Assad en zijn folteraars aangeklaagd vanuit het buitenland

‘Het gaat niet om wraak’

De afgelopen jaren smokkelden moedige Syriërs bewijzen van misdrijven hun land uit. De mensenrechtenactivist Mazen Darwish, zelf zwaar gemarteld, deed met anderen in Duitsland aangifte tegen de Syrische inlichtingendiensten. Meer landen werken aan de vervolging van daders.

Medium mazen kijkt opzij kl 1

Vlak voor hun bruiloft bespraken ze het onvermijdelijke. ‘Gewoonlijk praten geliefden over hun nieuwe huis, de meubels en hun huwelijksreis, maar wij maakten samen inschattingen van het aantal jaren dat ik straks, na een arrestatie, vast zou komen te zitten. We zeiden: misschien tien jaar? Nee, dat is zo veel. Zeven jaar wellicht? Nee, dat is ook echt te veel.’ De Syrische mensenrechtenactivist Mazen Darwish glimlacht bij de herinnering aan de gesprekken die hij en zijn vrouw Yara Bader voerden toen ze nog in Damascus woonden. Ze trouwden in september 2011, midden in de Syrische lente. Voorbereid op het ergste.

Op de grote tafel in hun Berlijnse appartement staan twee laptops tegenover elkaar – onmisbaar in hun strijd voor een democratisch Syrië die zij nu noodgedwongen vanuit ballingschap voeren. De ramen staan op een kier om de sigarettenrook te verdrijven. Op de boekenkast prijken onderscheidingen die Darwish ontving, zoals de Unesco/Guillermo Cano World Press Freedom Prize. Vorig jaar nog kreeg hij de Freedom of Speech Award van de Roosevelt Foundation in Middelburg.

Darwish (1974, Nablus), gekleed in spijkerbroek en een lichtblauw overhemd dat om zijn buik spant, neemt plaats op de zwarte leren bank. Ernstige donkerbruine ogen, vriendelijke blik. Niets in zijn zachtmoedige voorkomen doet vermoeden wat hij heeft doorstaan. Hij neemt een slokje van zijn Arabische koffie en kijkt op. Bader, vrolijke ogen, levendige mimiek en een wilde bos haar, doet de mediacontacten. Ze beantwoordt mails. Als ze hem tussendoor iets vraagt, schakelen ze soepel over op Arabisch.

Beiden komen uit families van dissidenten die zich verzetten tegen het dictatoriale regime, toen nog onder president Hafez al-Assad. De vader van Bader zat in totaal zestien jaar vast. Darwish groeide op zonder zijn vader, die op de vlucht was voor het regime. Pas rond zijn veertiende zag hij hem voor het eerst. ‘Daarna ontmoette ik mijn vader op geheime locaties, maar soms zag ik hem twee jaar niet.’ Darwish was zestien jaar toen ook zijn moeder werd gearresteerd. ‘We gingen naar de veiligheidsdiensten die haar mogelijk vasthielden. Maar een jaar lang hadden we geen officieel bericht over haar.’

Darwish studeerde rechten en koos als beginnend advocaat voor mensenrechtenzaken. ‘Ik was jong, enthousiast en hield vurige pleidooien over recht en democratie in de rechtszaal.’ Zijn carrière als pleiter zou dus niet lang duren. ‘Al na vijf maanden werd ik van het tableau geschrapt.’ Hij werd journalist en commentator voor binnen- en buitenlandse media. In 2004 was hij medeoprichter van het gerespecteerde Syrian Center for Media and Freedom of Expression (scm), dat ondergronds opereerde. Het webmagazine Syriaview.net dat hij opzette, werd door de autoriteiten geblokkeerd. Toen al werd Darwish meermalen gearresteerd, moest hij zijn paspoort inleveren en mocht het land niet uit.

Al vroeg zag hij in kleinere protesten de voortekenen van de Syrische lente. Darwish raakte meteen betrokken. De activisten opereerden in de verborgenheid. Ze communiceerden veelal via Facebook. ‘Maar op 16 maart maakten we onze namen openbaar en nodigden we mensen uit naar het oude centrum van Damascus te komen om te demonstreren.’ Ruim tweehonderd Syriërs, vooral families van politieke gevangenen, namen aan het protest deel. Ze eisten hervormingen en de vrijlating van familieleden. Zo’n duizend soldaten waren op de been. Ze vuurden op demonstranten, sloegen op hen in en verrichtten arrestaties. Ook in andere steden broeide het verzet en kwamen betogingen op gang. De revolutie was geboren.

Al meteen op 18 maart 2011 werd Darwish gearresteerd. Ditmaal zou hij nog vrij snel vrijkomen. Terwijl het regime de roep om democratie met grof geweld de kop indrukte, deserteerden militairen en officieren om het Vrije Syrische Leger te vormen. Het scm begon met het vastleggen van gewelddadigheden. Spoedig richtten ze er een aparte organisatie voor op: het Violations Documentation Center (vdc). ‘We wisten hoe belangrijk het zou zijn om mensenrechtenschendingen te documenteren’, zegt Darwish. Deze onderzoeksactiviteiten zouden hem en zijn collega’s duur komen te staan.

De gevreesde inlichtingendienst van de luchtmacht viel op 16 februari 2012 het kantoor van het scm binnen. Darwish, Bader, elf collega’s en twee gasten werden meegenomen naar Mezzeh, het luchtmachtcomplex in Damascus. ‘Ik zag haar alleen nog die eerste dag van onze arrestatie, maar daarna zou ik haar een jaar lang niet zien’, vertelt Darwish met zachte stem.

Hij verdween in de kerkers van de inlichtingendienst van de luchtmacht. ‘Er was veel sneeuw gevallen in Damascus, en de bewakers zetten me, met alleen mijn gewone kleren aan, buiten in de vrieskou. Ik dacht: dit is het ergste wat me kan gebeuren. Maar het was slechts het aperitief’, zegt Darwish. Weldra begonnen de verhoren en folteringen waarmee ze hem wilden dwingen namen en informatie over het burgerverzet tegen het regime prijs te geven. ‘Ze hingen me aan mijn polsen, zodat mijn tenen net niet bij de grond konden. Ik kreeg elektrische schokken en werd geslagen.’ Zijn folteraars pasten ook ‘het wiel’ toe, waarbij slachtoffers worden afgeranseld terwijl ze hun hoofd en benen door een autoband moeten steken, waardoor ze dubbelgeklapt voorover zitten. Weerloos tegen de slagen met stokken en kabels. ‘Ze waren vooral zo woedend op mij omdat wij hun misdrijven vastlegden. De persoon die het luchtmacht-inlichtingenonderzoek in Mezzeh tegen mij leidde zei: je documenteert zaken zodat wij straks in “Den Haag” eindigen.’ Een verwijzing naar het Internationaal Strafhof, dat als taak heeft daders van internationale misdrijven te vervolgen.

‘Maar ook deze fase was niet het ergste’, zegt Darwish, die met grote kalmte vertelt over het wrede lot dat hem en andere Syriërs trof. Na 64 dagen werd hij overgebracht naar de ‘vierde divisie’, geleid door Maher al-Assad, de broer van de president, waar hij in een ondergrondse ruimte werd gezet. ‘In Mezzeh werd ik gemarteld omdat ze informatie wilden afdwingen. Maar bij de vierde divisie gaat het niet om een onderzoek. Ze vragen niets. Ze kennen je naam niet. Ze weten niet wie je bent of wat je doet. Je bent een nummer. Er is een dagelijks folterprogramma met twee sessies. Het is om wraak te nemen. Om je te vernietigen. Om je van binnen kapot te maken. Ik dacht: ze sturen me hier naartoe om te sterven. Ik zei altijd tegen mijn medegevangenen: ons doel is om in leven te blijven. Dat is onze missie. Maar op sommige plekken is dat een dagelijks gevecht.’

Dag en nacht waren ze geblinddoekt. ‘Als je toch probeerde te kijken, werd je gestraft.’ Ze zaten naakt of in alleen een onderbroek in overvolle ruimten. ‘Als je gevangen wordt genomen raak je je kleren kwijt. Al in Mezzeh pikte een bewaker mijn broek in. Omdat mensen door de dagelijkse martelingen gewond raken, gebruik je kleding om hen te verbinden. Zo verlies je geleidelijk al je kleren.’

De hygiënische omstandigheden waren catastrofaal. In de ondergrondse cellen kwam geen daglicht. ‘Er zijn insecten die je prikken. Sommige soorten kruipen in je kleren, waardoor het eigenlijk beter is om niks aan te hebben. Andere insecten kruipen onder je huid. Je kunt ze onder je vel zien zitten. Je moet voorzichtig zijn en proberen jezelf zo schoon mogelijk te houden, vooral als je gewond bent. Je moet ervoor waken dat je een infectie krijgt.’ Een vrijwel onmogelijke opgave. Gevangenen mochten zich niet wassen. Het weinige eten was vreselijk slecht. In een jaar verloor Darwish vijftig kilo, de helft van zijn gewicht. Hij zag hoe anderen last kregen van hun ademhaling of het geestelijk niet meer aankonden. ‘Opeens begint hun geest te dwalen. Ze denken dat ze op een andere plaats zijn. Drie dagen later zijn ze dood.’

Darwish en zijn lotgenoten waren het levende bewijs van misdrijven gepleegd door het regime. Hij bleef de jurist, journalist en mensenrechtenactivist. ‘Ik wilde de namen vastleggen van de gevangenen die met mij in de vierde divisie vastzaten.’ Pen en papier waren echter verboden. Hij verzon een list. ‘Het brood dat we kregen was verpakt in plastic. We moesten dat weer teruggeven, maar soms wisten we een stukje te bewaren. Met een ijzeren staafje prikte ik er de namen in. Zo wisten we meer dan honderd namen te bewaren, die ik later aan een advocaat heb weten te geven.’ Een kameraad schreef de namen van zijn medegevangenen met bloed op snippers papier en verstopte ze in de kraag van zijn shirt. Ze waren niet de enigen die bewijs verzamelden.

‘Er is een dagelijks folter­programma met twee sessies. Het is om wraak te nemen. Je te vernietigen. Je van binnen kapot te maken’

In het diepste geheim zou een forensisch fotograaf van de Syrische militaire politie een ongelooflijk besluit nemen. Vanaf de Syrische lente moest hij opeens niet langer ongelukken, suïcides en branden fotograferen, maar dode gevangenen – vreedzame burgers die verdacht werden van deelname aan de opstand en gestorven waren in militaire detentiecentra in Damascus en omstreken. Ook archiveerde hij foto’s uit de rest van Syrië, aldus het rapport If the Dead Could Speak van Human Rights Watch (hrw). Hij zou later internationaal bekend worden onder de codenaam ‘Caesar’.

Hij was diep geschokt over wat hij zag. In het begin van de revolutie fotografeerde hij dagelijks vijf tot tien dode lichamen, maar de aantallen liepen op tot wel vijftig of meer per dag. ‘Vaak zag ik mensen die ik persoonlijk kende, maar vanwege de afgrijselijke martelingen was het moeilijk voor mij om ze te herkennen’, zo verklaarde hij recentelijk in een interview met cnn. Vanaf mei 2011 besloot hij zoveel mogelijk foto’s te verzamelen om ze later aan de wereld kenbaar te maken. Het was een levensgevaarlijke operatie. Na ruim twee jaar besloot hij naar het buitenland te vluchten. Verstopt in zijn sokken en schoenen zaten de usb-sticks met het onthutsende bewijsmateriaal. Eenmaal in veiligheid droeg hij zijn waardevolle verzameling van 53.275 foto’s over aan de Syrian National Movement. Een team van internationale experts zou de echtheid bevestigen.

De collectie bevat 28.707 foto’s van gevangenen, die waren gestorven in detentiecentra of nadat ze naar een militair ziekenhuis waren getransporteerd. Het gaat om 6786 personen, want veel slachtoffers zijn meerdere keren gefotografeerd. Minstens zevenhonderd families hadden in 2015 vermiste familieleden herkend. Daarnaast bevat de Caesar-verzameling foto’s van dode soldaten of leden van de geheime diensten, en van plaatsen waar aanslagen plaatsvonden. Ook wist hij documenten te fotograferen.

‘Een van mijn vrienden staat op de foto’s’, zegt Darwish. Ayham Ghazzoul was een twintiger die tandheelkunde aan de Universiteit van Damascus studeerde en als mensenrechtenactivist was verbonden aan het scm en het vdc. Met grote genegenheid vertelt Darwish over zijn vriend die ‘niet rookte en de gezondste van ons allemaal’ was. Ghazzoul werd op 5 november 2012 opgepakt door Assad-gezinde studenten. Op de medische faculteit werden hij en een vriend vier uur door agenten van de militaire inlichtingendienst gemarteld, aldus hrw. Daarna werden ze meegenomen naar Branche 215 van deze geheime dienst. Op de vierde dag van hun detentie was Ghazzoul zo moe, hij wilde slapen. Hij legde zijn hoofd op het been van zijn vriend, maar zou niet meer wakker worden. De bewakers plakten een nummer op zijn hoofd en voerden hem af. Daarna zou hij worden gefotografeerd door Caesar of zijn collega’s.

Pas na twee maanden werd Ghazzouls moeder op de hoogte gebracht van zijn dood. ‘Anderhalf jaar lang heeft ze gevochten om meer informatie over haar zoon te krijgen. Maar liefst zestien keer heeft ze een verzoek ingediend om de overlijdensakte van het militair hospitaal te krijgen’, vertelt Darwish. ‘Ze is fantastisch.’ Eindelijk kreeg ze het origineel in handen. Volgens de acte stierf haar zoon aan een hartaanval. De organisatie Physicians for Human Rights die de gesmokkelde foto’s van Ghazzoul later op verzoek van hrw onderzocht, kon geen doodsoorzaak vaststellen. Maar Darwish weet wel wat er is gebeurd. ‘Ze hebben hem op zijn hoofd geslagen. Hij bloedde uit een oor. Soms is het verschil tussen leven en dood een paar centimeter, afhankelijk van waar de klap terechtkomt.’ Toch is de Syrische akte belangrijk bewijs, want het toont aan dat Ghazzoul in gevangenschap is gestorven. ‘Nu kunnen de autoriteiten niet zeggen dat ze er niets mee te maken hadden of dat ze hem al hadden vrijgelaten.’

En Caesar? ‘Hij is een held. Maar dat drukt onvoldoende uit hoezeer ik hem respecteer’, zegt Darwish. Niet lang geleden heeft hij Caesar, die op een geheime locatie in een westers land verblijft, ontmoet. ‘Het is voor zijn veiligheid beter dat hij het publiek niet al te veel van hem weet. Maar we moeten hem zo dankbaar zijn.’

Ook vele andere Syriërs hebben met gevaar voor eigen leven belastend materiaal het land uit weten te krijgen. Zoals Abdelmajid Barakat, die door de autoriteiten was aangesteld om voor de Centrale Crisis Management Cel in Damascus te werken. Dit geheime comité van topfunctionarissen van het leger, geheime diensten, ministeries en de Baath Partij was speciaal door het regime opgericht om de repressie te coördineren. Barakat verwerkte veiligheidsmemo’s met informatie over de opstand, die vanuit het hele land werden ingestuurd, schrijft Ben Taub in zijn artikel The Assad Files in The New Yorker. De jonge Syriër ontdekte dat president Assad van alle plannen om de opstand neer te slaan op de hoogte was. Terwijl Barakat voor de Crisis Cel werkte, lekte hij al documenten naar de Syrische oppositie. Toen hij in de smiezen liep, vluchtte hij het land uit. Zijn smokkelwaar omvat notulen en de correspondentie tussen de Crisis Cel, het presidentiële bureau, de premier en de minister van Binnenlandse Zaken. Met meer dan duizend pagina’s op zijn lichaam geplakt wist hij de Syrische controlepost bij de grens met Turkije te passeren.

Ook internationaal was er een uitzonderlijk initiatief. In 2011 besloot Bill Wiley, een Canadese investigator die voor internationale tribunalen had gewerkt, Syriërs te trainen in het veiligstellen van bewijs van misdrijven dat voor de rechter zou standhouden. De Syriërs leerden artillerie-inslagen vastleggen en wapens identificeren, maar vooral ook speuren naar overheidsdocumenten en strategisch-juridisch denken waarbij het van belang was door te rechercheren tot aan de top van het Assad-regime. Zodra een gebied door rebellen was veroverd, drongen de getrainde Syrische investigators kantoren van overheids- en veiligheidsdiensten binnen op zoek naar documenten. Ze noteerden de vindplaats en datum en deden de papieren in dozen die verzegeld werden. De buit werd bewaard in huizen, grotten of onder de grond. Tot het veilig genoeg was om het materiaal het land uit te smokkelen. Zo vertrok een Syriër met een truck volgeladen met honderdduizend documenten om door te rijden tot een westerse ambassade.

Small smokkeldocumentenmandef

Wiley richtte in 2012 de Commission for International Justice and Accountability (cija) op die ruim zevenhonderdduizend Syrische documenten heeft weten veilig te stellen. De organisatie heeft zo’n 150 professionals in dienst en beschikt over een budget van acht miljoen euro, dat wordt betaald door landen als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland, Noorwegen, Denemarken en Canada.

Er zijn ook imposante collecties waarover niets naar buiten mag komen omdat het dan mensen in gevaar zal brengen. ‘Nog altijd zijn er in Syrië vele Caesars die geweldig werk doen door bewijs te verzamelen. Met gevaar voor eigen leven. Ik ben zo trots op al die burgers en mensenrechtenactivisten die zo moedig zijn’, zegt Darwish.

Terwijl deze geheime operaties werden opgestart, zat Darwish nog altijd onder helse omstandigheden vast. Nadat hij met anderen een medegevangene te hulp was geschoten, werd hij gestraft. Het waren islamitische feestdagen. ‘Ze zeiden: Darwish, je krijgt een geschenk van het hoofd van de luchtmacht. Ze waren met vijf à zeven soldaten. Vier dagen lang ben ik gemarteld. Het was het ergste wat ik heb meegemaakt. Ik dacht dat ik zou sterven. Wat er precies is gebeurd, weet ik niet, want ik verloor het bewustzijn. Toen ik bijkwam, realiseerde ik me dat ik onder een trap lag waar ze de dode lichamen deponeerden die ze wilden afvoeren. Ik merkte dat ik boven op een lijk lag’, vertelt Darwish terwijl zijn vrouw hem even onderbreekt om iets over werk voor te leggen. Het paar is vrijwel continu op stap voor besprekingen met mensenrechtenorganisaties, VN-instellingen, diplomaten, regeringsfunctionarissen en denktanks. Kort overleggen Darwish en Bader, waarna hij zonder hapering de draad oppakt. ‘De eerste minuten kon ik nauwelijks adem halen. Ik wist niet of ik dood of levend was. Toen een soldaat zag dat ik me bewoog en ik nog leefde, hebben ze me weer naar de cel gebracht.’

Maar op een dag was het voorbij. De inlichtingendienst was klaar met het ‘onderzoek’. Bij wijze van akkoord moest hij nog een vingerafdruk onder een formulier zetten. ‘Dit is de droom van elke gevangene. Het is een moment van groot geluk als ze je vingerafdruk willen, want het betekent dat ze met de martelingen stoppen en je bij de rechter wordt voorgeleid.’ Omdat Darwish niet kon lopen, werd hij in een deken naar de functionaris gedragen die zorg zou dragen voor de formaliteit, die een schijnvertoning was. ‘Ik zei tegen hem dat ik eerst de verklaring wilde lezen voordat ik zou tekenen. De man pakte me bij mijn haar, en beet mij toe: “Kun je mij zien?” Inderdaad, ik kon hem nauwelijks zien, want mijn ogen waren te zeer opgezwollen. Dus ik zei: “Nee.” Daarop pakte hij mijn vinger en zette mijn afdruk.’

‘Hij bloedde uit een oor. Soms is ’t verschil tussen leven en dood een paar centimeter, afhankelijk van waar de klap terechtkomt’

Nog even leek het fout te gaan, want het vervolg van het ritueel stokte. De functionaris ging maar niet over tot het checken van de namen en geboortedata van zijn ouders, zoals gebruikelijk is. ‘Ik raakte in paniek. Woedend schreeuwde de functionaris: “Je leeft nog steeds! Je wilde niet sterven.” Ik was zo blij dat ik zou vertrekken, dat ik met een grapje antwoordde: “Sorry, de volgende keer zal ik sterven.” De man werd alleen maar kwader, maar vroeg uiteindelijk toch de namen van mijn vader en moeder.’

Hij werd opnieuw overgeplaatst. Een ‘vijf-sterrengevangenis’, lacht Darwish. ‘Er was een kantine waar je zelf naartoe kon. Er werden sandwiches en falafel verkocht. Dus ik ben begonnen met eten. Alleen maar eten, eten, eten. In de winkel konden we groente en vlees kopen zodat we zelf konden koken. Er waren artsen. Je kon er de zon zien. ’s Ochtends en ’s middags kon je in de buitenlucht lopen. Je hebt recht op dagelijks drie minuten telefoon. Je familie mag je komen bezoeken. Ze kunnen kleren brengen. Er is zelfs een bibliotheek. En je werd niet gemarteld’, zegt hij, terwijl hij een trekje van zijn sigaret neemt.

Maar verder waren de omstandigheden abominabel. Met zo’n honderd mensen – politieke gevangenen en criminelen door elkaar – op een cel met slechts 32 bedden. Hij zou nog zeker tweemaal worden overgeplaatst, en opnieuw worden gemarteld.

Nadat de rechtbank de behandeling van zijn zaak meer dan twintig keer had uitgesteld, was daar eindelijk het goede nieuws. Op 10 augustus 2015 werd hij vrijgelaten. Na een gevangenschap van 3,5 jaar. Darwish belandde in een totaal nieuwe wereld. ‘In je strijd om te overleven richt je je op de goede dingen en mooie beelden. In de gevangenis had ik dan ook meer hoop voor de toekomst van Syrië. Maar dan sta je op een dag buiten en word je geconfronteerd met de werkelijkheid. Ik was volkomen verbijsterd. Opeens bleken we in Syrië te maken te hebben met zoveel gewapende groepen. Veel vrienden waren ontvoerd, in de gevangenis gestorven of naar het buitenland gevlucht. Het leek wel alsof ik driehonderd jaar weg was geweest.’

Het kostte hem maanden om de situatie te begrijpen. Darwish en Bader zouden niet in Syrië blijven. In november 2015 kregen ze van de Libanese autoriteiten 48 uur om het land te verlaten. Duitsland was bereid hen op te nemen. Binnen een dag hadden ze een visum en een ticket. ‘De Duitse ambassadeur bracht ons tot aan het vliegtuig.’ En zo belandde het echtpaar in Berlijn, waar Darwish ook hulp voor zichzelf kon zoeken. ‘Ik ben voor traumacounseling naar een centrum voor slachtoffers van marteling geweest.’

Wat begon als een opstand voor een nieuw Syrië was uitgemond in een oorlog, die alleen maar wreder, complexer en internationaler was geworden. Intussen nemen Rusland, Iran, Turkije, islamitische terreurgroepen, rebellen, milities, Arabische naties en westerse landen eraan deel. De bevolking is het slachtoffer van bombardementen, belegering, uithongering, arrestaties, illegale detentie, marteling, verkrachting, executies en andere gruwelijkheden. Schattingen van het totaal aantal doden sinds het begin van de Syrische lente lopen uiteen van drie- tot vijfhonderdduizend doden. Westerse landen mogen zich blindstaren op misdrijven door Islamitische Staat, maar tijdens een conferentie begin maart in Berlijn stelde Lotte Leicht, directeur van het Europese programma van Human Rights Watch, dat het Assad-bewind samen met zijn milities en Rusland verantwoordelijk is voor negentig procent van de slachtoffers. Het regime werd recent beschuldigd van aanvallen met dodelijk zenuwgas op de stad Khan Sheikhoun. Volgens de VN is de helft van de bevolking op drift: ruim zes miljoen mensen zijn ontheemd in Syrië, terwijl vijf miljoen mensen het land ontvlucht zijn.

Hoewel de Syrische oorlog tot de ernstigste conflicten van deze tijd behoort, leek de kans op gerechtigheid ver weg toen de VN-Veiligheidsraad op 22 mei 2014 stemde over een resolutie om het Internationaal Strafhof in Den Haag het mandaat te geven om onderzoek te doen naar internationale misdrijven in Syrië en de hoofddaders te vervolgen. Dertien landen stemden voor, maar Rusland en China gebruikten hun vetorecht om het voorstel te blokkeren. Ook een apart VN-tribunaal voor Syrië zit er om deze reden niet in.

Maar twee jaar later, op 21 december 2016, nam de Algemene Vergadering van de VN een opmerkelijke resolutie aan. Terwijl de wereld via televisiebeelden zag hoe burgers uit Oost-Aleppo werden verdreven, gaven de lidstaten het groene licht voor de oprichting van een organisatie die zal gaan functioneren als een internationale ‘bewijzenbank’. Het International, Impartial and Independent Mechanism zal in Genève komen. Nederland heeft één miljoen euro toegezegd en ook andere landen dragen bij. Maar vijf maanden na de oprichting ontbreekt er nog altijd 4,6 miljoen euro op een begroting van dertien miljoen euro voor het eerste jaar.

Het Mechanism zal het bewijsmateriaal bijeenbrengen en analyseren dat tot nu toe is verzameld door Syriërs, VN-instellingen en internationale (mensenrechten)organisaties. Ook zal het dossiers voorbereiden om strafrechtelijke processen te ondersteunen, of deze nu worden gevoerd door nationale, regionale of internationale rechtbanken. Het Mechanism zal nauw samenwerken met de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, die in augustus 2011 werd ingesteld door de VN-Mensenrechtenraad om onderzoek te doen naar schendingen van het internationaal recht. Inmiddels heeft deze Commission of Inquiry twintig rapporten en notities gepubliceerd over misdrijven door het regime, rebellen en terreurgroepen, met name IS. Ze beschikt over ruim zesduizend interviews met slachtoffers van misdrijven gepleegd door de verschillende partijen in het conflict. Inmiddels heeft de commissie een lijst met daders opgesteld.

Het Mechanism zal ongetwijfeld aankloppen bij de gezamenlijke onderzoeksgroep van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens en de VN die heeft vastgesteld dat burgers tussen 2014 en 2015 driemaal door het regime met chlorinegas zijn aangevallen, en eenmaal door IS met mosterdgas. Ook de Caesar Files bevatten een schat aan informatie. Wat de forensische foto’s extra waardevol maakt is het feit dat de Syrische autoriteiten de slachtoffers zichtbaar hebben geregistreerd. Elk lichaam is voorzien van drie verschillende cijfercombinaties: de code voor de inlichtingenfaciliteit waar het slachtoffer gevangen zat; het registratienummer van de gevangene, en het nummer dat een forensische dokter toewees aan het lichaam.

In februari publiceerde Amnesty een rapport over de Saydnaya-gevangenis, waar tussen 2011 en 2015 elke week zo’n vijftig gevangenen uit hun cel werden gehaald en opgehangen. Zeker dertienduizend mensen zijn op deze manier vermoord. In mei heeft de Amerikaanse regering satellietbeelden vrijgegeven waaruit mogelijk blijkt dat bij de gevangenis een crematorium staat om de lichamen te verbranden.

‘Ik heb vele bewakers en soldaten ontmoet die zeggen dat ze niet willen martelen. Maar als zij het niet doen, doet een ander het’

De Commission for International Justice and Accountability, de onderzoeksorganisatie opgezet door de Canadees Wiley, zal samenwerken met het Mechanism. cija heeft de afgelopen jaren met een internationaal team gewerkt aan de vertaling en analyse van de zevenhonderdduizend gesmokkelde Syrische documenten die de organisatie op een geheime locatie in een West-Europees land heeft opgeslagen. Daarnaast beschikt ook cija over getuigenverklaringen van slachtoffers en insiders. ‘We werken exact zoals we voor een echt tribunaal zouden doen’, zegt cija-commissaris Alex Whiting, hoogleraar aan Harvard Law School en voorheen coördinator van strafzaken bij het Internationaal Strafhof. ‘Ik doe de strategisch-juridische beoordeling van de analyses waar onze medewerkers dagelijks aan werken, om te zien of deze voldoen aan de eisen van het internationaal strafrecht. Ik kan zeggen dat de kwaliteit van het bewijs zeer hoog is. We hebben echt zaken liggen die klaar zijn voor een proces.’

cija bouwt voort op de kennis en ervaring die de afgelopen twee decennia zijn opgedaan bij de internationale tribunalen (zoals voor Joegoslavië en Rwanda) en het Internationaal Strafhof. Whiting wijst erop dat cija een ‘nieuw model’ is, dat uit nood is geboren. Tot nu toe was het internationaal strafrecht veelal afhankelijk van de politieke wil van regeringen om tribunalen op te zetten of het Internationaal Strafhof het mandaat te geven voor onderzoek naar misdrijven en berechting van daders. ‘Syrië toont de fragiliteit van deze benadering. Ondanks de enorme schaal waarop misdrijven worden gepleegd is de internationale gemeenschap te verlamd om het strafrecht in stelling te brengen.’ Met cija, dat op eigen initiatief strafrechtelijk onderzoek is gaan doen, werd die impasse deels doorbroken. ‘Het is ongelooflijk opwindend om hieraan te werken’, zegt Whiting. Hij verwelkomt het Mechanism als een grote stap in de goede richting. ‘Het is heel belangrijk dat we blijven focussen op gerechtigheid. Door bewijzen te blijven verzamelen, zaken voor te bereiden en de discussie te voeren, zal de druk om uiteindelijk de verdachten te vervolgen alleen maar toenemen.’

Medium vrachtwagen met dokumenten

Momenteel hebben alleen nationale rechtssystemen de mogelijkheid om verdachten van misdrijven in Syrië voor de rechter te brengen. Vorig jaar liepen in Duitsland, Zweden, Oostenrijk, Finland en Frankrijk zeker elf Syrische zaken, stelt de mensenrechtenorganisatie Trial International. Er waren maar liefst drie veroordelingen, twee in Duitsland, één in Zweden, ook al moest Zweden tevens een Syriër wegens gebrek aan bewijs vrijuit laten gaan. Daarnaast vinden er in diverse Europese landen, zoals Nederland, Duitsland, Noorwegen en Zwitserland, onderzoeken plaats waar nog niets over bekend is gemaakt om slachtoffers en getuigen te beschermen en te voorkomen dat de verdachte de zaak verstoort. Het is moeilijk om exacte getallen te noemen, maar Trial International gaat ervan uit dat het in Europa om concrete onderzoeken naar tientallen verdachten gaat. De nationale autoriteiten kunnen een beroep doen op informatie van de Commission of Inquiry. Straks zal het Mechanism hierbij een hoofdrol spelen.

Duitsland behoort tot de meest actieve landen. Voor internationale misdrijven heeft het land ruime wetgeving, waarbij er ‘geen relatie met de Duitse staat hoeft te zijn’, vertelt Patrick Kroker, jurist bij het in Berlijn gevestigde European Centre for Constitutional and Human Rights (ecchr). De verdachte, het slachtoffer noch het misdrijf hoeft iets te maken te hebben met Duitsland. Kroker tekent daarbij aan dat de autoriteiten in zulke gevallen wel ‘ruime bevoegdheid’ hebben om al dan niet een onderzoek te starten. Het komt erop neer dat ze alleen actie ondernemen ‘als er bewijs is in Duitsland, en dan vooral als hier getuigen zijn’, legt de jurist uit. Met betrekking tot Syrië richten de Duitse autoriteiten zich niet alleen op individuele verdachten. Sinds 2011 lopen er ook twee bredere ‘structurele’ onderzoeken: naar misdrijven door IS, en naar misdrijven door de Syrische staat waarbij de Duitse autoriteiten beschikken over de zo goed als originele Caesar Files.

In zijn Berlijnse appartement loopt Darwish naar een kastje, trekt een lade open en haalt er een bruine envelop uit. ‘Dit is de aangifte. Het stuk telt 107 pagina’s. We hebben 443 bewijsstukken bijgevoegd’, zegt hij, terwijl hij door de papieren bladert. ‘Het is in het Duits’, glimlacht hij verontschuldigend omdat hij de taal niet machtig is. Een jaar lang werkte scm-directeur Darwish samen met Kroker van het ecchr en de Syrische jurist Anwar al-Bunni van het Syrian Center for Legal Researches & Studies aan bewijs en een juridische analyse. Op 1 maart 2017 deden de drie mensenrechtenorganisaties samen met zeven Syriërs aangifte bij de federale aanklager in Karlsruhe. Ze verzoeken de Duitse autoriteiten onderzoek in te stellen tegen niets minder dan de top van het Bureau voor Nationale Veiligheid, de hoofden van de Syrische Militaire Inlichtingendienst en haar branches 227 (in Mezzeh), 235 (Palestine Branch) en 215 (Kafrsousa Branch, oftewel Branch of Death) en regeringsvertegenwoordigers. Ze houden deze personen verantwoordelijk voor misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven gepleegd in drie gevangenissen.

Zes topfunctionarissen zijn geïdentificeerd, maar de aangifte strekt zich ook uit tot nog niet-geïdentificeerde staatsdienaren. De eerste die met naam wordt genoemd is Ali Mamluk, hoofd van het Bureau voor Nationale Veiligheid, dat ‘regelmatig orders’ krijgt van president Bashar al-Assad en toezicht houdt op de mukhabarat, zoals de vier belangrijkste inlichtingendiensten worden aangeduid.

De Duitse aangifte bestaat uit de verklaringen van in totaal twaalf getuigen die slachtoffer of getuige waren van martelingen en mishandelingen in de gevangenissen van de Militaire Inlichtingendienst. Deze detentiecentra zijn ‘verantwoordelijk voor het hoogste aantal gedocumenteerde doden’, aldus de aanklacht. (Zo zaten de meeste slachtoffers op de Caesar-foto’s in deze gevangenissen.) Daarnaast bevat de aangifte ook documenten en verklaringen over de hiërarchie en commandostructuur. ‘Ik kan er niet te veel over zeggen. Maar we beschikken over gelekte documenten van het regime. Tot nu toe hebben we veelal kopieën bij de aangifte gevoegd, maar we hopen snel de originelen te verschaffen’, stelt Kroker.

Terwijl Europese strafzaken zich veelal richtten tegen verdachten die een lage of middelhoge rang bij met name rebellen en jihadi’s hadden en zich in deze Europese landen bevonden, gaat de Berlijnse zaak nadrukkelijk over de top van de veiligheidsdiensten van het regime (net als enkele nieuwe aangiften in Frankrijk, Spanje en de VS – zie kader). ‘Zij zijn verantwoordelijk. Zij geven de orders. Zij laten deze misdrijven toe en dwingen soldaten om ze te begaan. Ik heb vele bewakers en soldaten ontmoet die zeggen dat ze niet willen martelen. Maar als zij het niet doen, dan doet een ander het. Het gaat hier om een systeem’, stelt Darwish.

De Duitse justitie reageerde snel. Al op vrijdag 17 maart was het verlossende woord daar. Darwish en zijn vrouw waren op een verjaardagsfeest toen ze het bericht kregen. ‘De Duitse aanklager gaat met onze zaak aan de slag’, zegt hij stralend, om meteen lachend zijn hoofd te schudden: ‘Nee, we konden het op dat moment niet vieren, want het gezelschap waarin we ons bevonden, is helemaal niet met dit soort zaken bezig.’

De Duitse autoriteiten zetten vaart en hebben inmiddels tien getuigen gehoord. ‘Zeker, het is op zich geweldig. Maar de weg is nog heel lang’, reageert Kroker voorzichtig. Ook Darwish bereidt zich voor op tijdrovende procedures. ‘We zullen die misdadigers niet snel in de rechtbank zien of achter de tralies hebben. Maar het zou al fantastisch zijn als er een internationaal arrestatiebevel tegen hen uitgaat.’

Ook kregen de indieners bericht van een onverwachte kant. ‘Na onze aangifte hebben hoge functionarissen die nog in Syrië zitten ons benaderd omdat ze bewijs willen leveren’, vertelt Darwish. ‘Alleen willen ze de garantie dat ze als getuigen mogen optreden en niet worden aangeklaagd als moordenaars. Mensen beginnen zich daar zorgen te maken over hun toekomst.’

Intussen bereidt Darwish met collega’s een volgende aangifte voor, tegen de inlichtingendienst van de luchtmacht, die hem zo heeft toegetakeld. ‘Dit jaar zullen we een echte start maken met gerechtigheid voor Syrië.’ Het belang ervan kan niet overschat worden. ‘Het gaat niet om wraak. Strafzaken zijn er juist op gericht de samenleving tegen wraak te beschermen’, benadrukt Darwish. Voor Syriërs is het onmogelijk om die overweldigende hoeveelheid misdrijven te vergeten.

‘Mensen willen weten wat er is gebeurd. Daders, en vooral de leiders, zullen verantwoording moeten afleggen en voor hun misdrijven moeten boeten. Welke partij het ook betreft, ik zal mijn best doen om te vechten tegen straffeloosheid. Ik zal naast elk slachtoffer staan, zelfs als ze pro-regime zijn. Zonder gerechtigheid bereiden we het land voor op een nieuwe burgeroorlog, want dan zullen mensen het recht in eigen hand nemen en wraak nemen.’

Het berechten van daders is belangrijk om Syrië in de toekomst te behoeden voor een regime, rebellen en extremisten die niet terugschrikken voor geweld omdat het toch niet wordt bestraft. Zonder gerechtigheid zal ook de vluchtelingenkwestie niet worden opgelost. ‘Syrische vluchtelingen kunnen niet terug als de oorzaak van hun lijden niet is weggenomen. Ook ik kan niet terug naar Syrië als deze misdrijven nog steeds plaatsvinden.’

Gerechtigheid zou daarom een belangrijke rol moeten spelen bij de vredesonderhandelingen die in Genève plaatsvinden. ‘Er kan alleen een politieke oplossing komen als slachtoffers zich erkend voelen, als zij goede hoop hebben dat de daders worden aangepakt en het gevoel hebben dat ze het rechtsstelsel kunnen vertrouwen. Zonder dat die stappen gezet zijn, is het niet mogelijk om vrede en verzoening in de samenleving te bewerkstelligen.’

Frankrijk, Spanje en de VS

Niet alleen in Duitsland, ook in andere landen worden pogingen ondernomen om het Syrische regime aan te pakken. Frankrijk doet specifiek onderzoek op basis van de foto’s van Caesar. Op 24 oktober 2016 deed de Frans-Syrische Obeida Dabbagh samen met mensenrechtenorganisatie FIDH bij het Tribunal de Grande Instance de Paris aangifte van de verdwijning van zijn broer en neef. Mazen en Patrick Dabbagh werden in 2013 door de inlichtingendienst van de luchtmacht meegenomen naar Mezzeh, het luchtmachtcomplex in Damascus. Daarna is niets meer van hen vernomen. De Franse justitie doet onderzoek naar marteling, verdwijning en misdrijven tegen de menselijkheid waarvoor het regime verantwoordelijk wordt gehouden. Vorig jaar juli deed de Frans-Syrische Mustafa Abdul Rahman aangifte tegen het bewind vanwege de dood van zijn broer Hicham, een Syrische arts die in 2014 stierf in een gevangenis in Damascus.

Eind maart gaf de Spaanse rechter toestemming voor een onderzoek tegen negen functionarissen van het Syrische bewind die verdacht worden van staatsterrorisme omdat ze overheidsinstellingen tegen burgers hebben gebruikt bij het neerslaan van de opstand. De aanklacht werd ingediend door een vrouw met de Spaanse nationaliteit, die aanvoert dat ze slachtoffer is van de moord op haar broer. Vier jaar geleden stierf hij in een gevangenis in Damascus. Slechts met grote moeite herkende zijn familie zijn uitgemergelde en gefolterde lichaam op foto’s van Caesar. Een van de hoofdverdachten: Ali Mamluk. De advocaten die de Spaanse zaak hebben ingediend, onderzoeken ook de dood van Abbas Khan. Deze Britse dokter was naar Syrië gereisd om slachtoffers van oorlogsmisdrijven te behandelen, maar stierf eind 2013, vlak voor zijn vrijlating, in een gevangenis in Damascus. De Syrische autoriteiten beweren dat hij zich had opgehangen.

In de VS heeft het Center for Justice & Accountability namens de familie van de vermoorde journalist Marie Colvin aangifte gedaan tegen Ali Mamluk en andere regeringsfunctionarissen.