Toneel: Lenny

Het gaat nooit over jullie

Onbedoeld, onverwacht ook misschien, lijkt de verkiezingsstrijd een goudmijn voor de voorstelling ‘Lenny’ (Noord Nederlands Toneel), ogenschijnlijk een theaterdocumentaire over de godfather van de stand-up comedy, Lenny Bruce. Niks is in deze voorstelling wat het lijkt. En iedere avond is anders.

Groningen, 8 februari 2002. Een doorloop van Lenny op de speelvloer van De Machinefabriek, de thuisbasis van het Noord Nederlands Toneel. De twee vertolkers van de titelfiguur, Hans Sibbel (Lebbis, de razende helft van het duo Lebbis & Jansen) en Raoul Heertje zijn er allebei. Raoul «doet» Lenny. Het oogstrelend lelijke decor (Nelly Blessinga), een nachtclub uit de jaren zestig van de vorige eeuw, staat opgesteld. Rechts een bar, gedomineerd door reusachtige blote vrouwen benen, links de vierkoppige band en de twee zangeressen. Er klopt een hoop niet (twee weken te gaan tot de eerste try-outs in Drachten), maar ook al opvallend veel wél — geleidelijk aan ontwikkelt zich de chemie tussen het toneelspelersensemble en de beide stand-up comedians.

Raoul Heertje houdt ons van die ontwikkelingen op de hoogte in zijn column op de voorpagina van Het Parool. Op 5 februari schreef hij: «Een paar collega’s onthulden mij het geheim van toneelspelen: luister gewoon naar wat wordt gezegd; vergeet dat je ook wat moet zeggen; niet nadenken, gewoon doen. Ik heb hun wijze raad stipt opgevolgd en word sindsdien overladen met complimenten over mijn natuurlijke spel. Eén dezer dagen moet ik ze vertellen dat mijn interesse tijdens de doorlopen niet geveinsd is. Ik ken gewoon mijn teksten niet, laat staan die van de collega’s. Ik zit volledig in het moment, omdat ik de afloop van de scènes niet kan onthouden. Nog een doorloop of drie en ik word ontmaskerd.»

Het omgekeerde gebeurt op die achtste februari. Raoul Heertje ontmaskert de kijker. Als hij midden in zijn laatste stand-up aan mij vraagt wat ik ervan vond, en ik een stuntelig antwoord geef («Veel gelachen en ook ontroerd»), schiet Lenny/Heertje uit zijn slof: «Een beetje gelachen en ook wel ontroerd. Daar was ik al bang voor. Maar we wilden wél iets veel gevaarlijkers dan dat. Maar dat gevaar, dat gaan we niet redden, meneer de regisseur, daar gaan we niet uitkomen, dit gaat mislukken.» Besmuikt lachen vanaf de kant en op de speelvloer.

Koos Terpstra wilde al langer «iets» doen met Lenny Bruce. Geen romantisch heiligenleven, zoals in de film Lenny (regie: Bob Fosse, titelrol: Dustin Hoffman, gemaakt in 1974, acht jaar na de vroege dood van de Amerikaanse koning van de stand-up comedy). Toen hij afgelopen najaar aan Lenny begon te schrijven, wist Terpstra een paar dingen zeker: de titelrol zou afwisselend worden gespeeld door Heertje en Sibbel, geen acteurs maar stand-up comedians, en: hij had al schrijvend zijn ensemble van jonge honden (de oudste acteur is 37) voor ogen, met wie hij dit seizoen al een paar enerverende ervaringen achter de rug heeft. Het script lijkt het scenario voor een work in progress, partituur voor de Onvoltooide Theateravond. Het bevat een aantal witte vlekken, die (gedeeltelijk) per avond worden ingevuld door de stand-uppers en de acteurs. Om de potentiële kloof tussen die komedianten en de toneelspelers te verkleinen (en de aandacht van het publiek gevangen te houden), introduceerde Terpstra in het script twee bemiddelende rollen: een journalist/verteller, die het verhaal bij elkaar houdt, en de manager/agent van Lenny, die letterlijk overal tussendoor manoeuvreert.

Die constructie is niet alleen slim (of handig), ze breekt de hele onderneming van meet af aan open, opdat er twee uur lang kan worden gebalanceerd tussen een theaterdocumentaire over leven en werk van Lenny Bruce, en een vertelling over begrenzingen aan de vrijheid van meningsuiting, de risico’s van eerlijkheid op een podium. De manager (een prachtrol van Rogier in ’t Hout) is de feitelijke motor van het conflict dat rondom Lenny ontstaat. Een Mephisto voor Lenny’s wankelmoedige Faust, dat is die manager. Hij jaagt hem op tot grotere originaliteit, is ondertussen de perfide verpersoonlijking van het marktdenken (dollartekens in zijn ogen vanwege de bezoekerscijfers), en als Lenny de ultieme consequenties zoekt van zijn authenticiteit, laat de manager hem keihard vallen. Via de verteller (Waldemar Torenstra) doet Terpstra een gooi naar het spel met de tijd. «We leven in 1959. Wat gebeurde er allemaal in 1959?» De mitraillerende antwoorden die de verteller op deze retorische vraag geeft, slaan in meerderheid helemaal niet op het jaartal 1959 — ook een publiek zónder encyclopedisch geheugen heeft dat snel in de gaten. En dat stelt Terpstra en zijn spelers weer in staat om de eerste helft van de jaren zestig en 2002 schaamteloos in elkaar te schuiven. De Lenny-vertolkers Raoul Heertje en Hans Sibbel worden in eerste instantie geïntroduceerd als zichzelf. Pas als dat is gebeurd, kruipen ze in de huid van Lenny Bruce, maar ze doen dat met grappen en vooral verhalen waarvoor het materiaal uit de actualiteit wordt geput. Lenny swingt door de jaren heen.

Groningen, 28 februari 2002. Try-out van Lenny in de Groningse schouwburg. Raoul Heertje heeft een stem met hilarisch-gierende uithalen, als-ie voelt dat hij een zaal te pakken heeft, grasduint hij het register van de ironie voornamelijk bij elkaar in de hoge tonen van de overdrijving. Mijn aanvankelijke bezwaar tegen de introductie van Heertje als in de eerste plaats zichzelf, en pas daarna als Lenny, maakt deze avond plaats voor bewondering en ontroering. De performer Raoul Heertje wordt steeds meer één met de man die voor hem een groot voorbeeld is, hij toont zijn adoratie zonder kruiperigheid, hij transformeert naar een bijna teder geboetseerd portret van zijn held.

In het laatste stand-up-nummer van de voorstelling, als Lenny zijn makkers, zijn clubs, zijn manager, zijn reputatie en zijn ge liefde heeft verloren, spreekt hij zacht, neemt hij pauzes. En hij richt zich rechtstreeks tot ons. «Het gaat nooit over jullie» — ons wordt hier met vitriool de oren gewassen, de stupide passiviteit van het ondergaan van een voorstelling wordt een gezamenlijke, pijnlijke en wanhopige ervaring. Het is een demonstratie van radeloosheid, met de vraag: «Als alles al is gezegd, wat valt er dan in godsnaam nog te zeggen?» Doeltreffend, maar niet afdoende omschreven. Als het goed gaat, begint Lenny precies op dat moment te schuren, wordt de productie schrijnend, tot op de pijngrens van irritatie. Volgens vrijwel iedereen gaat het vanavond «wel redelijk», maar niet goed genoeg. De makers van Lenny hebben de mateloze ambitie om iedere avond opnieuw de spanning van het moment op te zoeken.

Met een acteurstroep vol opgefokte ego’s zou een dergelijke ambitie evenveel kans maken als een sneeuwbal in de hel. Terpstra en zijn mensen hebben gelukkig in een betrekkelijk korte tijd een ensemble op poten gezet waarbinnen men bepaald niet lief is voor elkaar, waar men elkaar permanent uitdaagt. Acteurs en stand-uppers zijn aan elkaar gewaagd. Wolter Muller, Lotje van Lunteren en Martijn de Rijk spelen collega’s van Lenny die het vak nog onder de knie moeten krijgen. Ze blijven ondertussen ook acteur. Dat levert fraaie confrontaties op, zoals de scène waarin de toneelspelers aan de comedian uitleggen hoe emotie op een podium werkt. De come dian is van zijn kant ook niet te beroerd om aan de acteurs te vertellen wat de basisprincipes van de stand-up zijn: het moet kloppen bij wie je bent, je moet je meten met de wereld, het gaat niet om de ultieme grap maar het moet wel grappig zijn, en er is een reeks afspraken met het publiek.

Terpstra heeft aan het wankele evenwicht tussen ogenschijnlijk verschillende podiumgenres in zijn script en in zijn regie een element toegevoegd — misschien is het er onbewust ingeslopen. Al bij eerste lezing van de toneeltekst meende ik te voelen dat er méér op het spel moet hebben gestaan dan een eerbetoon aan Lenny Bruce en de hommage aan een theatraal genre waaraan Terpstra zijn hart al jarenlang heeft verpand. Script en voorstelling vertonen namelijk ook autobiografische trekken. Terpstra weet uit ervaring dat het kortlopende bondgenootschap dat toneel maken altijd is, gekenmerkt kan worden door een bloedspoor van verraad en lafheid. En Terpstra kent als geen ander het moorddadige verwijt van moralisme, terwijl je eigenlijk alleen maar iets over de eigen tijd wilt vertellen. Verraad en moralisme, dat zijn twee zaken die Lenny Bruce striemend moeten hebben getroffen. Dat Terpstra die twee aspecten niet uit de weg is gegaan, maakt van Lenny een integere, persoonlijke voorstelling over de pijn van toneel maken.

Zutphen, 7 maart 2002. Theater De Hanzehof is behoorlijk gevuld. De inspanningen van het Noord Nederlands Toneel om veel jong volk in de zaal te krijgen, lijken geslaagd. Lenny wordt vanavond gespeeld door Hans Sibbel. Hij heeft er zin in. De gemeenteraadsverkiezingen en het ontluisterende lijsttrekkersdebat zinderen nog na. Hans warmt de zaal op met een stel heel foute en zeer hilarische Pim Fortuyn-grappen. De verkiezingsstrijd zal nog een goudmijn worden voor deze voorstelling — de laatste Lenny speelt één week vóór 15 mei. Sibbel/Lebbis/Lenny werkt vanavond toe naar een keelsnoerend mooie slot-stand-up, weer met dat tergende «Het gaat nooit over jullie» als openingszin. Hans Sibbel is hier op een heel andere manier op dreef dan de razende podiumorkaan die we van hem kennen. Hij jent en hij pest, hij fileert en hij scalpeert. Na afloop is-ie overigens niet tevreden. «Het kan beter, het moet beter.»

In de spelersbus naar Amsterdam corrigeert Hans Sibbel met zachte hand de striemend bedoelde begroeting die Lotje van Lunteren vanavond voor het Zutphense publiek in petto had («Hallo Almelo»). Samen repeteren ze nog een paar vette taxichauffeurgrappen voor de openingsscène. Nee, deze troep theaterbeesten is nog lang niet klaar met Lenny.

Lenny speelt nog t/m 7 mei 2002 overal in het land. Inlichtingen en speellijsten: Noord Nederlands Toneel, 050-3113388, info@nnt.nl, www.nnt.nl