Het gedicht van Nederland

Nu alom gediscussieerd wordt over onze nationale identiteit moeten we ons afvragen welk verhaal we gaan vertellen. Wanneer we ons daartoe wenden tot de poëzie zal menige vreemdeling onze rivierdelta ontvluchten.

De geschiedenis is een verhaal. Weinigen zullen willen volhouden dat het verleden er niet echt is geweest, dat het een uit de hand gelopen gedachteconstructie is, of zelfs een verzinsel van duistere krachten die er belang bij hebben ons een oudheid of een voorgeslacht op de mouw te spelden. Dat neemt niet weg dat de ontologische status van het verleden, evenals die van de toekomst, een probleem is waarvoor zelfs Aristoteles geen bevredigende oplossing had. Aangenomen dat er inderdaad een verleden is geweest, dan moet dat gedefinieerd worden als alles wat er geweest is vóór het heden. Alles: dat is erg veel. Als we vervolgens aannemen dat er zoiets als causaliteit bestaat, wat helaas moeilijk bewijsbaar is – we kunnen alleen waarnemen dat gebeurtenissen na elkaar plaatsvinden, niet dat de ene de andere veroorzaakt – dan ligt het voor de hand te veronderstellen dat het verleden op de een of andere manier de grondslag van het heden is, dat op zijn beurt de toekomst in het leven zal roepen. In dat geval is het een goed idee van het verleden kennis te nemen.

Maar waar te beginnen? Iedereen die iets wil zeggen over het verleden moet om te beginnen een selectie uit miljarden gegevens maken. Nog even afgezien van het feit dat 99 procent van die gegevens helemaal niet bekend is: stel dat hij erin slaagt een leuk aantal feiten te verzamelen, dan zal hij die ongetwijfeld in een causaal patroon onderbrengen. Sterker nog, dat pa troon had hij al in gedachten voor hij naar de feiten op zoek ging, anders had hij nooit kunnen kiezen. Wie feiten in een verband plaatst, vertelt een verhaal. Wetenschap is altijd een verhaal, maar de geschiedwetenschap is het verhaal bij uitstek. Niemand zal dit verhaal vertellen zonder dat hij daarmee een visie op de wereld uitdraagt. Objectieve geschiedschrijving bestaat niet.

Dat is niet erg, integendeel. Wie een verhaal over het verleden vertelt, geeft zin. Van oudsher waren het de dichters die de verhalen van een gemeenschap levend hielden. Homeros stond aan het eind van een eeuwenoude orale traditie van barden die de Grieken een eigen identiteit verschaften. Deze aoidoi waren oprecht van mening dat zij de geschiedenis van hun stam doorgaven, hetgeen zij echter geenszins in strijd achtten met het feit dat zij al improviserend hun verhalen aanpasten aan de gezelschappen waarvoor ze optraden. Misschien was Homeros de eerste die, met zijn Ilias, besefte dat wat hij zong geen historische feiten betrof, maar een verhaal dat zijn waarde ontleende aan een veel diepere, archetypische of symbolische waarheid.

Wat voor Homeros geldt, gaat ook op voor epische dichters uit latere, vaak veel ontwikkelder tijden. Vergilius schiep met zijn Aeneis een mythe die generaties Romeinen op de been heeft gehouden. Tot op zekere hoogte mag men ook het Nibelungenlied en Miltons Paradise Lost rekenen tot de grote verhalen die betekenis geven aan het verleden, en dus aan het heden.

Naast deze min of meer mythische epen werden er ook echt historische gedichten geschreven. In het Latijn kennen we fragmenten uit het werk van Naevius en Ennius (derde-tweede eeuw voor Christus), en het briljante, in zijn gruwelijkheid niet te overtreffen epos van Lucanus (eerste eeuw na Christus), over de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius. Aan het eind van die eeuw schreef Silius Italicus een epos over de tweede Punische oorlog, die tegen Hannibal, in maar liefst zeventien boeken. Dat is misschien een beetje aan de lange kant, maar wie doorzet krijgt een meeslepend verhaal te lezen, waaraan in Silius’ door dictatuur geplaagde tijd kennelijk behoefte was.

Overal ter wereld heeft de wijsheid van het voorgeslacht haar neerslag gevonden in grootse poëzie. Maar is dat ook in Nederland zo? Kennen wij nationale epen? Hebben wij ooit hoogdravende hymnen geschreven om de roemrijke daden van onze voorvaderen te eren? Zijn er gedichten die elke Nederlander op school uit het hoofd leert, als bijdrage aan zijn vorming tot rechtgeaard vaderlander? Het enige gedicht dat tot voor kort aanspraak mocht maken op een speciaal plekje in het collectieve geheugen, Jan Camperts Het lied der achttien dooden – overigens een buitengewoon matig gedicht – kampt inmiddels met een imago van onoprechtheid, wat natuurlijk fnuikend is.

1975 en 1983 verschenen de twee delen van Kalliope in de Nederlanden, een magistrale studie van het renaissancistisch-classicistische epos in ons taalgebied, door de Utrechtse neerlandicus W.A.P. Smit: meer dan zeventienhonderd pagina’s imposante geleerdheid over een genre waarvan de meesten van u het bestaan niet eens zullen hebben vermoed. Toegegeven, het grootste deel van Smits werk gaat over vertalingen van Homeros, Vergilius, Lucanus, Tasso, Milton en Camoes, maar dan blijven er nog heel wat ongelezen oorspronkelijke meesterwerken over. Een groot aantal daarvan handelt over bijbelse thema’s, zoals De gevallen van Ruth door Anna van der Horst (1764), Mozes van Nikolaes Versteeg (1771) en het onvoltooide De ondergang der eerste wareld van Willem Bilderdijk (1820). Maar er blijken ook nationale heldendichten te zijn gewrocht. Zo publiceerde Margareta Geertruid van der Werken in 1756 een epos over stadhouder Willem IV, met bloedstollende passages als deze: «De loopgraav’ opent zig; de zwaveldampen rooken;/ De lugt staat als in vlam, door ’t oorlogsvuur ontstooken:/ De wal, rondsom beplant met zwanger krygsmetaal,/ Ontfangt den Vyand met een doodelyk onthaal». Iets bekender is De Geusen van Onno Zwier van Haren (1771), waarin de op stand tegen Spanje wordt bezongen.

Maar het enige echte mythisch-historische epos is Klaudius Civilis van Frans van Steenwijk (1774), een dichter die zo obscuur is geworden dat er, voorzover ik weet, zelfs nooit een straat naar hem is genoemd. Het epos telt zestien zangen en begint als de Odysseia: «ô Dichtkunst! zing den held, die, na veel tegenheden,/ Door ’t vry Batavisch volk van Romes dwang geleden,/ De wreede schenders van een diergestaafd verbond/ In ’t hachlyk oorlogsveld uit hoogen nood weêrstond». Ik vermoed dat niemand na het lezen van deze regels naar de UB zal snellen om de Klaudius ademloos te verslinden.

In de negentiende eeuw werd het er niet veel beter op. Echte epische poëzie werd niet meer geschreven, patriottis tisch gebral des te meer. Ten tijde van de Franse overheersing schiep Jan Frederik Helmers De Hollandsche Natie, een lyrisch leerdicht dat berucht is om zijn hilarische bombast. In dronkenschap mag ik graag regels als deze declameren: «Nu stroomt des aardrijks schat, de geur van ’t morgenland,/ ’t Ivoor van ’t kreeftgestarnt’ naar Hollands nijvrig strand:/ De God des handels rijst aan ’t IJ! met gouden baren/ Golft de Amstel, en ’t heelal blijft op de welvaart staren!» Als in februari 1831 Van Speyk, het eerste zelfmoordcommando uit de vaderlandse historie, de lucht in vliegt, ontstaat er een ware tsunami van heldenzangen over de grote held wiens zelfopoffering geen enkel zinnig doel diende.

Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw slaat definitief de door Potgieter gemunte jansaliegeest toe. Nederland legt zich neer bij zijn behaaglijke onbeduidendheid. Je kunt Nederland nog haten, zoals Slauerhoff het deed, of in intense tevredenheid dan wel alcoholische melancholie bij de haard zitten, zoals Nicolaas Beets en J.C. Bloem, maar opscheppen over de grootse bijdragen die onze natie aan het welzijn van de wereld zou hebben geleverd, is voortaan verdacht.

Dat betekent vanzelfsprekend niet dat er geen poëzie meer wordt geschreven die betrekking heeft op de vaderlandse geschiedenis, of dat actuele kwesties worden gemeden. Zeker is er in de twintigste eeuw een ontwikkeling geweest in de richting van een steeds hermetischer, steeds meer op zichzelf gerichte poëzie, maar er zijn ook altijd tegenkrachten geweest. Lucebert debuteerde met een felle aanklacht tegen de politionele ac ties, zijn befaamde Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia (december 1948), waarin regels als deze staan: «en de ratten van ons knagen rennen door je scherven hals/ en je heft de bommen kraters busten rokende vulkanen op onze sprei en schrijftafels/ en je met spervuur pneumatische boren gevilde zilveren longen gillen ons: zalf ons».

Maar misschien is het beter onderscheid te maken tussen enerzijds poëzie die rechtstreeks op de actualiteit reageert, en daarom voor toekomstige his torici van belang is bij het beoordelen van een tijdgeest, en anderzijds poëzie die met enige afstand het verleden oproept. De door Lucebert met zoveel woede beschreven politieke situatie van het eerste naoorlogse decennium kleurt weliswaar de nostalgie van Jules Deelder, maar doet er geen afbreuk aan. In Deelders prachtige Portret van Olivia de Havilland (1985) vormen de koloniale perikelen voor Rotterdamse straatjongens halverwege de jaren vijftig niet meer dan een spannend verhaal: «toen in Korea oud-/ SS-ers werden ingezet/ om het Gele Gevaar/ te keren en de kwes-/ tie-Indonesië menig-/ een nog danig dwars/ zat al wist niemand/ ook precies meer hoe/ of wat met die Soe-/ karno en die Hatta/ behalve dan dat geen/ van tweeën deugde». Veel belangrijker was dat de «Wederopbouw hier pas/ goed op gang kwam en/ de wandelsport onder/ jongeren een grote/ vlucht nam terwijl/ ook het korfbal een/ opleving kende en in/ de bios de kleuren-/ film doorbrak».

Ook in de allernieuwste poëzie zijn er dichters die nooit naar buiten kijken, dichters die gedreven reageren op wat er om hen heen gebeurt, en dichters die op de geschiedenis reflecteren. Frans Budé, die bekend staat als een tamelijk hermetische dichter, schreef een reeks gedichten over de asielzoeker Amadou (2003). Zo spreekt de ontheemde Afrikaan tot de gastvrije Hollander: «En hoe de levenslust bij jullie: is er liefde te bedrijven, verzilvert de maan je schroom? Valt jullie bleekheid te berijmen, het verschil in regen, en wat de klare lijn die zich ontrolt achter de laatste huizenrij, als de maan begint te wassen?»

Zoals Budé de actualiteit tot leven brengt door een met name genoemd individu als vertegenwoordiger van een groep op te voeren, spreekt ook Mustafa Stitou één enkele in de moderne westerse wereld verdwaalde gast arbeider toe (2003): «voor honger en vernedering gevlucht/ op spierkracht geselecteerd en op gebit/ maar voor ouderdom geen talent (…) en geen ge schiedschrijver die naar jullie ge schie denissen/ taalt».

De geschiedenis is een verhaal, en al meer dan anderhalve eeuw vooral een verhaal van frustraties, verdriet en traumatische herinneringen. Jan Eijkelboom heeft zich enkele malen uitgelaten over zijn belevenissen tijdens de door Lucebert vervloekte koloniale oorlog. Naar aanleiding van een krantenfoto schreef hij in 1996: «Je kent dat herkent dat,/ het onbezorgd rondhangen/ in het aangezicht van de dood,/ de dood van anderen vooral». Deze illusieloze visie op het recente verleden wordt door H.H. ter Balkt in zijn Laaglandse hymnen met terugwerkende kracht op de gehele vaderlandse geschiedenis geprojecteerd. Het oudste Nederlandse tekstfragment begint volgens hem zo: «Onder de dikke tong van het onweer (…) taal dof gegrinnik … als kikker kwaken». Onze welvaart hebben we aan Calvijn te danken, die ook onze in heemse grauwheid versterkte: «kleurloosheid en schraalheid, list// en geld, uitverkiezing, vlijt, voorbestemming/ en hagepreken».

Nu er alom gediscussieerd wordt over onze nationale identiteit en de wijze waarop die door middel van het geschiedenisonderwijs kan worden geprofi leerd, zullen we ons moeten afvragen welk verhaal we gaan vertellen, dat van Helmers of dat van Ter Balkt.

In het ene geval zingen we: «’t Is wellust, voor den grond te sneven,/ Waaronder de asch der oudren rust,/ Waarop uw kroost ontving het leven,/ Waarop gij ’t eerst uw gade, als moeder hebt gekust». In het andere geval beschrijven we onszelf zo: «Dof, inwisselbaar, bedaard, kil, onverkwikkelijk,/ vilein, twistziek, gekromd, mistig, grof besnaard,/ (…) geklauwd, berekenend, boosaardig, listig».

Het is aan het kabinet om te bedenken met welk verhaal we de onaangepaste allochtoon het beste kunnen opvoeden tot brave landgenoot. Ik acht het niet uitgesloten dat menige vreemdeling na kennisneming van welk van deze verhalen dan ook halsoverkop onze rivierdelta ontvlucht.