Interview met Bart Moeyaert

«Het gaat om wroeten en woelen»

Een interview met Bart Moeyaert, schrijver.

Bart Moeyaert heeft alle reden voor een feestje. De Vlaamse auteur viert zijn veertigste verjaardag, zijn twintigjarig schrijverschap en het verschijnen van zijn nieuwste boek Dani Bennoni. Aan persbelangstelling is geen gebrek. De Standaard der Letteren opende met een interview, waarbij Moeyaerts beeltenis de voorpagina vult. Hij sprak met Hanneke Groenteman en Margreet Dolman en werkte in één dag zo goed als alle Vlaamse radioprogramma’s af. Er verschenen herdrukken van Kus me (1991), het kleine meesterwerk Blote handen (1995) en zelfs van Duet met valse noten, een tienerliefdesverhaal, waarmee Moeyaert als negentienjarige debuteerde. De veronderstelling dat dit alles een schrijver in tijden van mogelijke mid lifecrisis tot diepe tevredenheid moet stemmen, dient te worden getoetst. In Antwerpen, in een verlepte straat vol onduidelijke eetgelegenheden en nachtclubs, in een smaakvol en strak geordend appartement.

Moeyaert publiceerde in de achterliggende twintig jaar zo’n twintig titels en verkende alle hoeken van de literatuur: romans, korte verhalen, teksten voor prentenboeken, toneel, poëzie, vertalingen en bewerkingen (van onder meer Shakespeares King Lear en Tsjechovs Drie zusters). Het meest wordt hij toch beschouwd als jeugdboekenschrijver, hoezeer de schrijver zich ook verzet tegen de binnen de literatuur blijkbaar onvermijdelijke etikettenplakkerij. Moeyaert: «Ik heb er niet voor gekozen om in een reservaat te zitten. Dat is begonnen met mijn debuut bij Averbode, een kinderboekenuitgeverij. Daar kreeg ik mijn eerste stempel. Er werd gezegd dat mijn publiek bestond uit twaalf- tot zestienjarigen. Er ontstond al discussie toen ik door uitgeverij Zwijssen werd gevraagd om iets voor beginnende lezers te schrijven. Mijn imago hoorde bij twaalf tot zestien jaar en dat moest ik in stand houden.

Met Kus me wilde ik niet meer in de Topreeks, een op herkenbaarheid gebaseerde serie. Ik zocht naar een afwijkende vormgeving, waardoor je niet meer direct kon zien dat het een jeugdboek was. Zo zou het ook andere lezers kunnen vinden. Ik voelde mij geknecht door mijn imago, had een winkel in een zijstraat en wilde in de hoofdstraat zitten. Toen ben ik overgestapt naar uitgeverij Querido, die een fonds voor kinderen en voor volwassenen heeft.

Inmiddels was ik betrokken geraakt in de discussie over kinder- versus volwassenencultuur. Ik hield er lezingen over en schreef artikelen. Dan groeien de ideeën. David Grossmans Zigzagkind dook in Duitsland en Frankrijk op als jeugdroman en kreeg één kolom, met de speciale vermelding dat Grossman nu een jeugdboek had geschreven. Bij Contact verscheen het als roman voor volwassenen en kreeg het grote interviews en besprekingen met foto. Daar bedotten volwassenen zichzelf toch. Doe er een ander kaft om en het boek krijgt een andere maat en gewicht. Je mag me jeugdboekenschrijver noemen, maar ik voel me vooral schrijver. Het is niet omdat er ‹jeugd› voor staat dat volwassenen een boek niet meer hoeven lezen. Maar ja, de boekhandel wil een aparte kast voor wie niet weet wat te kopen voor zestienjarigen. Een tussenkast waar boeken uit de kinder- en de volwassenenafdeling in staan zou een oplossing kunnen zijn, maar dan maak je alweer een reservaat. Eigenlijk zouden bepaalde boeken in beide afdelingen moeten staan.

Natuurlijk is het lastig als iemand een boek voor een zesjarige zoekt en thuiskomt met Dostojevski. Daar staan geen prentjes in! De maatschappij wil nu eenmaal helderheid: dit boek is voor die leeftijd en dat boek voor mensen die van thrillers houden. We hebben geen geduld en alles moet snel en ter plekke. Dit gaat natuurlijk niet alleen over boeken, maar ook over film en thea ter. Ik zat in de jury van een scenariowedstrijd en daar had iemand een kinderfilm geschreven. Hoezo een kinderfilm! Hoe doe je dat, met vier kinderen op schoot en dan door hen laten controleren of het wel voor vier kinderen geschikt is? Volgens mij schrijf je een film en later wordt wel duidelijk voor wie die bedoeld is.

Misschien zou ik mijn boeken ook zo moeten inleveren en zeggen: doe ermee wat je wilt. Maar ik wil erover blijven nadenken en daarom doe ik constant lastig, wil ik op mijn boek twee codes, volwassenen en jeugd. Overstappen van de afdeling kind naar de afdeling mens, zoals ze dat bij uitgeverij Querido noemen, is niet de oplossing. Van de ene dag op de andere zeg ik dan, reken mij maar bij de volwassenen, mijn boodschap was al die jaren gelogen. Het zou voelen als overlopen. Ik zit in een moeilijk te definiëren positie en ik wil niet kiezen, omdat ik er niet van overtuigd ben dat ik dat moet doen. Tot nu toe krijg ik nooit een twintigplusser als hoofdpersoon voor ogen. Ik hoor een toon en zie een beeld en die bepalen de muziek.»

In heel Moeyaerts oeuvre vormt het gezin een belangrijk thema, soms zwaar waar ouders hun kinderen in de kou laten staan, soms licht als in de eigen jeugdherinneringen Broere. De schrijver is ervan overtuigd dat alles aankomt op vader, moeder, broer en zus: «Die neem je voor de rest van je leven mee. In vriendschappen en je kennissenkring zoek je ook vaders, moeders, broers en zussen op. Je zoekt invulling voor wat je niet bent of niet hebt. Ik vind het in Broere niet zo idyllisch als jij. De kleine verteller bekijkt zijn broers en hoort er niet bij. Dat heeft ook iets tragisch, waar je al gauw met een glimlach aan voorbij leest. Sommige mensen hebben me gezegd dat ik dat niet was in die Broere-verhalen, dat het te makkelijk en te licht was. Het feit dat ik met tristesse en donkerte bezig ben betekent nog niet dat ik uitsluitend donkerte in mijn hoofd heb.

Mijn privé-leven zit altijd in mijn boeken. Niet alleen wie Moeyaert is, ook waar hij zich bevindt met andere mensen. Lang leken de personen in mijn boeken verlamd, niet in staat tot reageren of zelf handelen. Toen zat ik zelf in een relatie, waarin ik niet gezien werd. Het is dus heel bevrijdend dat in Dani Bennoni een personage eindelijk niemand nodig heeft. Wat voor mij het leven samenvat is de slotzin uit Het is de liefde die we niet begrijpen: ‹Gelukkig zijn we hier nog niet geworden, maar het kan erger.› Dat is niet donker, dat is het leven zien zoals het is.»

Als jongen schreef Moeyaert alleen voor zichzelf, zonder ooit over publicatie te denken: «Ik wilde schrijver zijn, ernstig en met een bril op. Aan een mooi bureau zitten en iets creëren. Mijn vader schreef schoolboeken over geschiedenis. Ik zag vooral dat hij een werkkamer had en werktijden waarop je daar niet binnen mocht en stil moest zijn. Zelf trok ik me ook graag terug, want als ik maar stil bleef zitten, kon ik ook niks fout doen. Tekenend en later schrijvend was ik veilig, prutste zelf een boek in elkaar van twaalf bladzijden met twaalf hoofdstukken. Veel drong helemaal niet tot me door, ik zat voornamelijk in mijn eigen hoofd.

Ik kwam uit Brugge via Gent naar de grote stad Brussel, waar ik de lerarenopleiding Nederlands volgde. Daar ging mijn leven eindelijk beginnen. Ik had het op school maar matig gedaan en had een heel klein zelfbeeld. Er bleken plotseling mensen te zijn die mij de moeite waard vonden. Ik had een vriendin gehad en begon te beseffen dat ik misschien wel op zoek was naar een vriend. Dat was moeilijk, want ik hing nog aan het nest en net als mijn zes oudere broers zou ik toch ook gaan trouwen. En dan kun je wel in Brussel wonen, maar voor je een homobar binnengaat, loop je eerst honderd keer door de straat.

Op school ontdekte ik nieuwe schrijvers, Carson McCullers en Salingers Catcher in the Rye. En Aidan Chambers’ Je moet dansen op mijn graf gooide me echt omver. Voor mij was dat een auto met een caravannetje. In de auto zaten twee jongens met de boodschap dat je niet sterft van ellende als je homo wordt. In de caravan vond ik dat de schrijver zijn verhaal kan presenteren als een caleidoscoop, dat het niet per se chronologisch hoeft. Chambers bleek ook belangrijke ideeën over literatuur ontwikkeld te hebben en over zijn oeuvre maakte ik uiteindelijk mijn eindwerkstuk. Het bracht mijn eigen prille schrijverschap aan het wankelen. Ik ging denken over literatuur, lectuur en pulp en ik begon te begrijpen dat ik een stijl moest gaan ontwikkelen en gaan bedenken wat ik het mooiste vond. Misschien moest ik wel bij de literatuur gaan horen.»

Dat Moeyaert inmiddels bij de literatuur hoort, staat buiten kijf. Hij is een schrijver van sterke beelden en sferen en een meester in de omcirkelende beweging. Zijn verhalen vallen met de deur in huis, gaan zelden van a naar z en er hangt onbestemde raadselachtigheid of dreiging boven de pagina’s. De lezer moet hard werken en met flarden informatie en kleine zinnen zijn eigen verhaal vormen. Met het nieuwste boek Dani Bennoni is het niet anders. Wie even te snel leest, mist dat het 1939 en mobilisatietijd is. Van de scène in de kleedkamer tussen de tienjarige hoofdpersoon en zijn volwassen voetbalidool staan alleen de vage omtrekken. De invulling is aan de lezer.

Volgens de schrijver is het in de realiteit precies zo: «Je komt situaties tegen waarin je allerlei informatie mist, maar je voelt dat er iets is of gaat gebeuren. Zo pak ik in mijn boeken een blok uit de werkelijkheid en confronteer de lezer daar pardoes mee. Sommigen vinden dat lastig, omdat ze moeten wachten tot het verhaal begint. Ze voelen wel dat er iets is, maar weten nog niet wat. Maar we zien en weten altijd en overal maar een heel klein beetje. Wij zitten hier samen op 17 september en zien dat hoge gebouw aan de overkant staan. Misschien heb jij al gedacht dat daar een vliegtuig in kan vliegen. Ik woon vlak bij het station en ik denk wel eens aan Madrid. Door de straat lopen schoolkinderen en bestaat. Onze wereld zit ook hier, maar er is geen sprake van dat we daar samen een inleidend gesprek over voeren. We zeggen niet dat het zo’n mooie 17de september is en dat we zo fijn eigentijds gekleed zijn. En zo is het in mijn boeken ook.

Ik vraag me heel lang af waar mijn verhaal precies over gaat. Meestal dient het zich aan. Ik schrijf steeds stukken en stel dan vast dat het niet klopt, dat het verzonnen is. Verzinnen is geen schrijven. Dat is op je potlood sabbelen tot je iets gevonden hebt. Dan bak je een boek als een brood. Maar het gaat om wroeten en woelen. Ik lees een verhaal honderd keer, in de verschillende stadia van groei en ook door de ogen van alle personages. Van allemaal moet ik gevoeld hebben dat ze op hun plek zitten en precies dat zouden zeggen en doen wat ze zeggen en doen. Met de weinige woorden die er uiteindelijk overblijven, moet de lezer weten wat voor jongen de hoofdpersoon bijvoorbeeld is. Die taal kan werken voor wie ervoor open staat en bereid is zijn eigen leven tussen de regels te leggen. Het gewoon geschrevene krijgen we elke dag in de krant. Zodra je terechtkomt bij korte zinnen die af en toe een beetje scheef op hun stoel gaan zitten, vinden mensen dat raar. Maar de taal zelf is heel gewoon. De lezer moet alleen ook een beetje scheef gaan zitten.

Langzamerhand begon ik te zien dat Dani Bennoni misschien wel over man worden ging. Ik heb er lang omheen gefietst, maar ik wist dat ik erover wilde schrijven, de verhouding tussen een jonge jongen en een jonge man. Ik vond dat confronterend en durfde niet. In Vlaanderen is het een gevoelig onderwerp na Dutroux. Je mag sinds 1996 niet zeggen of zelfs maar suggereren dat een kind zou weten wat er met zijn seksualiteit aan de hand is. Volwassenen kijken niet goed. Kinderen zien K3 op de televisie, meisjes van twintig die doen of ze acht zijn en vrolijke liedjes zingen. Dat heeft zogenaamd niks met seks te maken, maar ze staan er wel Lolita te spelen. De cd’s verkopen als zoete broodjes en niemand staat stil bij die wisselwerking tussen volwassenen en kinderen en of je daarmee seks of geen seks koopt. Maar als het punt in het echte leven aan de orde komt, dan moeten we voorzichtig zijn en onze woorden wegen, want dan spreken we over totaal andere denkbeelden, dan hebben we het over andere kinderen eigenlijk. Het gaat hier ook om labels, het label kind en volwassene. Alles loopt door elkaar, maar als het erop aan komt mag er niks door elkaar lopen en moet iedereen zijn plaats weten.

Als je het over kindercultuur hebt is de boodschap van volwassenen duidelijk. Kinderen moet je kind laten zijn en laten genieten. Geef ze maar lekker leesvoer en leuke films en die mogen natuurlijk best van kwaliteit zijn. Dat is de kinderwereld. Daar heb ik vrede mee, maar een kind ziet ook beelden van en zal misschien ’s nachts wakker liggen en daar gaan we aan voorbij. Een donker toneelstuk, een lastig boek of stevige muziek kunnen troosten: zie, dat is ook van onze wereld dus maak je geen zorgen als je niet kunt slapen.

Mensen moeten groot worden en belangrijke beslissingen nemen over relaties en werk. Ik denk dat we daarom wat achter ons ligt vaak vereenvoudigen, want het moet hanteerbaar zijn. Vandaar dat we met zijn allen zo graag herhalen dat kinderen altijd vrolijk spelen en geen zorgen hebben. Dan is er nog de puberteit, maar dat betekent vooral kalverliefde en pukkels. Zo vatten wij de kindertijd samen en dan kunnen we aan het echte leven beginnen. En aan dat pakket toetsen we dan ook wat we over kindercultuur horen.

Ik kan eeuwig herhalen hoe belangrijk kindercultuur in al haar facetten is, maar als het erop aankomt is er geen tijd of geen plaats. Cultuur voor volwassenen verkoopt nu eenmaal makkelijker. Bij de afgelopen uitreiking van de Gouden Uil besteedt de krant een hele pagina aan de vijf nominaties voor volwassenen en noemt in een kadertje als een voetnoot de vijf jeugdnominaties. Winnaar Hafid Bouazza staat in het licht van alle fotografen en Martha Heesen die een prachtig kinderboek schreef, ontbreekt maandag totaal op de voorpagina van de Vlaamse kranten. Echte aandacht voor kinderen is er niet, terwijl je toch moet bedenken dat zij de onderbouw zijn van alles wat na ons komt.»