PERSPECTIEVEN OP HET NEDERLANDSE LANDSCHAP

Het gaat niet om schoonheid

Hoewel het Nederlandse landschap van menselijk ingrijpen is vergeven, wisten de oude schilders er altijd een zweem van wildheid aan mee te geven. Pas sinds eind jaren tachtig laten fotografen zien dat aan het land niets natuurlijks meer is.

Medium 4. 20gderuijter cmyk

BIJ DURGERDAM WAAIEN regendruppels rond mijn gezicht. Aan de overzijde van het IJsselmeer hangt een zwart gordijn, grof opgezet met roetige vegen houtskool. De plezierboten varen achter de zon aan, hun zeilen een driehoekje plamuur in het grijs van de verre regenbui. Links van de dijk, in halfslachtig zonlicht, ligt Waterland, doorsneden met sloten. Op een smalle strook gras zoeken schapen vergeefs beschutting tegen de noordwester. In de binnendijkse meren schuimen korte golven.
Op de fiets van Amsterdam naar Terschelling brengt dit eerste uur van de reis mijn blik precies wat ik verwacht: ‘Gezicht op IJsselmeer’ in de traditie van onze grote landschapsschilders. Ik had het kunnen beschrijven zonder daadwerkelijk over de IJsselmeerdijk te fietsen. Dat is ook de stelling van Henk van Os, die de kleine tentoonstelling De ontdekking van Nederland in het Coda Museum te Apeldoorn samenstelde. Een veertigtal, veelal meesterlijke schilderijen waarin het Nederlandse landschap centraal staat, van 1644 tot 1944. De schilders, zo stelt Van Os, hebben ons geleerd wat we mooi vinden aan het Hollandse landschap. Wat we zien als we om ons heen kijken, zien we door de mal, of om het moderner uit te drukken, via het format dat de schilders ons hebben aangereikt. Van Os gebruikt hiervoor de prachtige term ‘esthetische ontginning’, de schilders ziet hij als een koloniserende voorpost van onze collectieve appreciatie.
Niet dat die waardering statisch is en immer gelijk blijft, maar de constanten zijn zo voor de hand liggend dat ik ze nauwelijks nog durf op te sommen: weidse polders, molens, ruige rivieren en uiterwaarden, strakke scheepszeilen, zandpaden langs eeuwenoude eiken. Daarboven van wolken bezwangerde luchten die alles een gevoel van drama meegeven. Ons kleine land is in de schilderkunstige verbeelding altijd weidser, rustieker en vervaarlijker dan in werkelijkheid.
Als ik op de fiets stap om naar ‘buiten’ te gaan, zal ik, zo zegt Van Os (en met hem vele kunsthistorici), waarnemen volgens de wetten van de schilderkunst.

Landschap is een mentaal beeld, een projectie, waaraan het land zich ondergeschikt maakt. Nu ik twee dagen na een bezoek aan de tentoonstelling op de fiets zit besluit ik mijn landschapsbeleving te testen. Het eerste uur stelt Van Os glorieus in het gelijk. Met gemak rijg ik vanaf de IJsselmeerdijk de Van Goyens, Hobbema’s, Troostwijks en Weissenbruchs aan elkaar. Het is, besef ik, een tweede natuur om het landschap voor je ogen tot een schilderij om te vormen.
Maar is dit landschap ook het land waar ik doorheen fiets? Wat heb ik daarvoor moeten uitgummen? Met wat voor oogkleppen moet ik hier rondkijken om niet de waarheid onder ogen te zien?
Waarom, bijvoorbeeld, zet die provinciale weg zich niet vast op mijn netvlies, de voortrazende auto’s, de hoogspanningsmasten, de flats achter de ringweg rond Amsterdam-Noord (toegegeven, nu in een prachtige laaghangende mist), de aangeharkte tuintjes van de boerderettes, de dicht bijeengepakte caravans op de camping, de lange rijen verkeersborden, waarschuwingstekens, wit-bestreepte asfaltstroken? En waar laat ik, als ik Edam in fiets, de oranje en blauwe blokkendozen op het industrieterrein, de uniforme huizenrijen in de Vinexwijk (waar ik nota bene verdwaal), het rode asfalt van het fietspad? Ze zijn er wel, maar tegelijkertijd is het alsof ik even diep ademhaal, mijn blik opschort en, als ik de dijk op klim, met een zucht van verlichting weer een schilderij spot: woest zeelandschap met zeilschepen. Ik ben weer waar ik zijn wil.
Maar ben ik daar echt? Kan ik dan niets anders zien dan wat de schilders me geleerd hebben? Is er een andere blik mogelijk, zonder de collectieve herinnering aan een pittoresk en rustiek Nederland?
Vragen die misschien nogal filosofisch klinken, maar voor een aantal Nederlandse fotografen waren ze eind jaren tachtig van de vorige eeuw acuut en concreet. Dat leert een andere tentoonstelling, Nature as Artifice in het Kröller-Müller Museum, die als een fascinerende tegenhanger van De ontdekking van Nederland kan worden bekeken.
De tentoonstelling (en indrukwekkende catalogus) brengt foto- en videowerk bij elkaar waarin een nieuwe, frisse blik op het Nederlandse landschap wordt uitgeprobeerd. Het is een retrospectief van Nederlandse landschapsfotografie, die min of meer begint met het fotoboek Hollandse taferelen uit 1989 van Hans Aarsman. Terugblikkend is dat een sleutelwerk, waarin de fotograaf lichtvoetig vier eeuwen schilderkunstig kijken terzijde schuift. Aarsman kijkt wel naar Nederland, ziet zelfs dezelfde ingrediënten als de schilders, maar tegelijkertijd gumt hij in dat beeld niets weg. Hij ziet ook wat de schildersblik geneigd is weg te laten: viaducten, industrieterreinen, verkeersborden, halfbakken landjes tussen snelwegen, immense tractoren en tekens van industriële landbouw. En om al die elementen hun eigen plaats te gunnen, ziet hij af van iedere vorm van klassieke dramatiek, waarbij vooral de grijze, egale luchten opvallen, die ik hier bijna als on-Hollands wilde typeren, gemakshalve vergetend dat drie van de vier dagen in Nederland van een grijze sluier zijn voorzien.
In retrospectief ziet de aanpak van Aarsman er simpel uit. Natuurlijk is dit Nederland, zeggen we nu, dit is het verrommelde Nederland dat collectief wordt verafschuwd, en tegelijkertijd nog steeds met ferme hand wordt volgebouwd. Het overgeorganiseerde Nederland van aangeharkte perkjes, verkeersdrempels, gifgele vuilnisbakken en onvermijdelijke aanwijsborden, dat zo scherp ons rotsvaste geloof in een maakbare wereld weerspiegelt. Kortom, het paradoxale Nederland, waarop vele landschapscommissies en beleidsmakers zich nu al decennia de tanden stukbijten en dat meer en meer onderwerp is van publieke discussie. Maar Hans Aarsman was een van de eersten die het zo liet zien.

Welbeschouwd is het merkwaardig dat de gefabriceerde kant van het Nederlandse landschap zo lang buiten beeld is gebleven. Want hoewel ons land van menselijk ingrijpen is vergeven, wisten de schilders er toch altijd een zweem van wildheid aan mee te geven, een soort natuurlijke staat, alsof die sloten, heggen, molens, paden, laantjes, dijken, sluizen en uiterwaarden daar als vanzelf uit de zee waren opgerezen.
Voor fotografen als Hans Aarsman, Wout Berger, Jannes Linders, Theo Baart en Hans van der Meer was er rond 1990 plotseling niets natuurlijks meer aan het Nederlandse landschap. Zij zagen het andere, paradoxale Nederland en toonden het zodanig dat het verraste: de asfaltvelden van de Brouwersdam, een verlaten caravanpark waaronder chemicaliën zijn gestort, afgetrapte voetbalvelden in de polder, kaarsrechte kanalen op weg naar niets, en – de foto die het voor mij allemaal samenvat – een zojuist geasfalteerde oprit naar de A50 bij Lemmer.
Dat zijn de ingrediënten, maar belangrijker nog is dat ze in beeld zijn gebracht zonder schilderkunstige reflex. In een grappig filmpje legt Henk van Os aan de bezoekers van De ontdekking van Nederland de techniek van het repoussoir uit. Schilders gebruiken vaak een boom of een menselijke figuur in de voorgrond om het beeld diepte te geven. Via dit precies geplaatste obstakel wordt de blik van de toeschouwer het beeld in getrokken. Het is een schilderstruc die ook bij iedere cursus fotografie de deelnemers wordt bijgebracht.
Maar bovenstaande fotografen hebben daar wonderbaarlijk slecht naar geluisterd. In hun foto’s ontbreekt het veelal aan een klassiek geplaatste ‘ogentrekker’, een repoussoir. Hun foto’s zijn waarnemingen ‘van buiten af’, waardoor alle elementen zonder hiërarchie en zonder gestuurd drama in beeld zijn gebracht.
Wat levert dat op? Als ik deze foto’s bekijk, betrap ik mezelf erop dat ze me meer laten nadenken over Nederland als modern landschap dan over fotografie. Of liever, ik weet niet zo goed of ik mijn waarneming moet toeschrijven aan de fotografische blik, of aan het landschap zelf. Want behoren die geometrische en symmetrische patronen, die tekenen van maniakale ordening en transparantheid van de ruimte toe aan het land, of zijn ze het resultaat van een fotografenoog?

Als het eerste uur IJsselmeerdijk me bij Edam heeft gebracht, probeer ik rond te kijken als deze fotografen. Ik merk dat het me veel moeite kost om anders te kijken, om ook die maakbare kant in het Nederlandse landschap een plaats te geven. De aaneengeregen huisjes, de bushokjes van bruin glas, de uit golfplaten opgetrokken distributiehallen, het ANWB-blauw van de verkeersborden, ze willen maar niet mooi worden. Of ben ik een verstokte romanticus die het niet lukt voorbij de negentiende eeuw te kijken? Draait het eigenlijk wel om schoonheid in deze foto’s?
Maartje van den Heuvel, samensteller van Nature as Artifice, schrijft in haar inleiding dat er wel degelijk sprake is van een vorm van schoonheidsbeleving. Niet alleen vanwege de inbreng van de fotograaf, maar ook door dat wat wordt afgebeeld. Of, om met Van Os te spreken, de fotografen volvoerden een ‘esthetische ontginning’ van het paradoxale Nederland: hoera voor snelwegen, industriecomplexen, de eenvormigheid van Vinexwijken, de onbepaaldheid van terrain vague.
Zou het werkelijk zo eenvoudig zijn? Misschien is het weinig vruchtbaar om bij deze fotografen nog met het begrip schoonheid te jongleren. Tracy Metz vat dat in de titel van haar bijdrage aan de catalogus puntig samen: ‘Beauty is not the issue. So what is?’ Ja, wat is het?
Het gekke is dat ik me in het antwoord op die vraag moet dwingen niet over de ruimtelijke ordening van Nederland te gaan schrijven en me niet te mengen in de discussies over verrommeling en infrastructurele lelijkheid. Dat betekent dat ik de foto’s van deze fotografen niet herken als een projectie, als een landschap, maar als een feit. Maar zijn ze louter feitelijke weergave? Er gaat veel roerends uit van de foto’s. Nederland wordt met milde ironie gefileerd, niet zonder empathie licht bespot. Dit zijn wij, zeggen deze foto’s: hoeveel we ook dromen van wildheid en rustieke vergezichten, dit hebben we van ons land gemaakt, dit hebben we aan de gevaren van zee en rivieren onttrokken, een keurig aangeharkt landje doorsneden met stroken asfalt en bespikkeld met blokkendozen. Het zijn leerzame foto’s voor als je wilt weten wie dat zijn, Nederlanders. En dat lijkt me meer dan het vastleggen van een feit. Fotografie als een vorm van essayistiek, misschien.
Is dit een eindpunt? Heeft schilderkunstige schoonheid voorgoed afgedaan in de fotografische afbeelding van het Nederlandse landschap?

Het fascinerende van de Nature as Artifice-tentoonstelling is dat ze laat zien dat er na Aarsman c.s. ook ruimte is geschapen voor een tweede, meer plastische kijk op het paradoxale Nederland. Dat zijn bijdragen waarin de fotografie opschuift naar de beeldende kunst, waarin de blik niet langer terughoudend, mild observerend, en objectiverend is, maar verbazingwekkend, verheerlijkend, pijnlijk of euforisch. Frank van der Salm bijvoorbeeld presenteert een nachtelijk Nederland waarin de miljoenen lichtpunten van autolampen, lantaarnpalen, kantoorgebouwen, neonreclames uitwaaieren als in een pointillistisch schilderij. Monumentaal, in een omvang die de afmetingen van een fotoboek verre overschrijdt.
Gerco de Ruijter kijkt met zijn camera vanuit een vlieger loodrecht naar beneden en ontdekt patronen in het Nederlandse landschap die aan de art brut van Dubuffet herinneren. Het landschap is materiaal geworden, zoals verf (of modder) dat voor de schilder is. En Edwin Zwakman toont een hoogspanningsmast als een magisch-realistisch spookbeeld, een alien uit Mars Attacks! die door de Hollandse polder dendert.
Het is alsof deze fotografen de bevrijdende werking die van Aarsman c.s. is uitgegaan in hun eigen voordeel hebben weten om te zetten. Ze hebben een nieuw schilderkunstig perspectief op het feitelijke Nederlandse landschap durven projecteren. Edwin Zwakman bijvoorbeeld bouwt het Nederlandse landschap na in maquettes. Snelwegknooppunten, Vinexwijken, bouwterreinen, eenvormige flats, een hoogspanningsmast in een weiland. Niet om ze als maquette te exposeren, maar om ze te fotograferen. En daar begint het te schuren, want hoe verdacht realistisch de foto’s ook ogen, bij een tweede blik wordt duidelijk dat het constructies zijn, afbeeldingen van knutselwerk, steeds een fractie schematischer dan de werkelijkheid kan zijn. Tegelijkertijd kiest Zwakman een dramatisch perspectief, kikker- of vogelperspectief. Niks objectiverend, niks mild dan wel ironiserend. Zijn landschappen presenteren zich in al hun breekbaarheid als een neurose, als een door angst vormgegeven werkelijkheid. Het landschap is weer kunst geworden.
Dag twee van mijn fietstocht laat ik me overvaren van Enkhuizen naar Stavoren. Daar, aan de kade, reizen vier merkwaardige torens op, een soort Japanse kastelen die uitkijken over het IJsselmeer. Het werk van een creatieve architect na een reisje Japan, waarvan Hans Aarsman, zo stel ik me voor, een mild spottende foto zou hebben gemaakt. Ik begin het te leren. Misschien hebben Aarsman c.s. me dan toch een nieuwe vorm van schoonheid bijgebracht, een ‘kijk maar, dit is het ook waard om naar te kijken, maar neem het niet al te serieus’.
Twee uur later rij ik over het oplichtende asfalt van de zeedijk naar Harlingen. Ik hang schuin tegen de wind, nietig wezen tussen zee en dijk. Hoe zou dat er vanuit de vlieger van Gerco de Ruijter uitzien? Of in een maquette van Edwin Zwakman? Ik weet het niet. ‘Fotografen’ als De Ruijter en Zwakman creëren een nieuwe werkelijkheid, een ondenkbaar landschap. Ze zijn de nieuwe schilders, het is alleen nog even wachten voordat ze mijn tweede natuur vormen om rond te kijken.
……………………………………………………………………………………………………
De ontdekking van Nederland (Coda Museum, Apeldoorn) en Nature as Artifice (Kröller-Müller Museum, Otterlo) zijn onderdeel van de Internationale Triënnale Apeldoorn: 100 dagen cultuur, tuin en landschap (tot 28 september, zie www.triënnale.nl).
Henk van Os in samenwerking met Huigen Leeflang en Jenny Reynaerts, De ontdekking van Nederland: Vier eeuwen landschap verbeeld door Hollandse meesters. NAi Uitgevers, 128 blz., € 24,95.
Maartje van den Heuvel en Tracy Metz, Nature as Artifice: New Dutch Landscape in Photography and Video Art. NAi Uitgevers, 288 blz., € 52,-