Het gaat nergens heen filmlezen

Sommige films hebben geen thema, of zoveel thema’s als mensen die ernaar kijken. Als het leven zelf. ‘Rendez-vous de Paris’ van Eric Rohmer bijvoorbeeld.
IN 1954 BEZOCHTEN twee jonge Franse filmers, Eric Rohmer en Francois Truffaut, de Italiaanse regisseur Roberto Rossellini. Twaalf films had Rossellini toen op zijn naam staan; het Franse tweetal moest nog beginnen. Maar ze hadden al ideeen over film.

Zij: ‘Om op uw wijze van filmen terug te komen; wat verwarring heeft gewekt bij critici, is misschien het ontbreken van filmtrucs. U geeft belangrijke momenten geen nadruk, u blijft niet alleen objectief, je krijgt ook de indruk dat alles evenveel nadruk krijgt.’
Hij: 'Inderdaad, ik probeer onbewogen te blijven. Het verbazingwekkende, buitengewone, ontroerende in de mens is juist dat grootse daden of gebeurtenissen zich op dezelfde wijze met dezelfde terughoudendheid voordoen als de onbelangrijke dagelijkse gebeurtenissen. Met dezelfde terughoudendheid probeer ik beide weer te geven.’
Bij mij thuis zwerft al jaren een kopietje van dit interview rond. Naast de geciteerde passage loopt een rode streep. Die staat daar niet voor niets, ik heb hem daar getrokken. Als de passage nog niet goed tot u doorgedrongen is, leest u hem dan eens rustig over. Alstublieft. Die ene keer extra staat in geen verhouding tot het aantal malen dat ik hem al heb overgelezen. Hoe de dingen zich in de werkelijkheid voordoen en welke vormen ze in herinneringen en verhalen aannemen, die wisselwerking, die vertaalslag blijft mij bezighouden. Wat blijft er staan van de dingen nadat een filmer zich erover heeft gebogen, een schrijver, fotograaf? Wat is de bril waardoor wij de realiteit ervaren? Zit daar nog rek in?
Daarbuiten, in die echtheid, is alleen maar ruimte. Niets draagt uit zichzelf betekenis mee, wij geven het. Niets kent bedoeling, reden, wil. Als ik de stekker van de koelkast uit het stopcontact trek, besluiten de ijsblokjes in het vriesvak dan om te smelten, of overkomt het ze? En ik, wat overkomt mij? Ik doe alles met reden, niets gaat vanzelf, ik draag verantwoordelijkheid. U ook, wij dragen allemaal verantwoordelijkheid. Nog even en ik ben de generatie die het aanzien van de wereld op zijn geweten heeft. En buiten stroomt het maar uit alle gaten, alle kanten op, vormloos, betekenisloos. Overal waar ik grijp, waar ik roep dat het anders moet, klinkt hoongelach. Waarom mag het lege patatbakje niet op straat geworpen? Sloof je niet uit, neem de wereld niet op je schouders.
ZES JAAR NA HET interview met Rossellini maakt Eric Rohmer zijn eerste film. Ik heb hem niet gezien. Hoewel ik mezelf herken in de ideeen van Rosselini en zijn jeugdige volgelingen, beland ik toch iedere keer weer in bioscoopzalen waar Lion Kings worden gedraaid, Robocops en Schindlers Lijsten. De bioscoop vertegenwoordigt een wereld die de mijne niet is. En als het dan toch moet - en soms moet het - dan maar naar iets spannends.
Maar nu moest er iets worden geschreven. Gisteren daarom voor het eerst naar een film van Eric Rohmer, zijn laatste, de twintigste. Een drieluik geheten Rendez-vous de Paris. Tussen de luiken zingt een stel iets Fransigs op straat, accordeon erbij. Tegen de achtergrond van Parijs, het Parijs van de parken en de mooie meisjes, het Parijs dat niet bestaat, en toch heeft Rohmer het gevonden. Volgens de leer van Rossellini zou een film geen thema moeten hebben, of zoveel thema’s als mensen die ernaar kijken. Ik kan daarom niets zeggen over wat de anderen in de zaal hebben gezien, maar zelf zag ik drie korte filmpjes over de slangenkuil van de liefde. Dat zegt waarschijnlijk meer over mij dan over de film, wat aanvankelijk een beangstigende gedachte is, maar later juist een opluchting: de plank kan nooit meer misgeslagen worden. Ik zeg wat ik zag. Wat was dat dan?
Een ietwat oudere jongeman met een meisje aan de wandel. Hij slaat een arm om haar heen en leunt voorover om haar te zoenen. Zij draait haar hoofd weg.
Zij:'Ik hou er niet van in het openbaar omhelsd te worden.’
Hij: 'En daarnet aan de Seine dan?’
Zij: 'Maar dat was aan de Seine.’
Krijgt die arme rivier de schuld. De man haalt zijn schouders niet op, hij is een doetje, hij zegt niet dat ze het dak op kan met haar Seine. Lichtelijk gepikeerd blijft hij naast haar lopen. In een park zien ze een paar stoelen staan. Van die Franse, zogenaamd landelijke, stoelen. Het stel neemt plaats, hij schuift zijn stoel naar haar toe. Na dertig seconden:
Zij: 'Ik voel me hier niet op mijn gemak.’
Hij: 'En je zei: op deze stoel wil ik zitten?’
Zij: 'Ik verkoos alleen maar deze stoel boven de andere.’
Een vrouw op inconsequent gedrag wijzen, is als plassen tegen de wind in.
Dan komen we erachter dat de vrouw in kwestie getrouwd is.
Zij: 'Ik hield vroeger meer van hem dan nu van jou. Ik heb tijd nodig. En als jij nu ook een vriendin neemt?’
Hij: 'Jou?’
De sukkel. En het is allemaal gefilmd vanaf de schouder, voorbijgangers die toevallig in beeld komen, draaien zich om en kijken regelrecht de lens in. Wat zijn die daar nou aan het filmen? De dialogen komen niet levensecht over, eerder houterig. En toch zit ik op het puntje van mijn stoel en mijn handen beginnen te jeuken.
WAT IK NOG meer zag. Laatste filmpje van het drieluik. Een andere jongeman loopt achter een ander meisje aan. De jongen slordig gekleed, studentikoos, als het maar zit. Het meisje, in een dun zomers jurkje, zet flink de pas erin, de jurk fladdert achter haar aan. Zij voelt ook wel dat die jongen iets van haar wil. Ze steekt de straat over, de jongen ook. Het tweetal wordt op hun beurt weer achtervolgd door een camera, en in die camera zitten wij. De opnamen zijn zonder poespas gemaakt, geen rijders, geen lampen. Brommers en scooters pruttelen voorbij, de bestuurders zitten dwars op hun zadels, zoals Fransen zijn, altijd bereid tot een praatje. Ze draaien hun behelmde hoofden om en kijken naar het cameraploegje dat de achtervolging filmt.
Hoe gaat dat aflopen, hij moet het meisje straks aanspreken. Dat wordt een huzarenstukje, hij bevindt zich al langer dan toelaatbaar in haar kielzog. Hoe te beginnen? Die eerste zinnen, een ramp. Goed opletten, voor je het weet zijn ze voorbij. Ik zit klaar met mijn pen. Eindelijk de opening.
Hij: 'U denkt zeker dat ik u achtervolg?’
Zij: 'O nee, ik denk helemaal niet dat u mij achtervolgt. Waarom zou u?’
Hij: 'Dan vergist u zich, ik achtervolg u wel degelijk. Het zit namelijk zo…’
Zij: 'Doet u geen moeite, over twintig minuten vertrek ik met mijn man naar Geneve.’
Die echtgenoot is twintig minuten later waarschijnlijk op zijn eentje naar Geneve vertrokken, want zijn vrouw is dan nog steeds in gezelschap van de jongen. Ze keuvelen gezellig over schoonheid, leven en kunst. Op het atelier van de jongen, de jongen is kunstschilder, een gevoelige.
Hij: 'Een vrouw kocht van mij een schilderij. Omdat die zo goed bij haar sofa paste. Ik werd boos. Maar dat is lang geleden. Ik schilder om me te laven aan een bepaald soort licht.’
Zij: 'Wat goed is: dat u nog zoekt. Maar ik hou te veel van schilderkunst om me te geven aan een schilder die nog zoekt.’
En ondertussen maar glimlachen, zij, en de rug rechten en zwanenhalzen en het kopje draaien. En hij belangwekkende opmerkingen over kunst maken en complimenten tussendoor.
Ik weet inmiddels dat je een vrouw niet moet imponeren door haar te imponeren. Of het slaat aan, en dan is ze de verkeerde, of het is de goede en dan stapt ze op. Het laatste overkomt de schilder.
EN WAT LEREN we hier nou van? Dat van dat imponeren heb ik zelf bedacht, of komt dat van Rohmer? Het zijn vreemde filmpjes, truttig en ergerlijk, en zo koket Frans dat je zin krijgt iemand een dreun te verkopen. Maar toch, als ik naar Starwars kijk, of naar een Tarantino, waarin zoveel dreunen worden verkocht, dan valt er niets te bedenken, hoogstens iets obligaats over de geweldspiraal en waar dat allemaal heen moet. Er zit een raadselachtige openheid in Rohmers film, een openheid van vorm, er gebeurt van alles, en het gaat nergens heen. Zoals ook dit nergens heengaat. Behalve naar een laatste uitspraak van Rossellini.
'Ik wil niets onderwijzen, maar alleen dingen laten zien. Ik ben niets meer dan een vakman, een tussenpersoon. Waarom moet ik interpreteren? Het gaat erom of men vertrouwen in de mens heeft of niet. Beide standpunten zijn misschien evenveel waard. Mijn uitgangspunt is een volledig vertrouwen in de mensen. Als je dat vertrouwen hebt hoef je geen boodschap over te dragen.’