Het gedicht als oog

Zijn gedichten doen vergeten wat poezie is. Kijken is Bernlefs geheim. Een verslag van een maand lang dwalen met twintig bundels onder de arm.

MAANDAG, 11 APRIL 1994. Ik loop nu al zo'n maand met twintig Bernlef-bundels rond, van luie stoel naar bureau, van bed naar tuin, in de trein of in logeerkamers van vrienden. Kokkels is Bernlefs eersteling uit 1960. Niemand wint is voorlopig zijn laatste bundel, in 1992 verschenen bij Querido. Daartussen hebben achttien andere bundels het licht gezien, plus twee verzamelbundels.
Ik zou Bernlefs poezie kunnen ophangen aan een paar regels, zoals die uit het gedicht ‘Marianne Moore’ (Morene, 1962): 'Poezie is een vermoeden dat alles (pijpe-/ krullen gerangschikt in een lege bonbondoos,/ het palet van een benzinevlek) gebruikt.’ Dergelijke citaten lenen zich uitermate goed voor het schrijven van een stukje waarin met een pennestreek de dichter wordt neergezet, met als titel 'Het vermoeden dat poezie heet’. Zulke stukjes leveren misschien amusant leesvoer op, maar of ze ook recht doen aan het werk is een heel andere zaak. Daarom doe ik het anders: een openbaar dagboek dat een neerslag vormt van mijn weken met Bernlefs poezie. Het zal fragmentarisch zijn en te dicht op de gedichten zitten om een overzicht te krijgen. Maar de kans dat er tussen die opmerkingen en aantekeningen iets verhelderends opduikt, lijkt mij zo groter dan wanneer ik het werk van tweeendertig jaar in een leuk stukje prop.
Misschien komen mijn scrupules ook wel voort uit het lezen van de twintig bundels, en dan met name die uit het eerste decennium, met Barbarber-boeken als De schoenen van de dirigent (1966) en Bermtoerisme (1968). Het zijn produkten van het verlangen om alles mee te laten doen. Niets mag worden overgeslagen. Achterop De schoenen - de flapteksten lijken mij van Bernlefs eigen hand - zegt hij het zo: 'In zijn aandacht voor het nog weinig ontgonnen gebied van het zogenaamde pointeloze, vervelende en de intrigerende mechanismen van de herhaling probeert Bernlef onze waardeoordelen aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. (…) Het gaat er niet alleen om, de grenzen van de poezie uit te breiden; we moeten eens vergeten wat dat is: poezie.’
Dit werk, vergezeld van dergelijke uitspraken, leverde hem het epitheton op van 'experimenteel dichter’. Het is een benaming die nooit in mijn hoofd is opgekomen, maar die misschien wel beter bij de vroege Bernlef past dan bij de Vijftigers die veel vaker zo zijn genoemd. En nu de etiketten uit de kast rollen, vind ik er een die er vlakbij ligt en nog beter van toepassing lijkt: 'conceptueel’.
Twee extreme voorbeelden. 'Wild Gardening’ is een gedicht waar in mijn exemplaar van Bermtoerisme een elastiekje omheen zit. Voor ik het kreeg van een vriend die mij wilde dwingen mee te spelen, had het gedicht nog op de geperforeerde bladzijden van het boek gestaan. Die vriend had de kaartjes met tekst er alvast uitgescheurd zodat ik, overeenkomstig Bernlefs wens, mijn eigen gedicht moest gaan samenstellen. Op de kaartjes staan teksten als 'op een straathoek te zien:/ een hond, een vuilnisbak/ een man, een afbeelding/ van een dasspeld en/ een dots poetskatoen in de goot’, en deze waar Bernlef varieert op Charles Ives: 'eigenlijk schrijf ik geen gedicht/ ik houd grote schoonmaak/ alles wat over is hangt/ aan de waslijn.’
In De schoenen staat een reeks die volgens een conceptueel recept is geschreven: zeven teksten met als titels de dagen van de week, gevolgd door de datum (maandag 14 juni tot en met zondag 20 juni 1965). Elk daggedicht bestaat uit vier delen: het weerbericht voor die dag, een kort gedicht, de dagboekaantekening van die dag ('Verschrikkelijke drukfout in De Groene… Kwaaie brief geschreven’) en een kort dialoogje tussen Bernlef, zijn vrouw Eva en hun nog heel jonge dochter Annabel. Het zijn teksten die als zo veel conceptuele kunstuitingen meer om concept en houding lijken te gaan dan om het eindprodukt. Wie hier de aloude norm van het juiste woord op de juiste plaats wil toepassen, komt in de problemen. In 'Wild Gardening’ moet de lezer immers zelf door het schudden van de kaarten de plaats bepalen.
WOENSDAG, 13 APRIL 1994.
OP TIJD
Laten wij dankbaar zijn dat ons brein dit zo vertraagt
dat wij kunnen ontbijten in het hart van een orkaan
dat ik je haren strelen kan zonder onder stroom te staan
dat kinderen zo langzaam jarig ouders steeds sneller maar toch nog steeds bestaan
Konden wij werkelijk zien het zou ons op slag vergaan.
VRIJDAG, 15 APRIL 1994. 'Op tijd’ komt uit Bernlefs tot nu toe laatste bundel. Het gedicht had ook nooit in een vroege bundel kunnen staan. Wat die slotstrofe verwoordt, staat lijnrecht tegenover het vertrouwen in het kijken en zien dat zo kenmerkend is voor zijn Barbarber-tijd. Met ogen die er verslaafd aan lijken, is Bernlef continu om zich heen aan het koekeloeren. Talloos zijn de gedichten die vertrekken vanuit een alledaagse observatie. Soms blijft het daarbij - zie het al aangehaalde straathoekgedicht uit 'Wild Gardening’ - vaker mondt het uit in wat dit teweegbrengt in het hoofd van de dichter. De mechanismen van het kijken komen ook regelmatig aan bod in beelden uit het domein van de fotografie. Lees bijvoorbeeld 'Het geluid van de sluiter’ uit Hoe wit kijkt een eskimo (1970).
Het aanschouwen van alles wat zich voordoet aan de ogen, vanaf een afstand of met de neus er bovenop, verandert echter meer en meer in een paradoxale manier van kijken. De blik die zich onbevangen op iets richt, blijkt toch vooral niet te zien. In ieder geval niet dat waar het Bernlef steeds meer om te doen is - de laatste regels van 'Een tekening van Giacometti’ uit Stilleven (1979): 'Zo wist hij wat wij dachten/ tot verschijnt wat hij doorziet// Wat als je even niet zou kijken/ je dan misschien vanuit een ooghoek/ ziet.’
Wie gericht kijkt, kijkt voorbij aan de dingen waar het om gaat. Die doen zich alleen maar voor als je er niet naar zoekt. Dat betekent niet dat Bernlef zich aansluit bij de Kopland van 'wie wat vindt heeft slecht gezocht’. Voor Bernlef is het wel degelijk mogelijk om iets te zien, te vinden of te ontdekken. Hij zou het misschien zo formuleren: wie wat vindt, heeft wat anders gezocht. Het voltrekt zich meer en meer langs onvermoede wegen, als je even niet kijkt.
ZATERDAG, 16 APRIL 1994. Er is een tijd geweest dat veel Nederlandse dichters zich vooral leken bezig te houden met het probleem van de verhouding tussen taal en werkelijkheid. Het zogenaamde 'referentialiteitsprobleem’ was in ieder geval spekkie voor het bekkie van veel poeziecritici. Vaak vormde het werk van Faverey en Kouwenaar de aanleiding om daar eens uitvoerig op in te gaan. Deze regels van Faverey uit Chrysanten, roeiers (1977) hebben inmiddels mede daardoor de status van een klassieker gekregen: 'De chrysanten,/ die in de vaas op de tafel/ bij het raam staan: dat// zijn niet de chrysanten/ die bij het raam/ op de tafel/ in de vaas staan.’
Ook Bernlef heeft zich op dit terrein begeven en beduidend eerder dan veel anderen. Het is trouwens opvallend hoe vroeg hij zich heeft ingelaten met thema’s die later veel aandacht krijgen. Wat daar altijd bij opvalt, is de praktische nuchterheid waarmee hij de zaken te lijf gaat. Hij gaat de complexiteit niet uit de weg, maar wijst als een nuchtere boer ook graag naar de simpele kant van de zaak.
Van Kouwenaar verscheen in 1978 de bundel volledig volmaakte oneetbare perzik. Die titel kreeg in de kritiek bijna programmatische allure. Bernlefs 'Een appel uit een schaal fruit pakken’ uit Brits gaf in 1974 al blijk van zijn praktische kijk op deze problematiek:
Fruit kun je niet filmen je kunt het zeggen en schrijven met een volle mond
Maar niet met een volle mond fruit, al staat dat hier
Zeg eens: ik eet fruit. Wat proef je dan?
Een slogan propvol eetkracht en onmacht: eet meer fruit
Gelukkig dat de schaal niet van taal is, zoals het fruit erop
En ik de appel kan pakken (ik pak hem).
MAANDAG, 18 APRIL 1994. Literaire prijzen heb ik altijd gezien als een curieus overblijfsel uit de tijden van de rederijkers, de heren en de enkele dame die in hun Kamers met elkaar wedijverden om de poetische eer. Toen ik hoorde dat Bernlef de P.C. Hooft-prijs zou krijgen voor zijn poezie, dacht ik dan ook: O. De oeuvreprijzen van nu doen mij altijd denken aan het spreekwoordelijke gouden horloge voor vijfentwintig jaar trouwe dienst. Misschien gaat het ook niet eens zozeer om zijn poezie als wel om de diensten die Bernlef de Nederlandse literatuur heeft bewezen. En dat zijn er niet weinig.
De conceptuele poezie van de beginjaren heeft wellicht niet veel gedenkwaardige gedichten opgeleverd, gedichten die je na lezing nog jaren met je meedraagt, regels die door je hoofd blijven spoken en een eigen leven gaan leiden. Bernlef heeft dat toen ook geen probleem gevonden, getuige deze regels uit het gedicht voor zijn critici achterop Ben even weg (1965): 'Daarom is deze zin van Kees Fens een compliment:/ men is de meeste verzen even snel vergeten als/ de eerste indruk aangenaam was./ Tandenpoetsen en sterven, handenwassen en liefde; eten, drinken,/ slapen, gedichten schrijven.’ Maar de houding die eruit spreekt, die bevlogen nuchterheid die in Barbarber waarschijnlijk het sterkst gestalte heeft gekregen, is nog altijd zeer verfrissend. De aandacht voor het onopvallende, het marginale, het zogenaamde buiten-literaire heeft het blikveld niet alleen aanzienlijk verruimd, het is ook een impliciet pleidooi voor een anders omgaan met (machts)verhoudingen, hierarchieen (literaire en niet-literaire) en waardeoordelen. Kortom, een vrolijke Umwertung van allerlei waarden die zelf nog maar weinig van haar waarde heeft verloren. Ik zou zelfs durven beweren dat elke schrijver hier een tik van mee moet krijgen, wil zijn werk meer zijn dan het bedrijven van schoonschrijverij.
VRIJDAG, 22 APRIL 1994. Vrijwel vanaf het begin duiken er andere dichters (en kunstenaars en muzikanten) op in het werk van Bernlef. In Morene begint dat met Marianne Moore en Wallace Stevens - de titel van het betreffende gedicht luidt 'Mag ik mij veilig en tevreden voelen als Wallace Stevens?’ - en sindsdien is het niet meer opgehouden. Hij heeft het simpelweg nooit onder stoelen of banken gestoken als werk van anderen hem prikkelde, beinvloedde of aanleiding vormde voor het schrijven van een gedicht. Van een zelfde ontvankelijkheid getuigen essaybundels als Het ontplofte gedicht (1978), Op het noorden (1987) en Ontroeringen (1991).
Zijn enthousiasme voor andermans poezie heeft ook geleid tot een behoorlijke stapel vertalingen, varierend van een kleine selectie in een literair tijdschrift, meestal Raster, tot de verzamelde gedichten van een dichter. Bernlef heeft op die manier een hele reeks dichters in Nederland geintroduceerd. En daarmee heeft hij - hoe men ook oordeelt over de vertalingen - de Nederlandse poezie een dienst bewezen die lang is onderschat. De bundel met alle gedichten van Tomas Transtromer, Het wilde plein, is verschenen in 1992. Sindsdien lijkt het besef dat Bernlef een ware schatgraver is, zich steeds wijder te verbreiden. Marianne Moore, Elizabeth Bishop, Lars Gustafsson, Lawrence Raab, Weldon Kees en nog enkele anderen, de rijkdom is groot.
Niet alleen als poezievertaler heeft Bernlef zijn bijdrage geleverd. Toen ik een aantal jaren geleden bij toeval op het kleine meesterwerk Tva dagar, tva natter van Per Olof Sundman stuitte, dacht ik na lezing meteen: dit wil ik gaan vertalen. Bij nader onderzoek bleek dat ik me de moeite kon besparen. Bernlef had het boek uit 1965 al lang vertaald. Zo lang geleden zelfs dat Twee dagen, twee nachten nu geheel ten onrechte in de vergetelheid is geraakt. (Zou uitgeverij Meulenhoff misschien weer eens…?)
Een zekere mate van verwantschap is bij Bernlef meestal de reden om poezie van anderen te vertalen. Een sterk staaltje van verwantschap is die tussen zijn bundel Morene en het poeziedebuut van Gustafsson uit 1962, De ballonvaarders. In Bernlefs bundel uit 1961 staat een afdeling met de titel 'De aeronauten’, en ook dat zijn ballonvaarders. Bij mijn weten zijn beide dichters geheel onafhankelijk van elkaar ertoe gekomen deze luchtreizigers tot personages te maken in hun poezie.
MAANDAG, 25 APRIL 1994. Het is vreemd, maar toen ik de gedichten uit de laatste bundel weer las, dacht ik heel even dat mijn stuk een necrologie zou worden. Niemand wint zit zo vol dood en rouw dat het haast lijkt alsof Bernlef zelf afscheid aan het nemen is. Mogelijk verwar ik de dichter te veel met zijn gedichten, maar lees dit bijvoorbeeld:
IN DE BLINDENSTOK
Het uiteinde van de gestreepte stok tikt even tegen de grootste microscoop en het ik explodeert
Voorbode die heimwee achterlaat en je ogen opent in de blindenstok die zich een weg baant door de sterrenstelsels.
Straks kunnen wij gaan; straks!
Nu nog lokt grillige muziek ons deze kant op, de kant van het oorverdovend vogelbos.
DONDERDAG, 28 APRIL 1994. De slotregel van 'In de blindenstok’ roept een ander gedicht op, en wel 'De herinneringen zien mij’. Dat eindigt met de regels 'Ze zijn zo dichtbij dat ik ze hoor ademhalen/ hoewel de zang van vogels oorverdovend is’ - 'ze’ zijn de herinneringen. Dit is geen gedicht van Bernlef zelf, maar van Thomas Transtromer, de Zweed wiens werk vanaf het eind van de jaren zeventig dat van de Nederlander vergezelt. De kennismaking met de poezie van Transtromer is Bernlef niet in de koude kleren gaan zitten. Hij heeft zelf eens beschreven hoe dat in zijn werk is gegaan. 'Het is mij maar hoogst zelden overkomen dat het werk van een dichter mij zo “op het lijf” geschreven voorkwam. De schok der herkenning is dat wel eens genoemd. Maar het is geheimzinniger. Het had meer te maken met een zogenaamde deja vu-ervaring dan met een vorm van herkennen. Het was een gevoel alsof de gedichten op de een of andere manier al ergens in mij bestonden, dat ik ze al eens gelezen had, al wist ik dat dat onmogelijk was, en dat alleen het lezen van Transtromers tekst nodig was geweest om wat als vage vermoedens en intuities al in mij aanwezig was, naar de oppervlakte te brengen. (…) Het is moeilijk dat deja vu-gevoel van toen onder woorden te brengen, misschien wel omdat het in eerste instantie een fysieke sensatie was: het gloeien van wangen, kriebel in de nek, niet meer in staat de benen stil te houden.’
Het is niet verwonderlijk dat zo'n ervaring sporen heeft nagelaten in Bernlefs eigen poezie. De intensieve omgang met iemands werk, die het maken van een vertaling altijd is, zal daar mede toe hebben bijgedragen. In het vroege werk dook al regelmatig de droom op, maar daar nog duidelijk onderscheiden van het wakend bewustzijn. Die scheiding wordt almaar vager. Net zoals bij Transtromer is het gebied waarin het gedicht zich afspeelt steeds meer dat van een soort halfslaap, de schemertoestand waarin de grenzen tussen bewustzijn en onderbewustzijn vervagen, waarin mensen en dingen een verband aangaan dat elders niet zichtbaar wordt, behalve dan in de poezie.
Zo zijn er meer elementen in het werk van Bernlef die sinds zijn kennismaking met Transtromer, zoals hij zelf schrijft, steeds vaker aan de oppervlakte zijn gekomen. Verschrijvingen uit 1985 is een bundel met prozagedichten. Een schemervorm die de Zweed ook regelmatig hanteert en die bij uitstek geschikt lijkt om gestalte te geven aan die wereld waarin grenzen vervagen. Ik zou niet vreemd hebben opgekeken wanneer een enkele keer onder een gedicht de naam van Transtromer zou hebben gestaan. Zo ver gaat de verwantschap inmiddels tussen deze twee dichters.
Sommige critici zullen zoiets een minpunt vinden en misschien met een begrip als authenticiteit gaan schermen. Bernlef zelf lijkt zich weinig gelegen te laten liggen aan dergelijke criteria en scheidslijnen. Hij publiceert en schrijft gewoon door, een wereld zichtbaar makend waar die grenzen er allang niks meer toe doen. Het gretig koekeloerende oog heeft zich steeds vaker verlaten op het kijken dat toevallig aan de rand van het blikveld nog iets opmerkt. En dat maakt op zijn beurt steeds meer plaats voor het kijken naar de binnenkant van de oogleden, waar de beelden opdoemen uit een wereld van herinneringen en andere, vaak onzichtbare verbanden - lees het gedicht 'Inzicht’ uit de laatste bundel:
En plotseling kijk je jezelf in de rug terwijl de weg onder je voeten begint te koken het zijn niet langer je ogen het is je lichaam dat ziet
Het luik naar de innerlijke wemeling klapt open- zoals je vroeger onder een steen en net als toen terugdeinst voor die razende paniek rond het bestaan van een naam.
Het is een wereld die zich soms, heel voorzichtig en schoorvoetend, tegen het religieuze aanvleit, zoals in deze slotregels van een gedicht uit De noodzakelijke engel (1990): 'Ruimte en tijd de cocon waarin wij/ hangen, waarachter wij bestaan vermoeden/ dat het onze draagt tot wij compleet// Naar buiten kruipen met vleugels/ waarvoor geen lucht, geen draagkracht meer./ Zo beschermd. Zo bij ons. Al goed.’ Bernlef is in zijn houding gaandeweg een kleine slag gedraaid: van bevlogen nuchterheid naar nuchtere bevlogenheid.