‘Het gaat om schoonheid die nog nooit gezien is’

Onlangs stopte Jan Kuijper zijn werkzaamheden voor Querido. Hij was redacteur van onder anderen A.F.Th. van der Heijden en Doeschka Meijsing. ‘Een redacteur moet niet op de stoel van de auteur willen zitten.’

Gesprek met een dichter

Waarom schrijf je gedichten?
Ik schrijf gedichten omdat ik durf te schrijven
dat ik schrijf omdat ik wil schrijven dat ik gelukkig ben.
Waarom durf je dat te schrijven?
Omdat iemand mij de moed daartoe heeft gegeven.
Hoe heeft hij je die moed gegeven?
Door mijn gedichten te vertrouwen als ik zelf niet wist
of ik ze kon vertrouwen.
Wie is die iemand?
Jan Kuijper.
Wat is hij voor iemand?
Een zeer bijzonder iemand.
Met wie kun je hem vergelijken?
Met niemand, maar dan ook niemand.
Wat ben je hem?
Heel dankbaar,
want zonder hem had ik die moed nooit gekregen.
Wat wens je hem?
Het allerbeste, en dat meen ik!

Toon Tellegen
28 november 2008
Jan Kuijper (1947) is dichter en was vanaf 1975 redacteur bij uitgeverij Querido en later ook bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Duizenden proza- en poëziemanuscripten van bekende en minder bekende auteurs zijn door zijn vingers gegaan. Een niet gering deel van de Nederlandse literatuur van de laatste dertig jaar is onder zijn begeleiding tot stand gebracht. Hij was redacteur van onder anderen A.F.Th. van der Heijden, Doeschka Meijsing, Robert Anker, Willem Brakman, Thomas Rosenboom, Gerrit Krol, Hella S. Haasse, Alfred Kossmann, Bernlef, K. Schippers, Astrid Lampe, Tomas Lieske, Gerrit Kouwenaar en Toon Tellegen. Onlangs nam hij afscheid van de uitgeverij.
Hoe begon u bij de uitgeverij?
Jan Kuijper: ‘Het leek me toen wel een rustig baantje. Ik was twee jaar eerder bij Querido gedebuteerd met de dichtbundel Sonnetten, wat natuurlijk een bezwaar is. Je hoort niet bij je eigen uitgeverij uit te geven, maar dat is toch maar zo gebleven. Het was ook niet veel wat ik schreef, zo nu en dan eens een dichtbundeltje. Maar het was helemaal geen rustig baantje. Na twee weken dacht ik: dit houd ik nooit vol, zo ontzettend veel werk ineens. Een rustig baantje is het pas langzamerhand een beetje geworden, door routine. Ik moest bijvoorbeeld de hele aanbiedingsprospectus schrijven, voor alle uitgaven. Reinold Kuipers, de toenmalige uitgever, dacht dat ik dat wel in twee dagen kon doen. Ik schreef de teksten voor omslagen, besprak manuscripten met auteurs en maakte hun werk persklaar.
Daarnaast las ik manuscripten die zomaar werden ingezonden. Toen ik begon kwam er ongeveer één ongevraagd manuscript per dag binnen. Later steeg dat, alleen al aan dichtbundels komt er nu elke dag eentje binnen. Met dichtbundels ben je gauwer klaar dan met proza, je leest het eerste gedicht en als het heel slecht is hoef je de rest niet meer te lezen. Bij proza moet je soms even doorlezen, anders geef je de schrijver geen kans.’
Wanneer vond u een manuscript geschikt om uit te geven?
‘Een van de criteria was dat ik het idee moest hebben dat ik het boek nog niet eerder gelezen had. Het moest niet de zoveelste kopie van Flaubert zijn, of een nabootsing van Hermans. Als het van een schrijver was die al bij Querido gepubliceerd had, moest het niet al te erg op het vorige boek lijken. Daarnaast gold dat het boek me moest ontroeren. Mocht iets me ontzettend ontroeren terwijl het toch niet helemaal origineel was, dan was dat laatste minder belangrijk dan het eerste. Ik doel bij ontroering niet op een bepaald soort sentimenteel gevoel. De mensen wisten wat voor soort boeken ze naar Querido moesten sturen. Kitscherige prozamanuscripten kreeg ik niet, wel vaak kitscherige poëzie. Bij Thomas Rosenboom voelde ik bij zijn eerste verhalen in De Revisor die ontroering al vrij sterk. Die vond ik ontroerend op een manier die ik eigenlijk niet verwacht had: een conventionele spanningsopbouw gecombineerd met iets heel persoonlijks. Sommige manuscripten zijn zo evident ontroerend dat niemand het kan ontgaan. Het debuutmanuscript van Toon Tellegen trof me direct bij het eerste gedicht.’
Welke schrijvers heeft u ontdekt?
‘Iedere schrijver ontdekt zichzelf, een redacteur moet niet te veel daarvan naar zich toe trekken. Je moet natuurlijk wel een goeie neus hebben. Doeschka Meijsing “ontdekte” ik doordat we bevriend waren geraakt, we studeerden allebei Nederlands en ze las me op een dag verhalen voor, nog voor ik bij Querido werkte. Thomas Rosenboom zou je kunnen noemen, Frans Thomése, Tomas Lieske en er zijn er meer. Je kunt ook een uitgeverij drijven door auteurs bij collega-uitgeverijen weg te kapen. Zoals Geert Lubberhuizen deed bij De Bezige Bij. Lubberhuizen had eigenlijk geen goeie neus voor literatuur, hij las geloof ik ook niet veel, maar hij was een ontzettend aimabele en gezellige man. Al die auteurs van de jaren veertig en vijftig die elders waren gedebuteerd druppelden langzamerhand bij hem binnen. Ik zit helemaal aan het andere eind van het gezelligheidsspectrum, zal ik maar zeggen. Ik heb nooit auteurs overgehaald om naar ons te komen, ik vond het geen sport. Maar ik keur het niet af.
Je moet niet te veel debutanten willen brengen, dan wordt je fonds snel te groot. Het was beleid om twee of drie debutanten per jaar uit te geven, dat is geloof ik nu nog zo. We gaven ongeveer één op de tweehonderd manuscripten uit als debuut. Voor het overige zochten we in de literaire bladen naar talent. Dat laatste is wel afgenomen, veel schrijvers sturen hun manuscripten direct naar uitgevers.’
Veranderde u veel in de manuscripten?
‘Dat lag er maar aan. Willem Brakman wilde niet weten waar ik allemaal komma’s in zijn zinnen zette, want dan werd hij gek. Maar als ik een zin helemaal wilde veranderen, dan legde ik hem dat wel voor, dan was hij meestal een beetje in de war omdat hij inmiddels al een volgende roman geschreven had. Bij Gerrit Kouwenaar was er in een dichtbundel soms één regel waaraan ik iets wilde veranderen. In de verhaalopbouw greep ik meestal niet in. Niet omdat ik daar geen ideeën over had, maar omdat de innerlijke logica eraan zou gaan als ik aan het verhaal zou sleutelen. Een redacteur moet voorzichtig zijn, die moet niet op de stoel van de auteur willen gaan zitten.
Later kwam Anthony Mertens bij ons werken, dat was een idee van mij: laten we eens iemand van de universiteit wegplukken, en hij werd het. Hij gooide manuscripten graag helemaal door elkaar, de interpunctie kon hem niks schelen. Het zou ideaal geweest zijn wanneer we samen aan de boeken hadden gewerkt, maar zo ging dat nu eenmaal niet.
Je hebt auteurs met een stijl die wezenlijk foutloos is, daar hoef je niks aan te doen. Frans Thomése hoefde je bijvoorbeeld stilistisch niets wijs te maken. Wel heb ik hem voorgesteld om te debuteren met een bundel met alleen historische schetsen, dat werd toen Zuidland. Hij had allerlei verhalen, maar een ander soort verhalenbundel zou te veel een rommeltje zijn geworden. Natuurlijk dacht ik bij mijn wijzigingsvoorstellen aan de lezer. Van een gedicht mag je aannemen, als het niet te lang is, dat een lezer het minstens twintig keer leest voor hij er een touw aan vastknoopt. Dat is niet erg. Maar bij een roman kun je er niet van uitgaan dat een lezer alles net zo goed op een rijtje heeft als de schrijver zelf.’
Was er wel eens onenigheid over uit te geven boeken?
‘Natuurlijk. Je kunt het fonds niet helemaal naar je eigen idee inrichten. Als een manuscript mij veel gedaan had en een andere redacteur had er niets bij gevoeld, dan was je uitgepraat. Ik kwam nooit met argumenten, de anderen trouwens ook niet, in de trant van dat een boek “van belang” was voor het lezerspubliek, of dat het een “geëngageerde” roman was die mee zou tellen in het actuele debat. Het zou niet bij me opkomen om het over die boeg te gooien. Ik hou van het tijdloze, het tijdloze dat dan toch anders is dan alles wat eraan is voorafgegaan. Hier zit een paradox in: het gaat bij mij om schoonheid, maar dan schoonheid die nog nooit gezien is.’

Is er sinds 1975 veel veranderd in de literatuur?
‘Vooral in de poëzie. Vroeger waren er enkele fijne luiden die een dichtbundel kochten, dat werden er steeds meer, op een gegeven moment een paar duizend. Dat is langzamerhand teruggelopen. Daarvoor in de plaats kreeg je bijeenkomsten waar dichters hun gedichten ten beste geven. Je krijgt daardoor een tweedeling in de poëzie: gedichten die het mondeling beter doen en gedichten die het schriftelijk beter doen. Gedichten die alleen geschikt zijn om mondeling over te dragen worden merkwaardig genoeg ook op papier uitgegeven. Op papier verschijnen bijvoorbeeld gedichten van Jules Deelder die het papier in feite niet waard zijn, ze zijn te oppervlakkig. Moeilijke gedichten worden minder gemaakt, omdat je als dichter van moeilijke gedichten nauwelijks op die voorleesavondjes wordt uitgenodigd.
Als het om de roman gaat, is de thematiek niet veranderd: vroeger had je ook romans met en zonder straatrumoer en met en zonder binnenkamergeneuzel. Maar ik heb het literaire circus zien ontstaan. Vroeger was ik tegen commerciële literaire prijzen, maar ik ben van mening veranderd. Ik heb verscheidene keren gezien dat boeken die echt goed waren en waarvan de verkoop niet op gang kwam dankzij de prijs toch een succes werden. Natuurlijk zijn er ook nadelen. Het beste boek wint zelden, de jury’s zijn volkomen toevallig samengesteld. Het is vooral jammer dat de lezers tegenwoordig allemaal hetzelfde boek kopen. Op het ogenblik levert het modale boek, een boek met een oplage van twaalfhonderd, voor een uitgever verlies op. Winst begint pas te komen na verkoop van zo’n tweeduizend exemplaren.
Vroeger waren bestsellers uitzonderingen, nu moet iedere uitgever eens in de paar jaar een bestseller hebben, anders kan hij niet voortbestaan. De omloopsnelheid is ook enorm toegenomen. In de boekhandel liggen nieuwe romans maar een paar weken plat, daarna verdwijnen ze in de kasten en kijkt niemand er meer naar om.’
Hoe kijkt u terug?
‘Het was erg leuk werk, ik ging er altijd met plezier naartoe. Ik beschouwde mezelf toch altijd als dichter die nu eenmaal niet de hele dag kon dichten. Dan ga je te veel prutsen aan je gedichten. Of je gaat te veel gedichten schrijven, dan wordt het helemaal erg. Kortom, ik moest overdag ook wat te doen hebben.’