Interview Thé Tjong-Khing

«Het gaat om de illusie»

Afgelopen zondag ontving Thé Tjong-Khing de Gouden Penseel voor zijn tekeningen in ‹Het woordenboek van Vos en Haas›. De zeventigjarige kinderboekenillustrator kreeg de prijs voor de derde keer. Een boekkunstenaar? «Dat woord alleen al!»

In veel vaderlandse leeshoofden moeten plaatjes zijn opgeslagen van de hand van Thé Tjong-Khing, ook zonder dat die naam er bewust aan vastzit. In de afgelopen veertig jaar illustreerde Thé minstens honderd kinder boeken. Hij maakte barokke prenten voor Abeltje, intieme zwart-witschilderijtjes bij Guus Kuijers Eend voor eend, en naast Miep Diekmans versjes in Wiele wiele stap plaatste hij een overvloed aan vertederende, uit het leven gegrepen peuters. Zijn levenswerk in eigen en ook andermans ogen wordt gevormd door de ragfijne tekeningen voor Els Pelgroms Kleine Sofie en Lange Wapper.

Afgelopen zondag ontving de zeventigjarige illustrator uit handen van de staatssecretaris van Cultuur de derde Gouden Penseel in zijn carrière. De bekroning geldt een woordenboek voor jonge kinderen, waarin Vos en Haas met collega-dieren de taal uitbeelden in een soort mini-toneelstukjes. Hoeveel priegeltekeningen hij maakte, weet hij precies: 403, en het was geweldig om te doen. Moeilijk was het ook, want hoe verbeeld je abstracte begrippen als «vrij» of «puur»?

Op verzoek geeft Thé uitleg bij zijn voor ons moeilijk te onthouden drieledige naam: «Ik kom uit een Chinese familie en woonde tot mijn 23ste in Bandoeng op Java. Thé is de familienaam, Tjong is de naam voor alle mannelijke leden van mijn generatie en Khing is mijn voornaam. Dus Tjong is voor mijn broers en neven, en de generatie van mijn zoons heet dan niet Tjong, maar Gwan.»

Tjong-Khing betekent volgens sommigen «eer bewijzen aan wat mooi en goed is», volgens anderen «mooi uitgewerkt paleis». Hadden zijn ouders daar een bedoeling mee? Thé: «Ik kwam helemaal niet uit een artistiek milieu. Mijn familie zat in de handel. Ik begon als klein kind te tekenen, zonder aanwijsbare reden. We hadden thuis een groot schoolbord en daar zat ik de hele dag voor. Mijn moeder vertelt dat ik altijd tekende waar we geweest waren, dus tantes en ooms of de paarden van de races. Mijn ouders vonden het vast raar, maar ze lieten me mijn gang gaan. Ik was vreselijk verlegen. Als iemand maar naar me keek, wist ik niet hoe ik moest staan en mijn handen moest houden. Dat schoolbord had iets veiligs, met mijn rug naar al die kijkende ogen.

Toen ik een jaar of tien was, wist ik al dat ik met tekenen mijn brood wilde verdienen. Boeken waren in die tijd in Indië zeldzaam, maar wij hadden thuis de Bruintje Beer-albums en sprookjesboeken met prachtige platen van Rie Cramer en Arthur Rackham. Daar keek ik heel veel in. Dan schreef ik verhaaltjes en maakte daar Rackham-achtige tekeningen bij. Ik was vooral bezig om de afloop van een sprookje te veranderen. Bij Sneeuwwitje bijvoorbeeld vond ik de straf voor de boze stiefmoeder niet zwaar genoeg en verzon ik iets veel gruwelijkers dan dansen op een gloeiende plaat.

Mijn vader had vier dochters en een zoon. Maar één Thé Tjong dus. Hij was op een vreemde manier trots op mij. Hij had een zoon die iets eigenaardigs kon, namelijk tekenen. Als er bezoek kwam, moest dat in een kring gaan zitten, met het schoolbord centraal opgesteld en mij ervoor. En dan gaf vader opdrachten: ‹Donald Duck rennend — Mickey Mouse boos!› Het moest zo snel mogelijk en als ik fouten maakte, werd hij kwaad. Vreselijk was het, maar als kind doe je zoiets. Ik was dan wel de enige zoon, maar de verkeerde. Ik had eigenlijk zijn werk moeten overnemen, een restaurant moeten beginnen, ingenieur of dokter worden. Maar ik ging tekenen! Hij heeft mij nooit gezegd dat het niet mocht, want wij spraken elkaar zelden. Dat ik naar de kunstacademie ben gegaan moet een enorme teleurstelling voor hem zijn geweest. Daar heeft hij zich nooit overheen kunnen zetten.»

Twee jaar zat Thé op de academie, toen werd het te ingewikkeld om te volgen. «Ik ben in een rare maatschappij opgegroeid: Nederlands, Indonesisch, Chinees en Arabisch. Dat was pas multicultureel! Chinees spraken we al een aantal generaties niet meer. Thuis was het Nederlands, dat wil zeggen Indisch. Dat is Nederlands op z’n tante Liens. Indië was immers een kolonie, en als je wat wilde bereiken, moest je Nederlands praten. Maar toen ik na de Japanse bezetting op de middelbare school kwam, zat ik daar tussen Nederlandse jongens die uit de kampen kwamen en ik had moeite om ze te verstaan. We kenden ook een eenvoudig soort Maleis, het zogenaamde passer Maleis, maar geen Bahasa Indonesia. Dat was Maleis waar ze een grammatica bij hadden bedacht. In mijn academietijd kwamen er met de politieke veranderingen steeds meer docenten die Bahasa spraken. Dat kon ik niet goed genoeg volgen. Idioot maar waar: ik woonde in Indonesië en sprak geen Indonesisch. Qua taal hoorde ik nergens thuis. En met de nieuwe politiek had ik ook geen affiniteit. Wij waren tenslotte Chinezen. Bovendien wist ik dat er voor een illustrator niets te doen zou zijn. Het land was veel te arm en niemand las. Als ik mijn brood wilde verdienen, moest ik naar Nederland.»

Met een studentenvisum ging Thé naar de academie in Amsterdam. Omdat daar geen illustratieafdeling was, probeerde hij de reclame. Toen dat net als de lerarenopleiding niets voor hem bleek te zijn, zocht hij zijn toevlucht tot Marten Toonder. Thé: «Ik liet er werk achter en kreeg de bekende brief, dat het heel mooi was, maar niet wat ze zochten. Zo doemde de terugtocht naar Indonesië op en dus heb ik ze gevraagd om een maand in een hoekje te mogen zitten, eventueel zonder betaling. Ik bood zelfs aan de vloer te dweilen. Daar gingen ze op in en toen heb ik geprobeerd mezelf onmisbaar te maken. Ik zag dat een van de tekenaars elk weekend werk mee naar huis nam. Hem bood ik aan te helpen. Het lukte me om in zijn stijl te stappen. Tijdens mijn jaarlijkse melding bij de vreemdelingenpolitie kregen ze door dat ik niet langer studeerde en moest ik op stel en sprong terug. Toen heeft Marten Toonder zelf gezorgd dat ik kon blijven.

Ik was dolgelukkig dat ik striptekenaar was. In Indonesië zag ik elke film. Mijn vader exploiteerde een tijdlang een bioscoop. Ik mocht altijd binnen en als ik voor een film te jong was, verstopte ik me in de projectiekamer. Ik tekende eindeloos al die filmsterren, ontwierp eigen films en maakte levensgrote affiches. Strip lijkt een klein beetje op film. De tekenaar heeft daar het verhaal in de hand. Hij kan bepalen wanneer de kijker in spanning moet zitten of schrikken. Er is wel een scenario, maar de tekenaar kan zeggen: hier wil ik vijf plaatjes in plaats van twee, omdat ik de spanning wil oprekken. Ik was ook mateloos gefascineerd door belichting. Als iemand bijvoorbeeld een close-up krijgt en hij is verdrietig, waar komt dan het licht vandaan? Dat probeerde ik ook in strips, met zwart en wit en schaduw. De film heeft mij geweldig beïnvloed.»

Thé’s carrière als striptekenaar verliep voorspoedig, met eind jaren zestig bijvoorbeeld de — niet voor kinderen bedoelde — sciencefictionstrips Iris en Arman en Ilva. Toch begon het hem te vervelen: «Er is weinig variatie. Je hebt altijd dezelfde hoofdpersonen. Miep Diekman heeft me toen aan het kinderboek gezet. In die tijd gold dat je stom was als je strips las. En als je het niet was, dan werd je het wel. Daar was Miep het niet mee eens en ze wilde een strip tekenaar om haar Total Loss, weet je wel te illustreren.»

In Thé’s werk is een duidelijke ontwikkeling zichtbaar. Wiele wiele stap (1977) moet het vooral van de kale lijn hebben. In het tot op de millimeter uitgewerkte Kleine Sofie en Lange Wapper (1984) speelt de illustrator een adem benemend spel met licht en donker en wordt de grote verhalende kracht van zijn tekeningen zichtbaar. Thé: «Het was een ongelooflijke opdracht. Meestal krijg je van je uitgever een maand en een beperkt aantal tekeningen. Nu was ik vrij in mijn tijd en de hoeveelheid prenten. Tweeëneenhalf jaar heb ik eraan gewerkt. Omdat ik in die periode mijn knie brak, kon ik ook weinig anders. Heel belangrijk was natuurlijk de kwaliteit van de tekst.

Sofie gaat dood en daarom wilde ik het heel voorzichtig houden. Haar leven hangt aan een zijden draad. Dat was mijn houvast. Het moest als een droom zijn, net niet echt. Alsof de figuren niet op de grond lopen, maar er een eindje boven zweven. Het probleem was eigenlijk dat dit het mooiste boek van mijn leven moest worden. Ik zat krampachtig mijn meesterwerk te tekenen! En ik ben geen begenadigd tekenaar die hier begint en als hij daar is aangekomen is het af. Sommige tekeningen deed ik wel twintig keer over.

Illustreren is het leukste wanneer je je invalshoek hebt gevonden. Op het moment ben ik met de bijbel bezig. Jozef moet in de put gegooid worden. Wat teken je dan? Wat maakt zo’n tekening spannend? Ik wilde dat gedoe om hem in die put te krijgen laten zien, maar het bleef een plaatje. Toen heb ik alles naar de linkeronderhoek van het papier verplaatst en er allemaal planten omheen getekend. Wat daar gebeurt, is iets vreselijks. Het is een zonde en dat moet in het geniep. De rest van het blad is kale woestijn. Dat is de onschuld. Toen ik dat gevonden had, was ik in de zevende hemel. Iedereen die iets maakt, staat voor iets soort gelijks. Ik zag Elisabeth Schwarzkopf ooit haar beruchte masterclass geven. Heel mooi, zei ze tegen de zangeres. En nu ga je het zingen. Dat bedoel ik.»

Anders dan sommige collega’s tekent Thé graag en goed mensen. Hij dankt dat aan zijn jarenlange ervaring met strips, maar vooral aan zijn spiegel. «Ik ga ervoor staan en neem welke stand dan ook aan. Ik ben mijn eigen model. Mijn vrouw poseert ook wel eens, maar die doet het verkeerd. Ik vraag haar bijvoorbeeld om heel moe te gaan zitten. Dat ziet er wel moe uit, maar voor een tekening is het niet effectief. Standen die op een tekening natuurlijk lijken, zijn niet per se natuurlijk in het echt. Het gaat niet om de realiteit, maar om de illusie.

Ik kan mezelf arrangeren tot ik precies heb wat ik wil en dan maakt het niet zo veel uit of het moet dienen voor een kip, een meisje, een oude vrouw of een kameel. En als ik kleine kinderen moet tekenen, denk ik aan mijn eigen jeugd. Wat deed ik bijvoorbeeld wanneer ik bang was? Het heeft geen zin om kleuters te gaan observeren, want die zijn niet op commando bang. Omdat ik zo verlegen was, was ik me altijd bewust van wat ik deed. Een spreekbeurt houden! Ik kan je zo voordoen hoe ik stond. Ik zag mezelf altijd door de ogen van anderen, en van die ellende toen heb ik nu profijt.»

Thé is er zich altijd van bewust dat hij voor kinderen werkt: «Ik zou nooit alleen smurfen gaan tekenen, omdat ik weet dat kinderen daar dol op zijn. Maar ik zal ook nooit een abstracte tekening maken, omdat ik weet dat ze daar niets in zien. Ik hoor nu eenmaal bij een kinderpubliek, want er worden geen romans geïllustreerd. Met mijn werk help ik bovendien de kinderen die net zo moeizaam lezen als ik vroeger: van tekening naar tekening. Elk plaatje was voor mij een beloning. Zelf vind ik een illustrator dus nuttig en belangrijk voor een kinderboek, maar ik heb nooit gemerkt dat anderen dat ook vinden. Plaatjes zijn onder geschikt, want daar word je niet wijzer van. Woorden, daar leer je van. Dat merk ik ook wanneer schrijver en tekenaar van een boek gelijktijdig worden geïnterviewd. Dan zijn er honderd vragen voor de auteur en één voor de tekenaar! Als er überhaupt iets aan me wordt gevraagd. Ik heb het nooit anders meegemaakt. Eerlijk gezegd denk ik zelf ook: wat moet je een tekenaar vragen? Iedereen denkt iets van woorden te weten, maar de meeste mensen roepen: ik kan niet tekenen, hoor!

Ik krijg zeker waardering en mijn vrienden kennen mijn werk. Maar als ze me in een vreemde omgeving vragen wat ik doe en ik zeg illustrator, is de reactie: o geweldig, zit je in de reclame? Dan vertel ik dat ik kinderboeken illustreer en is het gesprek direct afgelopen. Dat ik er mijn hele leven mee ben doorgegaan komt omdat ik echt niks anders kan, al sinds ik achter dat schoolbord stond. Ik vind het heerlijk om een verhaal te vertellen, om in elk geval mee te vertellen. Ik bedenk wat ik erger of minder erg kan maken. Een mevrouw is onsympathiek, maar ik vind haar best aardig, dus die teken ik aardiger dan de schrijver haar bedacht heeft. Zo speel ik toch nog een beetje de regisseur.»

Op de mededeling dat hij ergens ooit een «boekkunstenaar» is genoemd, reageert Thé gebeten: «Dat woord alleen al! Ik voel me helemaal geen kunstenaar. Ik maak een plaatje bij een verhaal. Ik bewonder Harrie Geelen. Hij zit in het schemergebied tussen vrije kunst en illustreren. Zijn werk kun je ophangen in een lijstje. Als ik een verdrietig plaatje wil maken, teken ik een kind dat huilt. Een schilder laat het bijvoorbeeld zien in kleur. Nergens zie je een droevig oog of een traan. Het is geabstraheerd en dat staat voor mij op een hoger plan. Ik streef dat niet eens na, want het staat veel te ver me af. Net als het ingenieur worden wat ik van mijn vader had gemoeten. Ik ben een illustrator.»

Het woordenboek van Vos en Haas is geschreven door Sylvia Vanden Heede en uitgegeven bij Lannoo