Interview Bas Heijne over cultuur en rancune in een veranderende samenleving

Het gaat niet om kunst, het is een sociale strijd

Waar voorheen een kleine politieke, bestuurlijke of economische groep de dienst uitmaakte, lijkt nu de media-elite het voor het zeggen te hebben. ‘Je moet permanent zichtbaar zijn als je je als elite wilt legitimeren.’

Medium rc20110215basheijne02

Bas Heijne groeide op in Zwanenburg, een dorp in de Haarlemmermeerpolder tussen Amsterdam en Haarlem. Een paar duizend inwoners, een oude, gereformeerde kern, een paar nieuwbouwwijken, goed onderhouden plantsoenen en sloten. ‘Een oase van heerlijke onbeduidendheid in een land dat, zo werd telkens verklaard, nagenoeg “af” was.’ Vader en moeder Heijne waren, en zijn dat nog steeds, gelukkig getrouwd. Met zijn oudere zus kon hij goed opschieten en op school haalde hij hoge cijfers. Heijne beschrijft het in zijn veelgeprezen essay Onredelijkheid (2007). Uit een vaag verlangen iets met de wereld buiten Zwanenburg, buiten Nederland, te doen, legde de kleine Bas 'zijn documentatiecentrum’ aan: hij knipte plaatjes uit reisbrochures, encyclopedieën, atlassen die hij van school stal en tijdschriften - foto’s van bekendheden, Marilyn Monroe, Johan Cruijff, David Bowie, Willem Aantjes - en borg die op in plastic mapjes, voorzien van etiketten met opschrift, en keek er vervolgens nooit meer naar. 'De wereld waar ik zo hevig naar verlangde (…) kwam niet dichterbij doordat ik hem uitknipte en inplakte. Hij leek steeds verder verwijderd!’
Over de geborgenheid van zijn Zwanenburgse jeugd, begin jaren zeventig, haalt Heijne Onwetendheid van Milan Kundera aan: 'De Scandinaviërs, de Nederlanders en de Engelsen genieten het voorrecht dat ze er na 1945 geen enkel belangrijk jaartal bij hebben gekregen, waardoor ze een heerlijk onbeduidende halve eeuw hebben mogen beleven.’

Met terugwerkende kracht kun je drie idealen in het Nederland van die tijd ontwaren, schrijft Heijne. Allereerst de afrekening met een vastomlijnde groepsidentiteit; een maatschappij moest een smeltkroes zijn, multicultureel, en wie zich daartegen verzette noemde je al snel 'fascist’ of 'racist’. Daarnaast de afrekening met het nationalisme: geen land mocht zich superieur aan een ander wanen, Nederland zou opgaan in een verenigd Europa waarin nationale karaktertrekken ondergeschikt werden aan de grootste, internationale gemene deler. Tot slot de gewenste erosie van de godsdienst; de tijd van de verzuiling was voorbij, 'het individu zou zich ontworstelen aan de benepen groepsgeest (…) en de vrijheid en totale ongebondenheid tegemoet lopen’.

Conclusie: 'Kijk je terug, verbind je die drie dragende idealen uit mijn jeugd met elkaar, dan zie je dat ze alle drie teruggaan op een bijna ideologische afkeer van de menselijke behoefte aan identiteit.’
In de rest van het essay beschrijft Heijne de manier waarop deze drie idealen het afgelopen decennium zijn geïmplodeerd. Meer dan ooit is de burger op zoek naar een identiteit, of groepsidentiteit. De woorden 'multiculturele smeltkroes’ worden alleen nog laatdunkend gebruikt, Europa is door de burger uitgespuwd, en als reactie op de versterkte aanwezigheid van de islam en allochtonen grijpen mensen steeds meer terug, bewust of onbewust, op nationale, traditionele uitingen - en dat schreef Heijne nog voordat Boer zoekt vrouw alle records brak en Ik hou van Holland het zaterdagavond-kijkcijferkanon van RTL4 werd.

Alle heftige en alle sluimerende ontwikkelingen die de Nederlandse mentaliteit heeft ondergaan ten spijt - met Bas Heijne is het wel goed gekomen. 51 is hij. Zijn 'documentatiecentrum’ is nu zijn met boekenkasten behangen huis, aan een van de mooiste stukjes van de Amsterdamse grachtengordel. Zijn vaste onderwerp, Nederland, heeft er tenminste twee belangrijke jaartallen bij gekregen - 2002: Fortuyn; 2004: Van Gogh - die Heijne vanaf zijn prominente zaterdagcolumn in NRC Handelsblad heeft becommentarieerd. Hij draagt een spijkerbroek, gympies, een simpel zwart shirt en praat makkelijk - veel 'denk ik’s en 'volgens mij’s: hij heeft een visie, maar is zeker geen dominee. Zijn nieuwste boek, Harde liefde, heeft een duidelijke ondertitel: Nederland op zoek naar zichzelf.
De elite is tussen twee vuren beland in het identiteitsvraagstuk dat Nederland nu meemaakt, zegt Heijne. Aan de ene kant wordt de elite aangevallen door populistische partijen, die in hun 'wij-zij’-sjabloondenken de elite lijnrecht tegenover 'gewone hardwerkende’ Nederlanders plaatsen. Aan de andere kant mist de elite de innerlijke overtuiging om een concreet antwoord te geven op wat de Nederlandse identiteit dan wel zou moeten karakteriseren.

Heijne: 'Laten we vooropstellen dat je verschillende soorten elites hebt in Nederland, bestuurlijke, politieke, multiculturele en culturele elites die allemaal verschillende vormen hebben. Er zijn media-elites en Joop van den Ende-rode-loper-elites. Wat ze gemeen hebben is, denk ik, dat ze relatief open en informeel zijn. Wanneer je je ervoor inspant kun je er, ongeacht je achtergrond, gemakkelijk toe gaan behoren. Juist in die openheid zit iets merkwaardigs: omdat de elite geen onvervreemdbare eigenschappen heeft, moet je op een andere manier laten zien dat je erbij hoort - door bepaalde mores te hanteren, op een bepaalde manier te praten, te denken, te redeneren. Dat is de paradox: de openheid van de elite werkt conformisme in de hand, het is veel strikter dan de ongedwongen sfeer doet vermoeden. Ian Buruma beschrijft dat ook scherp in Murder in Amsterdam, zijn boek over de Nederlandse maatschappij rond de moord op Theo van Gogh: omdat er geen nadrukkelijke, zichtbare elite is, zullen mensen die er niet bij horen niet snappen waarom ze er niet bij horen. En mensen die zich er wél toe rekenen, worden constant geplaagd door onzekerheid of ze er nog steeds bij horen.’

Maakt die openheid dan uiteindelijk kwetsbaar?
'Het goede is dat in onze geëgaliseerde samenleving mensen op eliteplekken terecht kunnen komen die dat in een conservatievere samenleving nooit zouden kunnen. Feit is wel dat we een periode achter de rug hebben waarin er door de elite van het middenkader, bijvoorbeeld de top van de woningcorporaties, half crimineel gedrag is vertoond met gemeenschapsgeld. Noem het een “omhooggevallen elite”, en volgens mij is dat een gevolg van die openheid ervan. Als je het pluche niet gewend bent, dan blijf je ook maar met je hand erover strijken en denk je: God, wat voelt dat lekker! Ik kan het bijna niet geloven! Dat is in zekere mate menselijk, begrijpbaar gedrag. Maar het heeft er ook voor gezorgd dat elites kwetsbaar zijn geworden, en dat er bijna wekelijks een nieuwe zaak was waar partijen als de PVV op konden schieten. Wanneer Hero Brinkman roept dat de Provinciale-Statenleden geen auto met chauffeur meer mogen krijgen, dan is dat propaganda. Het is niet zo dat de elite, of elitegedrag, ermee verdwijnt. Je weet dat bestuurders onder elkaar altijd een eigen taaltje zullen uitvinden waarmee ze communiceren, en je weet ook dat niet al hun beslissingen in het openbaar, op de bühne, zullen worden genomen. Als je denkt dat je de menselijke eigenschap van het genieten van de eigen macht kunt afschaffen, dan heb je iets niet helemaal begrepen.’

Als dat de interne problematiek van de elite is, wat is dan de externe?
'Dat is niet alleen Wilders. Nederland heeft al veertig, vijftig jaar een anti-elitaire maatschappij, daar heb ik zelf eind jaren zeventig nog een staartje van meegekregen. Toen kwam de kunsthaat van alternatief links en liep men te hoop tegen het Holland Festival; dat was geen échte kunst, dat was namelijk de Chileense straatband. Dat was de echte kunst! Sinds die tijd is de maatschappij alleen maar verder gedemocratiseerd en geëgaliseerd. Het lijkt alsof de samenleving niet meer verticaal gevormd is, trapsgewijs, maar horizontaal. Iedereen is gelijk, met als gevolg dat machtsposities niet langer als een gegeven worden ervaren maar ter discussie staan. De rechterlijke macht, de journalistiek, de kunsten, de monarchie, al deze instituten moeten zich leren verhouden tot een maatschappij waarin interactie met het volk, openheid, participatie, extreem belangrijk worden gevonden.’

Je moet permanent contact maken met 'het volk’.
'Je moet permanent zichtbaar zijn. Dat is de belangrijkste voorwaarde wanneer je je als elite wilt legitimeren. Het proces tegen Wilders is daar een duidelijk voorbeeld van. De rechters ontlenen hun legitimiteit juist aan hun onzichtbaarheid, zij vertegenwoordigen de wet, en niet zichzelf. Je ziet dat die houding het domweg aflegt tegen Wilders en zijn advocaat Moszkowicz. Dat zijn bovenal mediafiguren, die moeiteloos de rechtbank afschilderen als een stelletje sukkels. Wilders noemt het een showproces, maar het showelement is hijzelf.
Een ander voorbeeld, in De wereld draait door, een tijdje terug. NRC Handelsblad-criticus Arnold Heumakers ging in gesprek met Herman Koch over een kritisch essay dat Heumakers over Kochs roman Het diner had geschreven. Het was bijzonder dat Koch zo met zijn criticus in gesprek ging, en Heumakers was heel respectvol. Maar Hugo Borst, als tafelheer, moest Heumakers niet en ging hem continu “meneer de professor” noemen, om hem weg te zetten als wereldvreemde academicus. Hij etaleerde het machtsvertoon van iemand die iedere dag op televisie is.’

De eerste vraag van Matthijs van Nieuwkerk was, als ik het me goed herinner: 'Meneer Heumakers, honderdduizend mensen vonden Het diner een leuk boek. Wanneer dacht u: laat ik dat feestje 'ns voor ze verpesten?’
'Als je op zo'n moment de vraag stelt: “Wie hier is de elite?” is het antwoord veelzeggend. Heumakers, criticus, staat hoog in de culturele, intellectuele elite. Maar op het moment dat hij zich bij DWDD begeeft telt dat niet, hij is bij het massapubliek te onbekend. Daar, in de tv-context, heerst de media-elite, en daar regeert iemand als Hugo Borst. Zijn zichtbaarheid geeft hem status.’

Er heeft een verschuiving plaatsgevonden tussen de klassieke en de nieuwe elite?
'Volgens mij functioneerde Pim Fortuyn als een scharnierpunt. Tot de klassieke, intellectuele, of bestuurlijke elite heeft hij nooit behoord - en hij wilde zo graag. Hij was een voorbeeld van iemand die zich niet aan die informele, geconformeerde eigenschappen van de culturele elite wist aan te passen. Maar plotseling vond hij zijn moment en groeide hij boven zichzelf uit. Hij zag dat de populaire cultuur en media veel meer macht hadden dan werd verondersteld. In een interview zei zijn vriend Harry Mens iets heel opvallends: “De tijd is gekomen dat we beseffen dat ook rechtse mensen meebetalen aan lantaarnpalen.”

Mens bedoelde, denk ik, niet alleen rechtse mensen, maar mensen zoals hij: de welvarende middenklasse, die niet bij welke elite dan ook hoorde. Wat zo treffend was, is dat in elke revolutie - of we moeten het “revolte” noemen, het is nog maar de vraag of het daadwerkelijk een revolutie is - een moment komt waarop mensen zich bewust worden van hun eigen macht. Op dit moment zie je heel duidelijk dat de nieuw verworven macht wordt toegepast, en de kunstelite is de kop van jut.’

Waarom juist de kunsten?
'Onverbloemde rancune. Kunst is moeilijk, je moet het leren begrijpen. Veel mensen hebben het gevoel dat de elite kunst gebruikt om te laten zien dat ze slimmer, rijker, beter is dan zij. Het is Bourdieu: mensen laten door hun culturele smaak zien tot welke klasse ze behoren. Deze aanval op de kunstelite gaat niet om kunst, het is een sociale strijd.’

De politiek heeft zich snel weten aan te passen aan het primaat van de media-elite. Waarom lukt dat de culturele elite niet?
'Ik denk dat men binnen de kunstwereld de geloofsartikelen van het belang van kunst zo vanzelfsprekend is gaan vinden dat ze een soort dogma’s werden. Niemand toetste ze nog aan de veranderende samenleving. Dat is pijnlijk: tornen aan de macht van de kunsten was heiligschennis, terwijl het al lang duidelijk was dat ministers bij de première van Joop van den Ende zaten en niet in het Muziekgebouw. Al onder Rick van der Ploeg werd musea op het hart gedrukt meer met particuliere financiering te doen en meer vanuit het publiek te gaan denken.
Je kunt een parallel trekken met de doodstraf. Ooit hebben we na een heel lang debat binnen het humanisme de doodstraf afgeschaft en sindsdien is die afschaffing een gegeven. Eens in de zoveel tijd staat er dan iemand op die zich afvraagt of hij niet weer eens moet worden ingevoerd - LPF'er Nawijn was de laatste die dat deed, meen ik - en dat wordt dan weggewuifd. “Die discussie hebben we al gevoerd, en dat gaan we niet nog eens opnieuw doen.” Daarmee overtuig je voorstanders van de doodstraf niet; je snoert ze alleen de mond.
Een jaar of zes, zeven geleden was ik indirect betrokken bij de bundel Kunst in crisis, onder redactie van Rutger Wolfson, waarin een aantal critici en bestuurders zich zorgen maakte over de afnemende legitimiteit van kunst in de maatschappij. Uit de kunstwereld, vooral van kunstenaars zelf, kwamen toen erg veel negatieve reacties. “O, moeten we dan skateboards in het museum zetten?” Of we kregen het verwijt dat we de kunst engagement opdrongen. “Ja hoor, de kunst moet weer eens wat!” En: “Kunstenaars weten heel goed waar ze mee bezig zijn.”
Dat geloof ik graag, maar dan moeten zij, of anders de museumdirecteuren of curatoren, dat duidelijk kunnen uitleggen. De realiteit is dat je vandaag de politici die zo rancuneus over de kunstwereld spreken niet zomaar de mond snoert. Je zult het gesprek met ze aan moeten gaan en dan moet je het onderwerp moreel invoelbaar maken.’

Hoe doe je dat?
'Allereerst moet je de mythes doorprikken die Wilders verkondigt, dat kunstenaars maar subsidie verslindende monstertjes zijn. Dat is onzin. Een bekende actrice als Halina Reijn heeft een laag inkomen, een balletdanser of een vioolspeler verdient nog minder. Ze leven op puur idealisme.
Daarnaast moet je in het gesprek de morele dilemma’s invoelbaar maken. De PVV, en ook VVD-staatssecretaris Halbe Zijlstra, roept dat het volk bepaalt wat de belangrijke kunst is, niet de elite. Dat wordt al veel langer geroepen. Jaren terug was ik in debat met Margot Kraneveld, die toen de cultuurportefeuille van de LPF beheerde, en zij hield toen al een betoog dat als iedereen van Frans Bauer houdt, Frans Bauer voorrang moet hebben bij het ontvangen van subsidie. Waarop ik haar vroeg of zij liever had dat haar kinderen op school onderricht zouden krijgen in het werk van Frans Bauer dan in het werk van Vincent van Gogh. Natuurlijk koos ook zij voor Van Gogh. Het besef dat sommige kunst cultureel waardevoller is dan andere is er heus wel. Dat zal ook gelden voor Halbe Zijlstra, of Hero Brinkman; zij willen ook niet de barbaar zijn die het Koninklijk Concertgebouw sluit. Zoals ik al zei: het debat gaat niet over kunst, maar over maatschappelijke posities.’

Je kunt ook stellen dat de kunsten zichzelf hebben ondergraven, door postmodern relativisme, door jarenlang met populaire cultuur te dwepen.
'Het is niet zo dat met de dominantie van de lage cultuur de hoge cultuur ten dode is opgeschreven, zoals cultuurpessimisten denken. Wat je juist ziet is dat de traditionele contexten van kunst steeds minder strikt worden. Toen Het Kruidvat Bach-cd’s ging verkopen, liep dat als een trein. Als je Wagner in het Muziektheater programmeert heb je misschien een volle zaal, maar de keren dat er twee videoschermen in het Oosterpark werden neergezet waarop Wagner werd uitgezonden, zaten er tweeduizend man te kijken. In die nieuwe dynamiek kunnen dingen hun weg vinden.
Kijk, als je beweert dat hoge kunst zo veel belangrijker is dan populaire kunst is dat soms niet veel meer dan snobisme. Maar omgekeerd geldt dat ook. Ook uit Hollywood komt soms een meesterwerk. Er speelt een totale verbetenheid jegens alles wat moeilijk of complex zou zijn. Om daar de angel uit te halen zouden we een breder cultuurbegrip moeten hebben, waarin kunst wordt gezien als een uiting van cultuur. De Joop van den Ende Foundation doet dat heel goed; die steunt zowel die ene goochelaar als die ene experimentele dansgroep. Zo laat je zien: het kan allemaal naast elkaar bestaan.’

Tot slot, wat nu als het debat over kunst vast blijft zitten, geblokkeerd door de PVV die aan haar kiezers wil laten zien hoe streng ze is?
'Dan moet je als kunstenaar de mouwen opstropen, knokken, vuil spelen.’
'Vuil spelen’, of 'je tanden laten zien’ - dat zijn van die termen die meer commentatoren hebben gebruikt, zonder ooit uit te leggen wat ze concreet inhouden.
'Een voorbeeld. Er zitten genoeg CDA'ers en vooral VVD'ers in de raden van bestuur van musea, concertgebouwen, operagezelschappen. Nodig deze dan maar eens niet uit voor premières en openingen: dat zullen ze direct als statusverlies ervaren, dat merken ze direct in hun sociale leven. Of ga staken op een strategisch moment.’
Première van het Koninklijk Concertgebouworkest. Koningin en burgemeester op de eerste rij en na tien minuten stopt het orkest en zegt de dirigent dat ze niet verder zullen spelen uit protest tegen de harde kunstbezuinigingen.
'Dan haal je de voorpagina wel.’