Hoofdcommentaar

Het gedachtegoed en de antikiezers

Zou Wim Kok drie jaar geleden in een electoraal gevecht van man tegen man Pim Fortuyn hebben verslagen? «Het is best mogelijk dat hij me met boter en suiker had ingemaakt», denkt Kok achteraf. De paarse premier had zijn vertrek een paar weken voor 9/11 aangekondigd en zo zijn eigen terugtocht afgesneden. Na de raadsverkiezingen werden De puinhopen van Paars de norm aller politieke dingen. «Alles was op drift, de irrationaliteit had zich van Nederland meester gemaakt. Ik ben er dan ook van overtuigd dat Fortuyn de verkiezingen zou hebben gewonnen», aldus Kok in het boek Met Kok over veranderend Nederland van de historici Piet de Rooy en Henk te Velde.

De afloop is bekend. De Fortuynisten mochten na de moord kortstondig regeren, totdat ze er onderling zo’n puinhoop van maakten dat CDA en VVD hen konden lozen. Sinds 2003 heeft Nederland weer een tradi tionele coalitie die zo stabiel wil ogen dat geen nederlaag haar kan deren. De vraag of Fortuyn in 2005 een vergelijkbare triomftocht zou beleven, is «if-history».

Maar traditie betekent niet per definitie stabiliteit. Want met de ene mond belijdt het kabinet de noodzaak van oude gemeenschapszin, met de andere juist nieuw individualisme. In de Ridderzaal gaf de premier daarvan zaterdag ter ere van de jubilerende koningin een vertrouwde proeve. «Veranderingen horen bij het leven. Ze brengen nieuwe, onvermoede mogelijkheden. Maar ze veroorzaken vaak ook gevoelens van onzekerheid. Verandering mag niet leiden tot versplintering», aldus Balkenende. ’s Avonds was hij een apetrotse gast bij het volksfeest van de Tros op het Malieveld. Daar ontrolde zich een fenomenaal spektakel dat vooral één conclusie aan de kijker opdrong: Nederland is uniek en dat noopt tot nationale trots, vertolkt door de volkshelden uit sport, muziek, cabaret en een ietsje pietsje wetenschap. Maar maandag is Balkenende weer verder gegaan met zijn dynamische hervormingsbeleid dat Nederland juist minder uniek moet maken. Wie zich niet onderwerpt aan de nieuwe wereld, waarin iedereen met iedereen concurreert, heeft immers geen schijn van kans.

Het is precies dit perspectief dat de meerderheid van Nederland angst inboezemt. Dit is geen waarneming van Maurice de Hond maar een serieuzere: de peiling 21minuten van adviesbureau McKinsey, waaraan 150.000 burgers hebben deelgenomen. De natie is somber en denkt nog somberder te worden. En niet zo’n beetje maar in ongekende consensus. Dick van Eijk, een van de beste statistici onder het journaille, concludeerde in NRC Handelsblad: «De bevolking vindt niet alleen dat het land niet goed wordt bestuurd, ze vindt ook dat de richting verkeerd is. Ze wil een ander soort samenleving dan de bestuurlijke elite voor ogen staat. Een zachtere samenleving, meer een Scandinavische dan een Angelsaksische.» En dat in een verhouding van twintig tegen één. En als er toch meer en harder moet worden gewerkt – bijvoorbeeld door de sociale zekerheid strenger op te tuigen – mag dat volgens zeventig procent best ten koste gaan van de vaderlandse identiteit die de Tros zaterdag twee uur lang juist gladjes uitsmeerde.

Daar blijft het niet bij. Alleen wie onvoorwaardelijk vertrouwen heeft in de «politieke barometer» van Nova hoeft nergens over na te denken. De oppositie staat daar op winst, de regeringspartijen op verlies (CDA) of stagnatie. Dat oogt weliswaar stabiel, maar dat is het niet. Buiten het blikveld van deze enquêteurs is nog steeds veel in beweging. Ook het Nederlandse electoraat is verdeeld in een soort «driekwart maatschappij». Driekwart bepaalt zijn stem op programmatische en vooral personele gronden. Maar een kwart kiest a priori voor de oppositie. De winst die Wouter Bos dankzij de anti’s zou boeken, raakt hij in het Torentje zo weer kwijt.

Vandaar dat de tweede lijn in PvdA, SP en GroenLinks de Dag van Arbeid heeft aangegrepen om haar eenwordingsproject Een ander Nederland met cijfermateriaal te ondersteunen. In 79 procent van de gevallen stemmen de fracties gelijk: waarom dus niet verder zoeken naar samenwerking? Dat PvdA, SP en GroenLinks in bijna de helft van de stemming over Europa tegenover elkaar staan, mag de pret niet drukken. Blokvorming zou dit altijd ondankbare kwart van het electoraat immers kunnen neutraliseren.

Maar nu is daar ineens de PRDV: de Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang van Peter R. de Vries, de «misdaadverslaggever» die in 2003 pal achter de baar aanliep van zijn geliquideerde vriend Cor van Hout (een der ontvoerders van Heineken en diens chauffeur Doderer) met wie hij een all time bestseller voor de voetbalkleed kamers heeft geschreven. Peter (zijn voornaam is voldoende) twijfelt nog: «Ik doe dit niet om in de marge van de politiek ook wat mee te praten. Dan hobbel je alleen maar mee op het pad dat de gevestigde orde heeft uitgezet. Verder heb ik nog onvoldoende antwoord op de vraag of ik karakterologisch gezien wel de juiste man op de juiste plaats ben. Ook daarover ben ik nog met mezelf in gesprek.» Met zichzelf in gesprek? Zeker. En ook met ex-wethouder Rob Oudkerk uit Amsterdam, die dit najaar beslist of hij in de PvdA blijft of voor zichzelf begint.

PRDV is de zoveelste eclecticus in de politiek. Hij positioneert zich – Peter wil «de bakens op een aantal elementaire punten verzetten» – naar eigen zeggen eerder links dan rechts. Vandaar dat Een ander Nederland, indachtig de les van Fortuyn, nu zo behoedzaam reageert. PRDV gokt namelijk op de kiezers die altijd tégen zijn en beslissen over meer dan dertig zetels.

Volgens 21minuten heeft Nederland geen vertrouwen meer in de overheid. Het bedrijfsleven heeft meer krediet. Tegelijkertijd worden steeds meer burgers moe van al die allochtonenfetisjisten uit de intelligentsia die voor elke hondendrol een adres hebben.

Er liggen nog steeds dertig zetels voor het oprapen: niet voor de politicus die een uitgekristalliseerd programma heeft maar voor de man die alles aan elkaar naait. Die dertig zetels zijn exact het verschil tussen regeren of opponeren.