Daphina Misiedjan – ‘Kleine machtige groepen bepalen nog te veel hoe het leven van grotere kwetsbare groepen eruitziet’ © Werry Crone / ANP

De voorliefde die Ella Kissi-Debrah voor sport voelde was grenzeloos. Op haar tweede trok ze het shirt van de Millwall FC Little Kickers aan. Op haar vierde beklom ze voor het eerst de evenwichtsbalk van haar gymclub en later blonk ze uit in zwemmen en dans. De kleine Ella was springlevend, energiek en verkeerde in blakende gezondheid. Op haar zevende ontwikkelde het Londense meisje echter iets wat niet te rijmen viel met haar vitaliteit: een chronische longaandoening.

De verklaring is te vinden in een akelige geografische realiteit. Haar sociale huurhuis stond in Lewisham, een wijk in Zuidoost-Londen op minder dan dertig meter van South Circular Road, een belangrijke verkeersader van de hoofdstad. Een omgeving blauw van de smog, waar de wettelijke EU-limieten van fijnstof en stikstofdioxide voortdurend ver werden overschreden. De blootstelling aan die giftige dampen werd de negenjarige Ella, dertig opnames op de spoedhulp later, in 2013 fataal.

Ella Kissi-Debrah is het gezicht van een even dodelijk als complex probleem: Britse luchtvervuiling. Een problematiek waarvan de draaglast bovenmatig op frêle schouders als de hare belandt. Het meisje was kwetsbaar in alle opzichten. Kissi-Debrah behoorde tot een segment van de maatschappij voor wie ziektekosten en toegang tot medische informatie of kennis over luchtvervuiling geen vanzelfsprekendheid is. Een sociale groep waar zelden naar wordt omgekeken. Het toont milieu als afgetekend gelijkheidsvraagstuk. Een hardnekkig cliché werd nog maar eens bewezen: de plek waar je wieg staat, bepaalt in grote mate je lot.

De stilte rond zulk sociaal onrecht wordt in de klimaat- en milieudiscussie nog onvoldoende doorbroken, vindt Daphina Misiedjan (33). Ze is universitair docent mensenrechten en milieu aan het International Institute of Social Studies van de Erasmus Universiteit Rotterdam. In haar werk verbindt ze mensenrechten met milieu en sociale rechtvaardigheid. Kissi-Debrah was een treffende uiting van milieu-ongelijkheid, hoe kwetsbaren altijd onderdoen, zegt ze. ‘Het was een opeenstapeling van ongelijkheid, van kwetsbaarheden. De goedkope grond van gebieden waar vervuiling voorkomt, de kleine behuizing, de slechte kwaliteit van de woningen, de geringe isolatie, de tere longetjes van een kind. Luchtvervuiling jaagt nu eenmaal vooral op kinderen, ouderen, armen en mensen van kleur, op kwetsbare gemeenschappen. Ja, sociale verschillen bestaan al. De klimaat- en milieucrisis legt alleen een vergrootglas op die ongelijkheden.’

Van extreme hitte, zeespiegelstijging, luchtvervuiling tot waterschaarste. Het groeiende onheil van de klimaat- en milieucrisis hangt iedereen boven het hoofd. Maar of het nu het mondiale zuiden is of groepen onder aan de sociale ladder in Europa, kwetsbaren doen structureel onder, zegt Misiedjan. Tijdens haar onderzoeken in Suriname, Zuid-Afrika en Jemen zag ze hoe milieu verband hield met grotere vraagstukken als onderwijs, gezondheid en wonen. Sindsdien kan ze het niet loskoppelen van de sociale context. Maar het is volgens haar een misvatting dat het uitsluitend een noord-zuid-tegenstelling is. ‘Milieu en klimaatongelijkheid creëert ook binnen landsgrenzen verschillen. Het gebeurt gewoon onder onze neus.’

Als tiener bevond Misiedjan zich te midden van het klassieke rollenspel op de middelbare school waar het stugge besluitvormingsproces van de Verenigde Naties werd nagebootst. Het merendeel van haar klasgenoten bleek vooral geïnteresseerd in de VN-Veiligheidsraad, waar de zogeheten ‘grote’ beslissingen werden genomen rond interventies en conflicten. Van die woelige debatten zonderde Misiedjan zich samen met een groepje klasgenoten af om socio-economische en culturele kwesties te bespreken. Dáár lag haar affiniteit. Het was de tijd van een heet hangijzer: het bedwingen van de hiv-crisis.

Ze begon zich te beraden over de lived experiences, de werkelijk beleefde ervaringen van mensen. Meer dan ooit zag ze het belang van empathisch vermogen in. Het is die vorm van solidariteit, dat gevoel van verbinding, waar de grote klimaat- en milieuvraagstukken vandaag om vragen. ‘Het zijn geen koude casestudy’s of droge statistieken. Het gaat om mensenlevens. En dat is ook iets wat we moeten erkennen in de zoektocht naar goede oplossingen.’

In de jaren vijftig verschenen haar Surinaamse tantes en ooms elke maandag met pasmunten op zak op school. Om ze vervolgens met gepaste trots in een verzamelpot te deponeren. Het geld ging per post naar Nederland om de wederopbouw van de watersnoodramp in Zeeland te steunen. ‘Het creëerde een gevoel van opwinding. Dat je mocht bijdragen aan iets wat groter was dan jezelf.’

Diezelfde solidariteit is volgens Misiedjan doorgaans ver te zoeken in de klimaat- en milieudiscussie. Zo werd de afgelopen jaren weinig vooruitgang geboekt in het verhogen van de klimaatsteun – het Parijsakkoord beloofde honderd miljard dollar per jaar – aan het mondiale zuiden. Integendeel: de oesotelde in 2019 een bijdrage van 79 miljard dollar, minder dan het voorgaande jaar. ‘Vaak zeggen mensen: iedereen moet de kans krijgen op een goed leven. Maar ik denk echt dat het een récht is. En dat schept nu eenmaal plichten bij mensen in machtsposities. Maar die klampen zich zo lang mogelijk vast aan de status quo. Er mag niet getornd worden aan de maatstaven die we gewend zijn.’

Het recente VN-rapport waarin de benarde klimaatsituatie andermaal werd beschreven was een zoveelste les. Het huidige economische systeem voedt de milieu- en klimaatcrisis inherent. En die houding maakt het formuleren van een goed antwoord op de steeds luidere schreeuw om rechtvaardigheid behoorlijk ingewikkeld. ‘Een ander scenario vraagt nu eenmaal om een ongeziene omwenteling’, zegt Misiedjan. ‘Echte verandering komt immers niet met een comfortabel en makkelijk antwoord.’

‘Het ontbreken van de stem van het mondiale zuiden vertroebelt onze kijk op klimaatverandering’

Precies in het formuleren van dat antwoord wordt de stem van kwetsbare groepen nog te vaak gedimd. Recent internationaal onderzoek wees uit dat klimaatwetenschappers uit het mondiale zuiden de grootste moeite hebben om gepubliceerd te worden. Van de honderd meest geciteerde onderzoekspapers over klimaatverandering tussen 2016 en 2020 werden achtergronden van zo’n dertienhonderd auteurs nageplozen. Negen van de tien onderzoeken waren Europees, Noord-Amerikaans of Australisch. Minder dan een procent van de auteurs was gevestigd in Afrika. En een oprechte discussie over klimaatrechtvaardigheid zonder de inzichten van mensen uit het zuiden, de regio’s die het zwaarst door klimaatverandering worden getroffen? Dat wringt. Volgens Misiedjan creëert het academische systeem simpelweg geen ruimte voor die stemmen. Belangrijke perspectieven worden genegeerd. ‘Dat staat het wereldwijde begrip van klimaatverandering in de weg.’

Vertellen we door het gebrek aan diversiteit in de analyse van het klimaatprobleem het verkeerde verhaal?

‘Het moet duidelijker zijn vanuit welk perspectief een bepaald onderzoek is gevoerd, een bepaald verhaal is verteld. Als wetenschapper hoor je zogezegd objectief te zijn, maar in de academische wereld leven we in de waan van objectiviteit. Ik heb altijd geleerd uitgebreid verantwoording af te leggen waarom je een bepaald onderzoek doet en hoe, wie je bent, waar je je informatie vandaan haalt. Die openheid over de eigen ervaring, de eigen bagage, ontbreekt vaak. Maar die is essentieel in het beoordelen van klimaatstudies.

Wetenschappers uit het zuiden verrichten hun onderzoek vaak lokaal. Ze besparen zich ook niet de moeite om hun conclusies heel erg te positioneren, om de context te schetsen waarbinnen hun conclusies zijn ontstaan. Wetenschappers uit het mondiale noorden dragen hun conclusies vaak voor als een algemene waarheid, zonder al te veel kanttekeningen. Alleen al hoe wetenschappers uit beide contexten zich presenteren is dus compleet anders.’

Verschillende ngo’s pleitten vorige maand voor uitstel van de klimaattop in Glasgow. Kwetsbare groepen zouden door de pandemie onvoldoende uitgerust zijn om deel te nemen. Hoe belangrijk is het dat zij aan de onderhandelingstafel zitten?

‘Kleine machtige groepen bepalen nog te veel hoe het leven van grotere kwetsbare groepen eruitziet. Lokale gemeenschappen horen de kans te krijgen om met hun eigen oplossingen voor de klimaatcrisis te komen. Sterker, ze hebben dat recht. Zij worden immers als eerste en het hardst getroffen. Het ontbreken van de stem van het mondiale zuiden vertroebelt onze kijk op klimaatverandering. Want het uitwissen van deze stemmen betekent het uitwissen van mogelijke oplossingen, ideeën en innovaties. Het zijn deze mensen die klimaatverandering als een realiteit begrijpen, omdat zij de gevolgen ervan al ondervinden. Zij kunnen de dreiging van klimaatverandering het best verwoorden.’

Zelfs als de kwetsbare groepen aan de onderhandelingstafel zitten, blijft het de vraag of er naar hen wordt geluisterd, stelt Misiedjan. ‘Nog steeds voeren economische belangen de boventoon. Wil je echt naar deze mensen luisteren, dan moet je zaken indringend omgooien en loskomen van dat kapitalistische denken. Ik weet dus niet of de huidige tafels bedoeld zijn voor de kwetsbaren, om daaraan plaats te nemen. Die zijn gemaakt voor mensen met macht. Niet voor de kleine boer uit Suriname of de lokale bewoner in Sint Maarten. De mensen met macht zijn er structureel op gericht om met een minimum aan maatregelen genoegen te nemen. Terwijl vanuit het perspectief van kwetsbare groepen de urgentie om zo veel mogelijk te doen heel groot is. Maar tegelijkertijd laten kleine groepen zich niet onbetuigd. Ze bewandelen alternatieve wegen om de rechtvaardigheid af te dwingen. Ze stappen naar de rechter. Hun protest neemt toe, ze mobiliseren zich. De nood is immers hoog, de marges worden steeds kleiner.’

Het werd Rosamund Kissi-Debrah nooit verteld. Bij de schade die de giftige lucht aanrichtte aan de longen van dochter Ella stond ze nooit stil. Verhuizen kwam nooit in haar op. Pas na Ella’s tragische dood werd ze een onvermoeibare stem voor schone lucht. En Rosamund had het recht aan haar zijde. De zwart-op-witte vaststelling van Ella’s doodsoorzaak die ze eind vorig jaar bij de rechter bedong, was historisch. Voor het eerst werd luchtvervuiling – de Wereldgezondheidsorganisatie spreekt van jaarlijks zeven miljoen doden – officieel aangemerkt als doodsoorzaak.

De lange strijd om gerechtigheid was er eentje tegen alle kansen in, gekenmerkt door een bijzondere strijdlust. De zaak toont hoe kwetsbare groepen behoefte hebben aan sterke medestanders, zegt Misiedjan. ‘Want het pijnlijke is: het wordt blijkbaar politiek geaccepteerd dat in zulke wijken vervuiling plaatsvindt. Omdat deze groepen vaak als minder mondig, minder krachtig worden gezien. Wat Rosamund immers deed, had nog nooit iemand gedaan. Het was onontgonnen terrein. Want de spreekwoordelijke wapens oppakken, ergens een conflict over aangaan, blijft een luxe, een privilege. Naast Ella zijn talloze andere kinderen met dezelfde sociale achtergrond slachtoffer van luchtvervuiling. Maar hun ouders hebben niet de kracht of capaciteit van Ella’s moeder om zich sterk te maken.’

De uitspraak betekende een steun voor het politiek afdwingen van noodplannen tegen vervuiling, zoals lage-uitstootzones of de uitbreiding van wandel- en fietspaden in de Britse hoofdstad. Stilaan wordt het juridische systeem een medestander in het afdwingen van milieu- en klimaatrechtvaardigheid. Begin deze maand nog erkende de VN-Mensenrechtenraad de toegang tot een schoon en gezond milieu als mensenrecht. Ook stemmen om ecocide een plek te geven in het internationaal strafrecht klinken steeds luider. De tikkende klok van de klimaatcrisis en de steeds kleiner wordende marges van de milieucrisis motiveren ook rechters om de politiek zo nu en dan een tik uit te delen.

Is er voor kwetsbare groepen voldoende ruimte om hun rechten op te eisen?

Gewapend met dat idee en gedesillusioneerd door de onbuigzaamheid van de politieke besluitvorming roeren burgers zich steeds nadrukkelijker. In het opschudden van die vastgeroeste hiërarchie worden markante successen geboekt. Urgenda won een rechtszaak tegen de staat om de klimaatambitie te verscherpen. Milieudefensie kreeg Shell recent nog op de knieën. Wat deze evolutie leert? Dat de straffeloosheid en de bedenkelijke verantwoordelijkheidszin van instituten grenzen kent, zegt Misiedjan. Het is een waarschuwingssignaal om niet langer met minimale maatregelen genoegen te nemen. ‘Staten kunnen zich niet committeren aan verdragen om deze vervolgens achteloos naast zich neer te leggen. Steden kunnen niet langer beleid maken zonder aan het welzijn van hun burgers te denken. Bedrijven kunnen niet langer ongerept groeien en vervuilen zonder zich aan de minimale regels te houden.’

In de Urgenda-zaak waren de eisers witte hoogopgeleide burgers die de staat ter verantwoording riepen. Die samenstelling legt een veelbetekenende kloof bloot. Want is er voor kwetsbare groepen voldoende ruimte om hun rechten op te eisen? Het blijft een voorrecht om klimaatongelijkheid te bestrijden, zegt Misiedjan. ‘En dat is vooral weggelegd voor burgers met tijd, ruimte en toegang tot informatie. Want leef maar eens in een situatie van armoede, stress of schulden. Kijk maar eens simpelweg andere problemen in de ogen. Waar haal je dan de mentale ruimte vandaan om zo’n strijd vorm te geven? De energie om zo’n strijd te kunnen voeren? Laat staan een procedure die jaren aansleept. Alleen mensen met een maatschappelijke machtspositie kunnen dat opbrengen. Dat maakt de verantwoordelijkheid van stichtingen en ngo’s, zoals Urgenda, om die groepen te ondersteunen des te groter.’

De toehoorders op de persconferentie in 2017 waarin premier Mark Rutte de ontreddering op Sint Maarten na orkaan Irma adresseerde, zagen Rutte in zijn gekende stijl. Met een stelligheid en een ernst zoals alleen hij die kan belichamen stelde hij de inwoners gerust: ‘Wij laten Sint Maarten niet in de steek.’ Want er was haast geboden. Orkaan José was immers alweer in aantocht.

Met terugwerkende kracht had zijn optreden een wrange nasmaak. De stroeve afwikkeling, met name het politieke gesteggel om noodhulp, riep immers ongemak op. Volgens de directeur van de plaatselijke Centrale Bank werd die ondersteuning ‘gegijzeld door bureaucratie’. Vorig jaar, tweeënhalf jaar na de verwoesting, was nog maar zeven procent van de toegezegde 550 miljoen dollar uitbetaald.

Die traagheid zegt iets over de gelijke rechten voor Nederlandse burgers in kwetsbare delen van het koninkrijk, vindt Misiedjan. ‘Die zijn niet structureel gewaarborgd, politiek niet vastgelegd. Alleen al op papier bestaat die ongelijkheid. Waarom bijvoorbeeld bestaat binnen het koninkrijk geen overkoepelende klimaatovereenkomst? Dat een groot deel van ons koninkrijk in kwetsbaar gebied ligt, schreeuwt daar immers om. Deze mensen zijn ook gewoon Nederlandse inwoners. Met gelijke rechten. Hoe waarborgen we die voor de toekomst? Want dit zal niet de laatste keer zijn dat zo’n ramp zich voltrekt. Nu worden opdoemende problemen als orkaan Irma voornamelijk gezien als losse gebeurtenissen.’

Voor gebrek aan gelijke rechten in het Caribisch gebied is Nederland internationaal al vaker op de vingers getikt, onder andere door de VN. Waarom ontkennen wij die historische schatplichtigheid?

‘Van mensenrechtenkwesties worden eigenlijk politieke vraagstukken gemaakt. Kijk naar noodhulp, dat vaak verzandt in eindeloos overleg, lobbywerk, onnodig uitwisselen van voorwaarden. Bij maatregelen rond noodhulp worden keuzes gemaakt die tegen de belangen van het Caribische deel instrijken. Na Irma koos Nederland voor een constructie via een fonds bij de Wereldbank met uiterst strikte voorwaarden. Dat is een politieke keuze. Frankrijk bijvoorbeeld koos bij de wederopbouw van het Franse deel van Sint Maarten voor de route van de Europese noodhulp met soepelere voorwaarden die ook sneller werd geleverd.

Zelfs uit oplossingen voor het waterprobleem in Sint Eustatius probeert Den Haag munt te slaan. Zoals hulpgeld om toegang tot schoon water te verzekeren dat alleen besteed mag worden aan Nederlandse bedrijven. Terwijl het logischer is om het geld lokaal te besteden. Die bijdrage komt zo weer in Nederlandse handen. Waarom Sint Eustatius verplicht aan Nederlandse bedrijven koppelen als de oplossing dichterbij, lokaal, ligt? Of iets als klimaatadaptatie: moeten daarvoor per se Nederlandse grondstoffen en materialen gebruikt worden in plaats van lokale middelen? Dat zijn economische en politieke keuzes waar de lokale bevolking onder lijdt.’

De eilanden zijn afhankelijk van hun ‘moederland’ voor ondersteuning, en blijven zo geboeid aan hun koloniale verleden.

‘Vroeger werd bij de coördinatie van rampenbestrijding letterlijk naar de buren gekeken voor expertise en hulp. Of het nu een overstroming was of een vulkaanuitbarsting. Door die gedeelde ervaring zijn deze landen op elkaar aangewezen. Maar het lokaal op zoek gaan naar oplossingen voor klimaatverandering ligt vol obstakels. Vaak mag lokaal geen oplossing worden geboden omdat landen gebonden zijn aan internationale of EU-regelgeving. De Brexit bijvoorbeeld, is zo’n struikelblok. Handel tussen Sint Maarten en Anguilla is daardoor veel moeilijker. Een land dat voor voedsel en andere behoeftes afhankelijk is van Sint Maarten, blijft zo verweesd achter. Hetzelfde met buurland Trinidad dat de ervaring en expertise rond rampenbestrijding heeft en bekend is met de uitdagingen. Door die politieke verhoudingen heeft het moederland voortdurend de touwtjes in handen. Terwijl ondertussen eindeloos getalmd wordt met noodhulp. En slechts één partij lijdt er systematisch onder: het Caribische volk. Is dat klimaatrechtvaardigheid?’

Het ‘mooie’ aan de ongelijkheid die gepaard gaat met milieu en klimaat is volgens Misiedjan haar ondubbelzinnigheid. ‘De impact is tastbaar. Of het nu de ravage op Sint Maarten is, de waterschaarste in Suriname of de dampen langs een drukke snelweg. Het is helder wie getroffen wordt en hoe. Boven andere kwesties blijft vaak de vraag hangen: is de impact wel echt zo groot als mensen beweren? Met milieu en klimaat is het vanaf de buitenkant heel duidelijk zichtbaar. Soms staat het zelfs zwart op wit, kun je het letterlijk van papier aflezen, zoals bij het doodscertificaat van Ella.’