De rechterlijke macht verliest vertrouwen

Het gebutste gebefte geboefte

Hoewel kritiek op de rechterlijke macht soms hard nodig is, bestaat er langzamerhand ook een risico op doorslaan. ‘We kunnen het ons niet permitteren om de rechter pootje te lichten. Dat is ondermijnend voor de rechtsorde.’

HET HEERSENDE beeld in de media van een rammelend rechtsapparaat vol vooringenomen, partijdige rechters lijkt door de wraking in de zaak-Wilders definitief bevestigd te worden. De rechters kunnen het nauwelijks nog goed doen. Het aantal wrakingsverzoeken is in de afgelopen weken explosief toegenomen en achter de coulissen van de rechtbank heerst onzekerheid. De externe kritiek spitst zich inmiddels steeds meer toe op de fundamentele vraag of de rechtsstaat nog wel een rustig bezit is en of er sprake is van verval binnen de rechterlijke macht. Die bezorgdheid blijkt niet alleen uit de vele debatten en discussiefora, ook verschijnen de laatste weken kritische boeken.
In De nieuwe kleren van de rechter schetst Rinus Otte, vice-president van het Gerechtshof Arnhem met vijftien jaar ervaring als rechter en sinds kort ook (deeltijd)hoogleraar in de organisatie van de rechtspleging aan de Rijksuniversiteit Groningen, een zwart beeld van de rechtspraak. Oud-rechter Willem van Bennekom plaatst in Op drijfijs forse kanttekeningen bij het (dis)functioneren van de rechtsstaat, maar ook bij de rechterlijke macht als bewaker van de rechtsorde. Uit deze boeken wordt duidelijk dat de toegenomen werkdruk en het productie- en prestatieloon op gespannen voet staan met de kwaliteit van zorgvuldige rechtspleging. Beide auteurs laten tevens zien dat systeemkritiek zeer gevoelig ligt. Otte schrijft: ‘Bij een zoveelste artikel of publicatie die kritisch van toon is over de rechtspraak reageren gerechtsbestuurders met dezelfde pavlovreactie: de rechter wordt onrecht aangedaan en als dat zo doorgaat, is dat het einde van de rechtsstaat.’ En Van Bennekom: 'Het lastigste bij het schrijven was dat ik me ook over het werk van collega’s moest uitlaten. Zoals bekend doen rechters dat zelden, eigenlijk alleen als rechter in hoger beroep of cassatie. Maar normaliter is afstand geboden.’
Toch hebben zij hun visie zonder reserve opgeschreven, vanuit bezorgdheid én uit liefde voor het vak. Zoals beiden stellen: het gaat in de rechtspraak meestal goed, het niveau en de kwaliteit zijn in Nederland hoog en rechters zijn hoogopgeleide en vakinhoudelijk kundige professionals, maar er is wel een crisis.
Otte laat vooral zien hoe de rechtbank als bedrijf disfunctioneert. 'Bij de rechtbanken staat zowel de cultuur op de werkvloer als de bestuurs- en de managementcultuur onder spanning.’ Er wordt volgens hem een kloof ervaren tussen de strafrechters en hun leidinggevenden, waarbij sommige strafrechters klagen over de werkdruk en over het gebrek aan inspraak en zeggenschap over de organisatie van hun strafproces. 'Het strafproces wordt, in tegenstelling tot de ratio van het wetboek van strafvordering, tegenwoordig vóór de strafrechter georganiseerd en niet langer dóór de strafrechter. Zowel de relatie tussen de rechter en leidinggevende als de verantwoordelijkheidsband tussen rechter en strafzaak raakt daardoor verzwakt.’
Hij spreekt in dit verband over een rechterlijke organisatie die stagneert door eigen tekortkomingen: de rechterlijke macht is de grip op de organisatie van het strafproces kwijt, gerechtsbestuurders zijn niet op hun taak berekend en het gevolg is een afhankelijke, geanonimiseerde strafrechter die vastdraait in een bureaucratische omgeving. En hoewel hij benadrukt dat rechtspreken een moeilijk vak is, leiding geven aan rechters minstens zo moeilijk is en niets menselijks de rechterlijke macht vreemd is, haalt hij fors uit naar zijn collega’s op de werkvloer. Ze mopperen wat af bij de koffieautomaat over de werkdruk, over elkaar en over de leiding. Veel rechters zijn overspannen en er is volgens hem onder de strafrechters een nijpend gebrek aan 'nijver en dienstbaarheid en een teveel aan eigendunk’.
Hij werpt de vraag op hoe de strafrechtspraak zo georganiseerd kan worden dat bestuurlijke doelen en rechterlijke arbeidsvreugde makkelijker worden bereikt. Zijn oplossing: de macht van het management terugdringen en de autonomie teruggeven aan de professionals, de rechters, zodat zij weer passie hebben voor de rechtsgang. Otte pleit voor een lerende en meer autonome rechter, bij wie zelfkritiek en reflectie ingebakken moeten zijn.

HOEWEL de kritiek op de zittende magistratuur van Van Bennekom ook niet mals is, beziet hij de huidige crisis in de rechtspraak toch anders. Hij vindt het te simpel om te spreken van een probleem binnen de bedrijfscultuur alléén. Volgens hem maakt ook een aantal externe tendensen de positie van de rechters lastig. Hij noemt onder meer: het verlies, in feite al sinds de jaren zestig, van vertrouwen in klassieke gezagsinstituties; de worsteling met de plaats van religie en religieuze opvattingen in het openbare leven en de cultuurstrijd over leidende normen en waarden in de westerse samenleving. En de toegenomen invloed van 'Europa’ op de nationale rechtspraak. De rechter staat in het epicentrum van dit maatschappelijke strijdgewoel.
Hij vergelijkt de trias politica - de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht - met een groot veld drijfijs, waarvan de schotsen ten opzichte van elkaar steeds sneller van plaats veranderen en in aantal toenemen. Daar komt bij: de rol van de rechter staat onmiskenbaar bloot aan sterke relativering bij de mondige burger en dat leidt tot het niet accepteren van het rechterlijk oordeel: wie denken zij wel dat ze zijn? Het is volgens hem een paradox: er is meer dan ooit behoefte aan recht - in de afgelopen tien jaar is er een juridiseringstendens met een verdubbeling van het aantal advocaten - en de roep om een onafhankelijke rechter klinkt luid, maar dat staat haaks op het niet erkennen van zijn gezag.
En zegt Van Bennekom, opvallend genoeg krijgen dit soort emoties, aangewakkerd door mensen als Peter R. de Vries, ook vat op diegene die zich tot de elites rekenen, op politici, schrijvers en journalisten: ook zij vinden soms in één oogopslag dat het oordeel van de rechter tegenwoordig moet worden afgeserveerd.
Van Bennekom ventileert dan ook desgevraagd forse kritiek op media die te makkelijk hun oordeel klaar hebben. Als voorbeeld noemt hij de manier waarop het boek van Rinus Otte kon rekenen op een kritiekloos en warm onthaal in de media: 'Er wordt bij de aandacht voor zijn boek één ding vergeten, namelijk dat hij leiding gaf aan de strafsector van het Amsterdams Hof en dat die periode van ruim twee jaar geëindigd is in een groot fiasco voor Otte. De conclusie van een onderzoek door Capgemini was dat hij als manager disfunctioneerde. Dat zeg ik niet om hem zwart te maken, maar omdat het scheef en pijnlijk is dat dit niet door hem wordt vermeld en evenmin in de media, terwijl Otte wel een verregaande conclusie trekt, die in de volle breedte voor de strafrechtspraak in heel Nederland geldig zou zijn, en hij met modder naar collega’s gooit. Het boek lijkt me hoogst tendentieus en misschien ook rancuneus, doordat er een vertekend beeld van gemankeerde ego’s en overspannen klagers wordt geschetst. Ik vind het onbegrijpelijk dat hij door NRC Handelsblad zó prominent en zonder kritiek door Folkert Jensma is geïnterviewd, en dat in een commentaar zijn conclusies klakkeloos zijn overgenomen. Even moeilijk te begrijpen is dat de parttime hoogleraarsfunctie voor Otte uitgerekend door de Raad voor de Rechtspraak wordt bekostigd. Wat is zijn gezag?’
Van Bennekom begon zelf met zijn boekje in het voorjaar vanuit bezorgdheid over de kritiek op de rechtspraak. 'Toen het af was, moest de zaak-Wilders nog beginnen. Helaas heb ik meer dan gelijk gekregen, want in oktober bleek dat in die strafzaak in één versnelde beweging al die tendensen bijeenkwamen, inclusief de manier waarop de spektakelmaatschappij omgaat met rechtszaken. Met die dimensie moeten rechters meer dan ooit rekening houden.’
Hij spreekt dan ook zijn zorg uit over het gevaar dat de kritiek doorslaat: 'Het ter discussie stellen en het uitdagen van gezag en autoriteit is altijd goed, en ook nodig voor de rechterlijke macht. Maar je moet niet doorschieten met generalisaties over het disfunctioneren van dé rechterlijke macht die opgehangen worden aan een aantal falende strafzaken. Ondertussen is er sinds de Schiedammer parkmoord en andere missers een authentiek proces van zelfreflectie op gang gekomen, met allerlei interne sessies, nieuwe cursussen, die niet alleen zijn gericht op het taalgebruik en beter uitleggen aan het publiek, maar ook op het voorkomen van tunnelvisie. Bovendien wordt al lang algemeen ingezien dat een meer open mind naar buiten toe van levensbelang is, zoals onlangs met de open dag Meet the Judge. Maar die zelfkritiek betekent nog niet dat er dan géén missers meer zullen plaatsvinden, je moet de verwachtingen reëel houden. Aan het dreigend terrein- en gezagsverlies moet dus natuurlijk iets worden gedaan. Dat is zelfs een van de belangrijkste opdrachten van onze tijd.’
Oplossingen liggen volgens hem in het zoeken naar een evenwicht tussen productiedwang en goede rechtspleging. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af of 'slow justice’ iets zou kunnen zijn: meer ruimte en tijd inbouwen om te kunnen reflecteren op essentiële vragen tijdens een gecompliceerde rechtszaak. Hij zegt erbij: 'Dat ligt moeilijk, want de productiecijfers zijn heilig en het zal ten koste gaan van een kortetermijntempo.’ Ook oppert hij het invoeren van het transparanter uitsprakensysteem met dissenting opinions, waarbij ook de argumenten van de minderheid van de rechters bekend worden gemaakt. 'Zo'n systeem is nieuw, tijdrovend en dus relatief duur, maar stellig het proberen waard, want is het goed voor de rechtsontwikkeling en kan het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak verhogen.’
Anders dan Otte oordeelt Van Bennekom mild over de individuele rechters: 'Het rechtersbestand is, individueel gezien, in overgrote meerderheid volledig op zijn taak berekend. In mijn waarneming bestaat het overgrote deel van de individuen die de zittende magistratuur vormen uit bovengemiddeld analytisch ingestelde, bovengemiddeld kritische, hoogst consciëntieuze en niet hiërarchisch of autoritair denkende mensen. Mensen die bij lange na niet het salaris verdienen van een commerciële advocaat, maar een grote toewijding in hun werk aan de dag leggen, met oog voor wat er in de samenleving speelt en daarin ook vaak op een actieve manier participeren. Is het een bezwaar dat dit bestand in partijpolitiek opzicht al enige tijd meer dan proportioneel de beginselen van D66 blijkt te zijn toegedaan? Zolang er geen D66-uitspraken worden gedaan niet - lijkt me.’
Hij vindt dan ook dat rechters nu niet ineens 'meer aaibaar’ moeten worden; ze moeten eerder helder en duidelijk zijn: 'Voor de rechter geldt in de eerste plaats dat hij altijd “braaf” moet zijn. Gebeurt dat niet, dan moet hard worden ingegrepen.’ Maar, zo besluit hij, we kunnen de rechter beter geen pootje lichten. Hij kampt immers met dezelfde chaos als wij. Hij staat op hetzelfde ijs.

OTTE ZEGT desgevraagd over de kritiek van Van Bennekom op zijn negatieve beeld van de rechters: 'Ik heb naar mijn smaak mijn boek op integere wijze geschreven en beschrijf míjn gerechtelijke werkelijkheid. Het is een blik met mijn gekleurde bril uit het tijdgebonden rariteitenkabinet dat elke organisatie nu eenmaal tekent. Ik heb de beroepsgroep juist hoog en ik lever mijn sfeertekeningen graag in voor een betere.’
En over zijn vermeende rancune vanwege zijn eigen disfunctioneren: 'Ik heb het als bestuurder niet goed gedaan, dat geef ik ruim toe. In mijn boek reflecteer ik in hoofdstuk 13 op mijn eigen fouten. Het gekke is echter dat NRC Handelsblad vooral focuste op de voorbeelden uit mijn boek en minder ingaat op mijn analyse dat de rechterlijke macht een top-down-organisatie is en ik ervoor pleit dat de rechter weer meer ruimte en verantwoordelijkheid zou moeten krijgen. Dat is heel jammer, want mijn boek heeft juist een positieve boodschap: dat ik de tegengestelde opvattingen over beroepstrots weer meer met elkaar probeer te verzoenen.’