. Hij vergelijkt dat met een opgezette haas in een vitrine, waarvan je precies kunt zien hoe hij in elkaar zit, maar waarbij je nog steeds geen idee hebt hoe het beest zijn eten bij elkaar scharrelde, zich voortplantte of door het bos huppelde. Anders dan in veel andere politiek-filosofische boeken speelt in dat van Van Middelaar de tijd een belangrijke rol.
‘Hoewel dit boek inderdaad afwijkt van veel andere politiek-filosofische boeken is het nadrukkelijk bedoeld als onderzoek naar de vraag wat politiek is. Door een onderwerp te nemen waar ik inmiddels veel van afweet is het mogelijk fundamentele politieke vragen te stellen. Juist omdat de Europese politiek zo onaf en in beweging is, en hierdoor ook vrij ongrijpbaar, leent deze zich voor essentiële vragen.
Wat vaak vergeten wordt is dat politiek iets is wat zich afspeelt in de tijd. Dat heb ik misschien ook wel geleerd door mijn werk in Brussel en Den Haag. Hierdoor kreeg ik oog voor de discrepantie tussen academische geschriften over politiek en de feitelijke werkelijkheid. Als ik in mijn Haagse jaren naar het Binnenhof fietste wist ik niet wat ik die dag zou gaan doen. Dat hing af van wat er in de krant stond, wat de gebeurtenis van de dag was. Soms waren daar heel heftige bij, zoals de moord op Van Gogh, maar vaak ook kleine binnenbrandjes die geblust moest worden.
Academici hebben dikwijls de neiging om alles wat tot het hart van de politiek behoort, namelijk dat er dingen gebeuren waarop gereageerd moet worden, tot bijzaak te verklaren. In sommige politicologische studies wordt dat omschreven als de “exogene factor”. “Help, er gebeurt iets!” Maar daar gaat het juist om! Politiek bestaat alleen maar omdat de wereld niet stilstaat en de geschiedenis voortrolt. Mensen en samenlevingen proberen daar grip op te krijgen. Dat ervaar je sterker als je daarbinnen hebt gewerkt.
Politiek is het bedwingen van de toekomst, van het ongewisse dat op ons af komt. Machiavelli had daarvoor het beeld van de rivier die soms buiten zijn oevers treedt en alles wegspoelt. Maar soms is het tijdens laag water wel mogelijk ergens een dijk aan te leggen, zodat de zaak de volgende keer beter beheerst kan worden. Grote politieke filosofen als Machiavelli, Rousseau, Locke en Tocqueville waren ook bezig met vragen van hun eigen tijd, en niet met allerlei abstracte kwesties. Bovendien hadden ook zij, met uitzondering van Rousseau, ervaring met het politieke handwerk. Uiteraard heb ik groot ontzag voor hun werk, maar tegelijkertijd wil ik dat soort denken levend houden. Het kan ons namelijk helpen om vragen scherp te stellen.’
Parallel aan de verschillende vertogen over Europa onderscheidt Van Middelaar verschillende sferen van Europese politiek. Er is de buitenste sfeer, waarin de verschillende nationale staten puur hun eigen belang najagen, in oorlog en vrede, met grensconflicten, zoals dat al eeuwen gaat, en er is de binnenste sfeer van de Europese instituties. Die binnenwereld heeft de neiging allerlei bevoegdheden op te eisen, terwijl de buitensfeer huiverig is om delen van de soevereiniteit af te staan. Het ontstaan van een tussensfeer van lidstaten vergelijkt Van Middelaar met de middeleeuwse uitvinding van het vagevuur, dat een brug vormde tussen de strikt gescheiden domeinen van de hel en de hemel.
‘Als er in de buitenwereld iets gebeurt, wil Europa daar als gezamenlijkheid op kunnen reageren. Maar de Europese binnensfeer is daar niet geschikt voor. Een recent voorbeeld was de kredietcrisis. Er kwam veel kritiek op het feit dat de Europese Commissie geen initiatief nam, maar die kan dat in zo’n noodsituatie gewoon niet. Dan treedt de werkelijkheid buiten de kaders van een verdragstekst, van de afgesproken economische regels, en is iets anders nodig. Daarom riep Sarkozy, die voorzitter van de Europese Raad van regeringsleiders was, zijn collega’s bijeen. Dat deed hij ook tijdens de oorlog tussen Georgië en Rusland. Die Europese Raad behoort typisch tot de tussensfeer. Het gaat hier om nationale politici in een Europese rol. Dat vinden veel mensen moeilijk om te begrijpen, omdat de spelers hier altijd twee petten op hebben. Ze spreken namens Europa én namens hun eigen land. Gezamenlijk overleggen ze en spreken dan namens hun land, en nadat ze een besluit hebben genomen, gaan ze naar huis en spreken tegen hun eigen publiek namens Europa, al gebeurt het natuurlijk dikwijls dat ze helemaal niet tegen hun eigen publiek spreken.’

DAT ‘EUROPA’ zich bij het Europese publiek niet kan verheugen in een grote populariteit komt grotendeels voort uit het feit dat de politici er niet in zijn geslaagd een brug te slaan naar dat publiek. ‘Geen enkele politieke orde kan zonder publiek. Er moet een zekere verbinding zijn tussen de politiek en de mensen. Dat geldt zelfs voor ondemocratische regimes, vandaar dat daar meestal nepverkiezingen worden gehouden of massademonstraties worden georganiseerd. In Europa is dat lange tijd veronachtzaamd. Tegenwoordig wordt daar wel voorzichtig aan gewerkt, en op dit punt onderscheid ik drie strategieën om dat publiek te vinden. Ten eerste is er wat ik met enige ironie de Duitse benadering heb genoemd, omdat er elementen in doorklinken uit het nationalisme zoals dat in de Duitse Romantiek ontstond. Deze strategie richt zich heel sterk op een gezamenlijke Europese identiteit. Als je kijkt naar de discussies over een Europees volkslied of naar het totstandkomen van de eurobiljetten zie je hoe moeizaam dat proces verloopt. Ook de Europese vlag is een mooi voorbeeld. Officieel is het namelijk geen vlag maar een logo!
Daarnaast is er nog de Romeinse strategie, ontleend aan het cliëntelisme in het oude Rome. Hier gaat het primair om wat je eraan hebt, welke voordelen Europa je oplevert, welke rechten de Europese burger heeft. Nadat de identiteitsstrategie in het slop was geraakt heeft men zich hierop teruggetrokken. Zelf zie ik nog het meest in de zogenaamde Griekse strategie, die verwijst naar de Atheense democratie. Hierbij gaat het om het creëren van een “wij”-gevoel in de zin van: Europa raakt ons, wij hebben er een stem in. Dat “wij”-gevoel is niet ontstaan, maar je zou er wel iets meer van kunnen maken door de nationale parlementen meer Europa in te trekken. Tenslotte gaat het hier toch wel om het meest wezenlijke. Als we grip willen krijgen op onze gezamenlijke toekomst, dan moeten we wel bereid zijn ons met Europa te bemoeien.’
Door de distantie en aversie van het publiek is het voor de Europese politici echter moeilijk om de volgende stap te zetten, en te komen tot een bestel waarin echt ‘namens’ Europa kan worden gesproken en opgetreden. ‘En dat terwijl de situatie er wel toe dwingt. Er zal toch zoiets als een Europese regering moeten komen, omdat we anders gemarginaliseerd worden. Als Merkel, Sarkozy en anderen echt namens Europa kunnen spreken, dus als vertegenwoordigers van vijfhonderd miljoen mensen en een sterke economie, dan vinden ze in Washington, Peking en Moskou veel meer gehoor. Maar ze willen niet de prijs betalen die hierbij hoort, namelijk een zekere vervreemding van het nationale publiek waaraan ze hun positie te danken hebben. Dat is trouwens een teken dat de Europese politiek democratisch verankerd is en niet heel veel verder kan springen dan de bevolkingen toestaan.
De druk op Europa om met een eigen buitenlandse politiek te komen, om als gezamenlijkheid te reageren op gebeurtenissen, zal alleen maar toenemen. De ingrijpende beslissingen die met betrekking tot de toekomst van de EU genomen moeten worden, moeten ook niet te veel worden gezien vanuit het perspectief van mooie idealen. Het gaat in de eerste plaats om belangen. Neem de discussie over de toetreding van Turkije, daarin wordt vooral gekeken door het prisma van de religie. Maar het zou moeten gaan om de vraag wat het belang van Europa is. Als je kijkt naar zaken als energie of strategische ligging, wordt het een heel ander verhaal.’

Luuk van Middelaar, De passage naar Europa: Geschiedenis van een begin. Historische Uitgeverij, 532 blz., € 35,-