Oek de Jong, Pier en oceaan

Het gaat niet om mij

Soms moet je jezelf er even aan herinneren dat Pier en oceaan, het magnum opus van Oek de Jong, daadwerkelijk door iemand geschreven is. Voor een boek dat barst van de ambitie cijfert De Jong zichzelf continu weg.

Oek de Jong, Pier en oceaan, € 39,95

Bij Oek de Jongs vorige roman, Hokwerda’s kind (2003), kreeg je het idee dat het schrijven met hem op de loop was gegaan. De roman opende met het soort poëtisch beeld waarvan je weet: hier komt een episch verhaal. Keer op keer gooit de stuurse, potige Hokwerda zijn dochtertje Lin over het manshoge riet de Dokkumer Ee in. Ze landt met een harde plons, het doet haar pijn, maar ze blijft doorgaan. In hun spel, hun intimiteit, hun onbezonnenheid sluimert het omineuze. ‘Ze was zo licht, ze bewoog zich zo licht en gemakkelijk. Het leven had nog niets van zijn zwaarte in haar achtergelaten, zwaarte die hij zelf begon te voelen.’

Maar het werd niet episch: De Jong presenteerde alle elementen voor een groots verhaal, de Dreverhave-achtige vader, de dochter die zich uit zijn schaduw moet werken, haar Opkomst Ondergang waarin ze haar bestaan als toptafeltennisser moet inruilen voor dat van winkelmeisje in Amsterdam, een liefdesleven dat naar het moorddadige overslaat, maar het bleef klein. Na de scène aan de Ee verdween haar vader nagenoeg uit beeld, net als het pingpongen, en las het boek alsof De Jong Lins seksleven met de booreilandmedewerker Henri ontdekte en dat niet meer los kon laten. In een interview vertelde Oek de Jong later dat het hem had verbaasd, dat hij dat kon, zo expliciet over lust en seks schrijven – het pakte hoe dan ook prachtig uit: zelden werden de gekte, de jaloezie, de lust en angst van een nieuwe liefde zo drukkend beschreven, zelden keek een personage zo boos en zo verlangend tegelijk, en boos vanwege dat ontoombare verlangen, naar een man van wie ze wist dat hij eigenlijk niet goed genoeg voor haar was.

Het is niet alleen het spel in het water dat Hokwerda’s kind verbindt met het pas verschenen Pier en oceaan, een tombe van een roman, een elegie van het verdwenen provinciale familieleven van de jaren vijftig en zestig op achthonderd bladzijden. Het is juist dat boze en bange. Pier en oceaan begint met een proloog (van 95 bladzijden) waarin op een zomerse dag in 1952 de hoogzwangere Dina Houttuyn haar kamer in Breda in een opvlieging ontvlucht en de trein neemt naar haar thuisstad Amsterdam. Meteen als ze haar kamerdeur uit komt dringt de buitenwereld zich aan haar op: in de gang flasht haar oudere hospita haar door expres, pestend, haar peignoir open te laten vallen (‘De hangende borsten, met tepelhoven die zo groot waren dat ze iets schunnigs hadden, de grote navel, diep verzonken in het vlees, van haar gewelfde buik. Een woeste bos zwart schaamhaar hing langs haar dijen naar beneden – als een baard’). In de trein valt een in het zwart geklede vrouw met een rozenkrans haar lastig (‘Ze hield het niet meer om niet te praten’) met suggestieve vragen en opmerkingen over haar ronde buik. ‘Schupt het al?’ (…) ’t Zijn de jongens die het hardste schuppen. In de buik doen ze hun moeder al pijn.’ In Amsterdam pest haar oudere broer haar met haar kunst­gebit, een gebit dat ze nooit wilde, maar de tandarts drong het haar op – en ze had de kracht niet zich te verzetten. Aan het strand in Bloemendaal wordt ze eerst betutteld door haar godvrezende ouders en loopt ze daarna haar voormalige afdelingschef tegen het lijf, Elena, met wie ze een korte lesbische affaire had. Dina weet nog steeds niet of het tegen haar zin was of niet, ze durft zichzelf de vraag niet te stellen of ze van Elena genoot of niet.

Net als Lin is Dina het type persoon dat alles overkomt, dat het niet lukt weerstand te bieden tegen haar omgeving. Ze ziet steeds dingen die ze niet wil zien, krijgt informatie die ze niet wil hebben, hoort dingen die ze niet wil weten. Ze vindt mensen continu onaangenaam ruiken. De vader van haar kind, Lieuwe, merkt dat telkens als hij haar weer ziet (hij vervult zijn dienstplicht) ze aan hem moet wennen en dat ze moeite heeft te vertellen wat ze precies heeft meegemaakt, behalve dat het ‘intens’ was. Jaren later heeft ze geen zin om naar een feestje te gaan en vraagt haar zoontje Abel, de werkelijke hoofdpersoon van de roman, wat er is. Het hoge woord komt eruit, in een zin die eigenlijk alles opsomt wat haar dwarszit: ‘Ik weet gewoon niet wat ik moet tussen al die mensen.’ Net als Lin is Dina de vleesgeworden onverzoenbaarheid met het leven.

Ondanks de achthonderd bladzijden is ook Pier en oceaan geen episch boek, zoals het ook geen familiegeschiedenis is vol onthullingen, lijken in de kast, grote verhalen of grote drama’s. Er is geen overkoepelende spanningsboog, geen zware thematiek. Pier en oceaan is niets meer of minder dan de beleving van Abel Roorda’s jeugd, gevangen in geuren, gevoelens, in losse herinneringen, zo naturalistisch mogelijk verteld, zo helder mogelijk opgeschreven. Jonathan Franzen pochte bij het schrijven van Freedom alle ‘te mooie zinnen’ weg te strepen, omdat ze de lezer in de weg zouden zitten het verhaal te volgen (je moet wel heel veel boeken verkocht hebben om zoiets te durven zeggen); De Jong gaat net zo zeer mooischrijverij uit de weg, met als verschil dat Pier en oceaan niet om het verhaal draait maar om de aaneenschakeling van levende beelden, levende emoties die een mens kenmerken, van de woedende schaamte van moeder Dina die zich vanwege haar zonde (ongetrouwd zwanger) aan de voeten van de ouderlingen van haar ouders kerk om vergiffenis moet bidden, tot haar zoon Abel die bijna twintig jaar later op een boot seks heeft met een meisje dat hij amper kent, als de ultieme manier om afstand te nemen van zijn familie, want dit was ‘een meisje van een andere stam’. Natuurlijk kun je Pier en oceaan ook zien, zoals de achterflap suggereert, als een weergave van een verdwenen tijd, de burgerlijke jaren vijftig en zestig. Je doet het boek daarmee te kort: daarvoor zijn de ervaringen van de opgroeiende Abel te universeel. Maar in alle beelden komt een duidelijk beeld naar voren van een homogeen milieu, waar alles wat anders is met grote ogen wordt bekeken. Een lerares Frans is hoogst uitzonderlijk omdat ze een Tibetaanse broek draagt – Abel weet niet waar hij moet kijken. Sociale uitvliegers, financieel of kosmopolitisch, zijn er nauwelijks, maar stiekem koesteren de mensen hun ervaringen met de grote wereld. De Jong vangt het in kleine vignetten, bijvoorbeeld als Abel in de auto met de ouders van zijn vriendinnetje zit:

‘“Pappa kan af en toe een auto lenen van de garage. Hij doet daar de tuin. Zo kan hij zijn autorijden ook wat bijhouden. In Indië heeft hij allemaal hoge officieren rondgereden.”

Het meisje boog zich naar voren.

“Ja toch, pappa, in Indië heb jij toch allerlei officieren rondgereden?”

“Hoge omes”, riep meneer Wisse.

Het was het enige wat hij erover kwijt wilde.’

Meer hoeft De Jong niet schrijven, die term ‘hoge omes’, of nog beter, het plezier van meneer Wisse om die term te gebruiken, zegt alles: hij reed niet alleen hoge officieren rond, nee, hij reed ‘hoge omes’ rond. Mondjesmaat komt de wereld buiten Nederland het leven binnen: de moord op Kennedy is het eerste wat Abel van buiten de grenzen verneemt (al vermoed ik dat de foto’s die De Jong beschrijft pas later openbaar werden), maar het verandert weinig. Abel kijkt op tegen de voorzitter van de schoolclub die spreekt over de ‘verkalkte structuren in de maatschappij’ en fantaseert over een Amsterdam vol ‘chicks’, ratelende stencilmachines waarop pamfletten werden gedrukt en happenings ‘waarbij dingen in de brand werden gestoken’. Dingen, Abel kan zich niet helemaal voorstellen wat precies. Hij houdt zich bezig met een handtekeningenactie die de solidariteit van scholieren met de Tsjechoslowaakse bevolking moet demonstreren, maar een bladzijde verder staat Abel weer gewoon op zaterdagavond op de dansles, die onherroepelijk plaatsvindt in de gymzaal. ‘Er werd gedanst op gymschoenen om de vloer niet te beschadigen.’ Voorzover De Jong ironie toelaat in zijn schrijven is dit het: de manier waarop hij het idealistische met het alledaagse samenbrengt. Zo’n moment van ironie is spaarzaam, zoals eigenlijk elke aanwezigheid van De Jong op de pagina’s een zeldzaamheid is. Het is de vreemde paradox van een boek dat natuurlijk giert van ambitie (alleen al omdat het achthonderd bladzijden lang is, terwijl het op zeshonderd vast ook wel was gelukt) van een schrijver die zichzelf geen strobreed in de weg legt (het boek zit vol herhalingen; er zit een permanente intensiteit in, maar zonder echte pieken en dalen), maar die toch ook niet wil scoren met mooie metaforen, opvallende grappen, slimme woordgrappen. Het is de schrijver die zichzelf opzichtig wegcijfert, sorry-dat-ik-besta, de schrijver als martelaar – ‘Het gaat om Abel’, lijkt hij te willen zeggen, ‘het gaat om Dina, het gaat niet om mij.’

Het gevolg daarvan is wel dat De Jong zich soms bedient van een bijna oubollige woordkeus – iets wat verschillende recensenten hem al verweten. Dina gaat ‘bepakt en bezakt’ op pad; Lieuwe merkt dat hij ‘zoete broodjes heeft staan bakken’. Dat commentaar kan De Jong makkelijk wegwuiven door te zeggen dat het misschien oubollig klinkt, maar volledig gepast is wanneer het vertelperspectief ligt bij de personages uit die tijd; het is niet hij die denkt dat Dina ‘bepakt en bezakt’ op pad gaat, dat denkt ze zelf. Maar toch is die wat archaïsche taal bij De Jong geïnter­naliseerd, want wanneer hij los van een personage schrijft gebruikt hij ook woorden als ‘weldra’, ‘van kindsbeen’, en ‘de zwembroek spant om zijn lendenen’. Het is opmerkelijk hoezeer je je daaraan kunt ergeren, simpelweg omdat het de enige momenten zijn waarop je je ervan bewust bent dat Pier en oceaan daadwerkelijk door iemand is geschreven. Dat is het grote succes van de roman: dat het zo simpel en helder en vanzelfsprekend is wat daar op de bladzijden staat dat je bijna even vergeten was dat het kunst is.

Als Pier en oceaan een Bildungsroman is, dan is het dat niet doordat het personage een kantelmoment meemaakt, het type grote ervaring waardoor hij/zij sadder and wiser het volwassen leven in gaat. Abel Roorda heeft niet zo veel om over te klagen: geen armoede, geen kwaadaardige ouders. Hij groeit op in een beschermd milieu. Een typisch Nederlands, naoorlogs kind. Zijn Bildung bestaat eruit dat hij leert zijn eigen milieu te verlaten, eerst doordat hij met vrienden en later vriendinnetjes ontdekt dat hij ook buiten zijn gezin om kan functioneren, daarna dat hij ook buiten zijn sociale milieu om kan bestaan. Als kind verschuilt hij zich achter de benen van zijn moeder, probeert hij net als zij de wereld niet te hoeven ondergaan (‘Vaak drong de buitenwereld maar half tot hem door’); als laat-adolescent ontdekt hij de weelde van het alleen zijn, in het donker, midden op zee, of op het strand. Het meisje van ‘de andere stam’ ziet hij als een tweede ontmaagding, omdat in tegenstelling tot zijn daadwerkelijke eerste keer er niemand bij is die hij kent, hij is alleen en doet iets wat niemand van hem weet. Hij bestaat, ook zonder de anderen.


Oek de Jong
Pier en oceaan
Atlas Contact, 816 blz., € 39,95