‘het gaat niet om mij’

JOHANNESBURG - Het duurt even voordat dr. C.F. Beyers Naudé een kamertje heeft gevonden waar we ongestoord kunnen spreken. De onophoudelijke politiesirenes van Johannesburg overstemmen ieder geluid en ook de bouwvakkers die het Ecumenical Advice Bureau verbouwen weten van geen ophouden. Naudé blijft er rustig onder. Ondanks zijn hoge leeftijd - hij is drieëntachtig - is de voormalige secretaris-generaal van de Zuid-Afrikaanse Raad van Kerken nog drie dagen per week op het kantoor te vinden.

De veranderingen in Zuid-Afrika geven de ‘Afrikaner in merg en been’, zoals Nelson Mandela hem typeerde, een ongekende drive. Maar al is Naudé gelukkig met wat er sinds de afschaffing van de apartheid in 1990 in Zuid-Afrika is veranderd, hij blijft waarschuwen voor al te veel optimisme. 'We moeten ons niet blindstaren op een soort droomwereld’, herhaalt hij voortdurend. Hoewel de Waarheids- en Verzoeningscommissie van bisschop Tutu deze maand haar rapport afrondt, is werkelijke verzoening volgens Naudé nog ver weg. Voor hem begint de tijd te dringen. 'Hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat de tijd om invloed uit te oefenen afneemt. Mensen moeten mij dat niet kwalijk nemen, maar soms probeer ik hierdoor iets te veel tegelijk te zeggen. Ik verwacht soms ook te veel van anderen, maar het gaat natuurlijk vooral om het signaal’, zegt hij, verwijzend naar de reprimandes die hij met name de blanke Afrikaners nog vrij frequent voorschotelt.
Als blanke Afrikaner heeft hij recht van spreken, al wordt hem dat, gezien zijn geschiedenis, door zijn eigen volk vaak niet in dank afgenomen. Twee keer beleefde Beyers Naudé de verkiezingsdag van zijn leven. In 1948 was hij 'door het dolle heen’ toen de Nationale Partij (NP) de verkiezingen won en er een eind kwam aan het bewind van generaal Jan Smuts. Eindelijk erkenning voor de Afrikaners, schrijft hij in zijn autobiografie Verzet en verzoening (Ten Have, 1997). In 1994 was het weer raak. Toen verloor diezelfde NP de verkiezingen en werd Nelson Mandela ingehuldigd als president van Zuid-Afrika. 'Ik leefde met de zwarte Zuid-Afrikanen mee, ik wist hoe het was om je politiek bevrijd te voelen.’
DE GROTE OMSLAG in het leven van Naudé vond plaats in 1960. Een demonstratie tegen de pasjeswetten in Sharpeville liep in maart van dat jaar uit op een bloedbad, waarbij 69 zwarte Zuid-Afrikanen de dood vonden. Twijfels over de (bijbelse) rechtvaardiging van het apartheidssysteem had hij al wel, maar door dit incident kwam Naudé werkelijk tot het inzicht dat het systeem waarin hij met zijn mede-Afrikaners leefde niet het zijne was.
Tot die tijd doorliep Naudé echter het gewone, bevoorrechte leven van een Afrikaner waarin voor kritiek op het regime geen enkele plaats was, laat staan enige aanleiding. Na een onbezorgde jeugd rond de pastorie van zijn vader in het van alles behalve god verlaten stadje Graaff-Reinet, midden in de desolate Karoo, ging Beyers Naudé theologie studeren. Zoals dat hoorde aan de universiteit van Stellenbosch.
Kort na de afronding van zijn studie schreef hij geschiedenis door als jongste lid ooit toegelaten te worden tot de Afrikaner Broederbond, een ultranationalistisch, besloten genootschap van de blanke bovenklasse dat mede door zijn vader was opgericht. In 1963 schreef hij opnieuw geschiedenis door als eerste lid de Broederbond vrijwillig de rug toe te keren.
De rellen van Sharpeville resulteerden in de conferentie van Cottesloe, waar een afvaardiging van de Wereldraad van Kerken Beyers’ Nederduits Gereformeerde Kerk (N.G. Kerk) ter verantwoording riep voor het apartheidssysteem. Tot dan toe had de N.G. Kerk de 'gescheiden ontwikkeling van rassen’ altijd op bijbelse gronden verdedigd, maar via een openbare verklaring aan het eind van de conferentie leek hier verandering in te komen. Beyers Naudé, die zich afvroeg waarom zelfs kerkdiensten gescheiden waren, putte uit 'Cottesloe’ hoop voor de toekomst. Maar enkele Zuid-Afrikaanse gesprekspartners namen via de pers afstand van de verklaring. Zij bleken liever de lijn van de apartheidsregering te volgen, waarmee de conferentie uitliep op een mislukking die de N.G. Kerk tot op de dag van vandaag tekent. Beyers Naudé zag het nog een paar jaar aan, maar deed in 1963 afstand van zijn predikantschap en werd directeur van het oecumenisch Christelijk Instituut dat met een beroep op het evangelie het apartheidssysteem juist verwierp.
Zijn houding leidde tot een banning order, indertijd de Zuid-Afrikaanse methode om al te spraakzame mensen volledig monddood te maken. Zeven jaar lang mocht Naudé niet publiceren, niet in het openbaar spreken, geen zwarte woonwijken bezoeken en nooit meer dan één bezoeker thuis ontvangen. Gedurende zijn banning order verdween Naudé in eigen land volkomen uit beeld. De banning order werd in 1987 opgeheven, waardoor Naudé bisschop Desmond Tutu kon opvolgen als secretaris-generaal van de Zuid-Afrikaanse Raad van Kerken. Preken deed hij voortaan in de zwarte oecumenische kerk van het township Alexandra.
CARL NIEHAUS, de huidige ambassadeur van Zuid-Afrika in Den Haag, herkende de predikant nauwelijks toen hij hem als jonge, blanke en zeer gelovige ANC-activist begin jaren tachtig consulteerde over de gewapende strijd tegen apartheid. Pas toen hij zich voorstelde zag Niehaus in de man met safaripak en scheiding-in-het-midden de 'oom Bey’, die door de banning order uit de pers verdwenen was.
Nu is dat wel anders. In de Zuid-Afrikaanse media wordt de drieëntachtigjarige Afrikaner opgevoerd als de absolute autoriteit van het verzoeningsproces. Twee maanden geleden sprak Naudé bij de opening van een nieuwe theologische opleiding een rede uit waarin hij waarschuwde voor een zijns inziens ernstig toenemend racisme in Zuid-Afrika. Daags erna publiceerde het dagblad Beeld een hoofdcommentaar waarin de waarschuwingen van 'de veteraan van de kerkelijke strijd voor gerechtigheid’ zonder meer werden overgenomen. 'Als iemand als dr. Beyers Naudé zoiets zegt, dan kunnen wij hier niet aan voorbijgaan’, schreef de krant.
'Te vleiend’, zegt Naudé een paar weken later in zijn kantoortje op de zevende etage van het grauwe Auckland House in Braamfontein, hartje Johannesburg. Met een kwajongensachtige blik in zijn ogen: 'Dat is uiterst gevaarlijk. Het gaat natuurlijk niet om mij, maar om de boodschap dat racisme aan het toenemen is. Ik heb dat de redactie van Beeld wel even met een telefoontje duidelijk gemaakt. Racisme heeft altijd bewust en onbewust deel uitgemaakt van het voorbije apartheidsregime. Uit gesprekken die ik tegenwoordig dagelijks met alle soorten Zuid-Afrikanen voer, wordt mij steeds meer duidelijk hoe diepgeworteld het racisme is. Vooral op het platteland, waar vaak nog steeds de regels van het oude regime gelden, leidt dit tot gewelddadige rassenconflicten. De vele moorden op blanke boeren zijn hier een voorbeeld van. Het is evenwel niet alleen racisme tussen blank en zwart, maar zeer zeker ook tussen zwart en bruin en tussen zwart en Indiër. De betere financiële positie van kleurlingen steekt de minder gefortuneerden, waardoor racisme vaker de kop op steekt. Voor het buitenland lijkt het of er in Zuid-Afrika zomaar een wonderwerkje wordt verricht. Het is zeker een wonderwerk, maar we moeten heel voorzichtig zijn om niet alles wat nu is opgebouwd weer te verkwanselen. Daarom is het goed een en ander te blijven relativeren. Wij hebben in Zuid-Afrika een geweldige verantwoordelijkheid, niet in de laatste plaats voor het buitenland. We mogen geen valse perspectieven en verwachtingen scheppen. Dat is uiterst gevaarlijk. Bedenk eens wat het gevolg voor de moraal van de rest van de wereld zal zijn als Zuid-Afrika niet slaagt in het verzoeningsproces.’
IN EEN GESPREK met NRC Handelsblad, nog voor zijn banning order, zei Naudé dat verzoening 'meer is dan het creëren van een goede sfeer of onderlinge goodwill en altijd ernstige offers vraagt’. Instemmend knikkend luistert hij ruim twintig jaar later naar het citaat en bevestigt de actualiteit ervan. Ondanks alle verhoren van de Waarheids- en Verzoeningscommissie zijn van de Afrikaners nog niet voldoende offers gevraagd, zegt hij. 'Het probleem is de mindset van vele Afrikaners. Ze grijpen nog te vaak terug op hun onwetendheid; ze zeggen niets van de gruwelijkheden van de apartheid gemerkt te hebben. Na alles wat de Waarheidscommissie aan het licht heeft gebracht kan je dat argument niet meer gebruiken. Het initiatief voor de verdere verzoening ligt nu aan de kant van de blanken, vooral de Afrikaners. Zij moeten in de eerste plaats erkennen wat er de afgelopen jaren is gebeurd en in de tweede plaats moeten zij kijken wat er mogelijk is om de samenleving te herstellen. Het zal ze verbazen hoe vergevingsgezind de zwarte gemeenschap is. Er is een ongekende bereidheid tot grootmoedige vergiffenis, mits er een oprecht teken van de blanken komt.’
De Waarheidscommissie heeft niet alles bovengebracht wat boven zou moeten komen, zegt Naudé. 'Dat is ook niet mogelijk na zoveel jaren. Veel slachtoffers én daders hebben tenminste hun hart kunnen luchten. De vraag is nu alleen wat wij verder moeten. Het rapport van Tutu is bijna af en dan hebben we dit nationale orgaan van verzoening niet meer. De verantwoordelijkheid ligt dan weer in handen van de mensen. Vanuit de grassroots moet iedereen met elkaar in gesprek blijven. Zwart en wit, dader en slachtoffer.’
Voor de gezamenlijke kerken ziet Beyers Naudé hierin een belangrijke rol weggelegd. Een probleem blijft echter de N.G. Kerk, die jarenlang het apartheidsregime van de bijbelse legitimatie voorzag. De overgang naar het nieuwe Zuid-Afrika is nog altijd niet gemaakt. Als geheel heeft de N.G. Kerk nooit voor de Waarheidscommissie willen getuigen. Tot grote spijt van voormalig lid Naudé. Naudé: 'Het is onvermijdelijk dat de kerk gezien gaat worden als een symbool van het oude regime. De jongere generatie voelt zich niet meer thuis in een kerk die niet het huidige Zuid-Afrika representeert. Veranderingen zijn echter maar moeilijk door te voeren zolang predikanten financieel afhankelijk zijn van hun conservatieve kerkgangers. Als een predikant eens een ander geluid laat horen, wordt hij eenvoudig afgedankt. Wat moet hij dan? Normaal gesproken heeft hij dan geen toekomst meer. Hij haalt het dus niet in zijn hoofd vooruitstrevende teksten uit te spreken, al wil hij dat nog zo graag. Ik zeg dat allemaal met diepe bekommernis, want ik ben ervan overtuigd dat de N.G. Kerk een belangrijke bijdrage kan leveren. Wat de kerk zegt wordt door Afrikaners immers serieus genomen. De N.G. Kerk heeft ongekend veel theologen met een doctorstitel in haar midden. Er komt alleen niet genoeg uit deze mensen, omdat ze bang zijn voor de macht van de gemeente. Dit is een vicieuze cirkel die onderkend moet worden. Ook al gaat de kerk hiermee predikanten en leden verliezen, men moet zich aanpassen, anders duurt het verzoeningsproces nog vele generaties voort. Kijk naar Amerika: de grondwet schrijft al een tijdje gelijke rechten voor, maar de kloof tussen zwart en wit is in dat land na al die jaren nog heel diep.’
HET VERVREEMDINGSPROCES van de N.G. Kerk lijkt sterk op dat bij de eens zo machtige Nationale Partij. Na de verkiezingen van 1994 kreeg de partij die de apartheid invoerde de mogelijkheid zich van een andere kant te laten zien door in het kabinet zitting te nemen. De laatste apartheidspremier, F.W. de Klerk, werd vice-president naast Mandela en Inkatha-leider Buthelezi. Met het oog op de verkiezingen van 1999 vond de partij het gunstiger uit de regering te stappen.
'Een hele domme zet’, oordeelt Naudé. 'Precies wat er op kerkelijk niveau met de N.G. Kerk gebeurt, zie je op politiek niveau gebeuren met de NP. Door zich niet meer actief op te stellen, isoleren de Afrikaners zich van de rest van de Zuid-Afrikanen en belemmeren ze het verzoeningsproces. De NP had verantwoordelijkheid moeten blijven nemen. Al was het alleen maar om de Afrikaners te laten ophouden met klagen. Iets waar ze nu geen recht op hebben.’
Het was Nelson Mandela die in 1994 aandrong op het kabinet van nationale eenheid waarin ook de oude machthebbers waren vertegenwoordigd. Voor Naudé is de huidige president hét toonbeeld van verzoeningsgezindheid. Mandela’s gevoel voor het 'Afrikanerschap’ is ongekend. Dat hij het klaarspeelt telkens intermediair te zijn tussen de blanke Afrikaners en de rest van de bevolking, dwingt groot respect af. De ontmoeting van de president met de weduwe van apartheidsarchitect Hendrik Verwoerd was typerend voor zijn stijl, zegt Naudé. 'Het baart me ernstig zorgen dat de president er volgend jaar mee ophoudt. Veel van wat tot nu toe is bereikt kan op zijn conto worden bijgeschreven. In Mandela’s opvolger Thabo Mbeki vind ik dat charisma en die verzoeningsgezindheid niet terug.’
Mandela is drie jaar jonger dan Beyers Naudé, maar treedt volgend jaar terug als president om in zijn pas gebouwde optrekje in het voormalige thuisland Transkei van zijn oude dag te gaan genieten. Dr. Beyers Naudé houdt er niet mee op en blijft voorlopig de gang naar het Auckland House in het centrum van Johannesburg maken. 'Wat moet ik met al die vrije tijd? Mandela is net getrouwd, die heeft tenminste wat te doen.’