Rinke van den Brink, In de greep van de angst

Het geesteszwaard der vrijheidsscharen

Rinke van den Brink

In de greep van de angst: De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme

Houtekiet, 568 blz., € 22,-

«’t Bloeit van buiten, ’t bloeit van binnen,/ Uit den schijndood blij ontwaakt/ Gaat nieuw leven nu beginnen,/ D’oude boeien zijn geslaakt.» Deze woorden van de Nijmeegse sdap-leider H.J. Hegeraat, op een melodie van Otto de Nobel, werden vroeger gezongen op 1 Mei-bijeenkomsten. Sinds de glorieuze wederopstanding van de PVDA onder de bezielende leiding van Wouter Bos lijkt er alle aanleiding om op de komende Dag van de Arbeid dit lied weer aan te heffen. De «schijndood» waarin de partij sinds de dramatische verkiezingen van 2002 verkeerde is voorbij; verheugd en optimistisch beginnen honderden nieuwe raadsleden aan hun werk en tal van prominenten lopen zich reeds warm om na de parlementsverkiezingen van volgend jaar toe te treden tot het eerste kabinet-Bos.

De conjunctuurgolven van de politiek lijken niet alleen steeds heftiger te worden, met hogere pieken en diepere dalen, ook volgen ze elkaar in almaar hoger tempo op. Het triomfalisme van het tweede paarse kabinet verbleekte razendsnel door de oogverblindende en stormachtige opkomst van Pim Fortuyn. Het hoogtij van het rechtspopulisme, dat na het debacle van de lpf snel wegebde, maar na de moord op Theo van Gogh weer werd opgezweept door Geert Wilders, lijkt inmiddels wel voorbij. De gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart betekenden in de meeste plaatsen een klinkende overwinning voor de PVDA, die vooral ook kon profiteren van het allesbehalve indrukwekkende optreden van Balkenende cum suis.

Wanneer er de laatste tijd boeken verschijnen over de aantrekkingskracht van het rechtspopulisme en de problemen van de sociaal-democratie, lijkt dat dus mosterd na de maaltijd. De problemen waarmee de sociaal-democraten, en de politiek in het algemeen, sinds het begin van deze eeuw worden geconfronteerd, zijn echter allerminst verdwenen. Elk moment kan er een incident plaatsvinden waardoor de nog altijd aanwezige spanningen en tegenstellingen tot uitbarsting komen en demagogen erin slagen veel kiezers te verleiden.

Medium hartmans2a

Het eind vorig jaar verschenen boek In de greep van de angst van Rinke van den Brink, over de wijze waarop de sociaal-democratie in zes Europese landen is omgegaan met de uitdaging van het rechtspopulisme, is dus allesbehalve overbodig. Van den Brink, die een aantal boeken over extreem-rechts op zijn naam heeft staan en redacteur is bij het NOS-Journaal, beschrijft hoe de sociaal-democratische partijen in België, Frankrijk, Denemarken, Oostenrijk en Nederland terrein hebben moeten prijsgeven aan rechtspopulistische en soms zelfs extreem-rechtse partijen. Anders dan hun geestverwanten in Groot-Brittannië, Duitsland en Zweden hebben zij moeten toezien hoe dergelijke partijen steeds meer aanhang verwierven, omdat zij niet alleen xenofobe onderbuikgevoelens vertolkten, maar dikwijls ook linkse thema’s kaapten.

Dat er in Groot-Brittannië geen rechtspopulistische partij is opgekomen heeft waarschijnlijk veel te maken met het Britse kiesstelsel, terwijl in Duitsland de kiesdrempel van vijf procent een handje helpt. Bovendien is in dat laatste land elk rechts-radicaal geluid zo «besmet», dat er onmiddellijk enorme tegenkrachten worden gemobiliseerd. De in dit opzicht succesvolle Labour Party en SPD heeft Van den Brink echter niet in zijn boek behandeld. De enige gunstige uitzondering waaraan hij aandacht besteedt, is de Sveriges Socialdemokratiska Arbetareparti (SAP).

Vergeleken met de vijf andere Europese sociaal-democratische partijen hebben de Zweedse socialisten veel minder ideologische veren afgeschud. Volgens de SAP-minister voor Integratie Mona Sahlin hebben die andere partijen veel te veel concessies aan het sinds de jaren tachtig oprukkende neoliberalisme gedaan: «Je kunt vreemdelingenhaat en racisme niet bestrijden als je nalaat je sterk te maken voor de verzorgingsstaat, voor vrouwenrechten, voor rechtvaardigheid en ontplooiingskansen voor de arbeidersklasse. […] Je kunt nooit een klein beetje als de rechtspopulisten zijn. Je moet anders zijn en dat duidelijk tonen. Met een variant op een bekend Engels gezegde: you can’t join them, you have to beat them.»

Critici beweren dat het politieke establishment in Zweden wel degelijk een deel van de rechtspopulistische agenda heeft overgenomen, en dat de regels met betrekking tot migratie en integratie zijn aangescherpt, maar tegelijkertijd wordt het rechts-extremisme er keihard aangepakt. Ook hebben de Zweedse sociaal-democraten een veel groter deel van de middenklassen voor zich kunnen winnen, terwijl zij nog altijd ook in staat zijn de meerderheid van de laagst opgeleiden te mobiliseren.

Hoewel de omstandigheden in de overige vijf landen sterk van elkaar verschillen – in Oostenrijk, Frankrijk en België heeft het rechts-extremisme veel meer en al veel langer succes dan in Nederland – speelt de houding van de sociaal-democratische partijen ten opzichte van hun eigen tradities en beginselen overal een rol. In het boek van Van den Brink komt dit af en toe wel ter sprake, maar hij werkt het niet systematisch uit. Toch wordt uit het hoofdstuk over Nederland duidelijk hoezeer de sociaal-democratie een partij voor de middenklasse is geworden, die wordt gedomineerd door professionele bestuurders en ambtenaren, die zozeer zijn vergroeid met de overheid dat ze nauwelijks nog voeling hebben met de groepen die traditioneel de achterban van de partij vormden. Dat begon al met de opkomst van Nieuw Links in de jaren zestig. Vanaf die tijd zetten kosmopolitisch ingestelde vrijgestelden allerlei zaken op de agenda – ontwapening, ontwikkelingshulp, feminisme, verregaande democratisering – die het «gewone volk» niet interesseerden. Toen deze onderwerpen in de jaren tachtig uit de mode raakten, paste het kader zich aan de managementideologie van het neoliberalisme aan en ontpopte het zich tot technocratische bestuurders, die nog verder van de kiezers af kwamen te staan dan de slobbertruien en tuinbroeken uit de jaren zeventig. Politiek werd het beleidsmatig oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Met zoiets als idealen of een toekomstvisie hield men zich niet meer bezig. Dat gaf Pim Fortuyn de gelegenheid te fulmineren tegen de Haagse arrogantie, de stroperigheid van de besluitvorming en de kloof tussen politici en burgers. De in zijn ogen «verweesde samenleving» had behoefte aan een krachtdadige leider met visie, aan iemand die wel luisterde naar de «gewone mensen».

Van den Brink heeft voor zijn boek in de zes landen gesproken met talloze politici, beleidsmakers en wetenschappers. Hij laat hen uitgebreid aan het woord, wat soms resulteert in citaten van drie of vier pagina’s. Daardoor loopt de lezer het risico kopje-onder te gaan in de enorme hoeveelheid, vaak zeer interessante en relevante, informatie. Dit wordt verergerd door het feit dat Van den Brink aan het einde van de hoofdstukken geen samenvatting plus conclusies geeft, terwijl hij ook aan het einde van het boek verzuimt de balans op te maken. Als materiaalverzameling is het een waardevol boek, maar analytisch is het niet erg sterk.

Waar het vooral aan ontbreekt is een analyse van de ideologische ontwikkeling van de sociaal-democratie. Soms zijn er aanzetten hiertoe in hetgeen Van den Brinks gesprekspartners vertellen, maar zelf waagt hij zich er niet aan. Zo wordt af en toe een vergelijking gemaakt tussen de reacties op het huidige rechtspopulisme en de houding van sociaal-democratische partijen in de jaren dertig. Hoewel de geschiedenis zich nooit herhaalt, en de vergelijkingen tussen Fortuyn en het fascisme vaak gemakzuchtig en demagogisch waren, heeft het blootleggen van de overeenkomsten en verschillen van beide verschijnselen zeker zin.

Waren de technocratische sociaal-democratische bestuurders uit de jaren negentig verblind door het neoliberale managementdenken, in de jaren dertig belemmerden de verouderde marxistische oogkleppen hen het zicht op de veranderende werkelijkheid. Men bleef zich exclusief oriënteren op de arbeidersklasse en zag over het hoofd dat deze niet langer groeide, maar dat het de middenklassen waren die steeds belangrijker werden; men hield vast aan de overtuiging dat de komst van het socialisme een noodzakelijkheid was, geen ideaal waarnaar men moest streven; en met betrekking tot de parlementaire democratie bleef men er dubbelzinnige opvattingen op nahouden. Onder invloed van een kleine groep vernieuwers, die zich realiseerde dat het opkomende nationaal-socialisme hier sterk van profiteerde, vond er binnen enkele jaren een diepgaande ideologische koerswijziging plaats. Dat was niet het afschudden van «ideologische veren», dat was het herdefiniëren van idealen en het bijstellen van de strategie.

Het zou interessant zijn te kijken in hoeverre de situatie van toen parallellen vertoont met die van nu, waarbij uiteraard niet over het hoofd mag worden gezien dat de economische, sociale en internationale verhoudingen sterk veranderd zijn. Wat echter niet veranderd is, is de noodzaak voor een sociaal-democratische partij duidelijk aan te geven welke doelstellingen ze nastreeft, voor welke doelgroepen en binnen welke kaders. Daarbij moet vanzelfsprekend worden gekeken naar wat er onder de bevolking leeft, maar dat hoeft niet te ontaarden in populisme. Het zou geen kwaad kunnen als de sociaal-democratie weer eens zou nadenken over haar oude ideaal van «volksopvoeding». Ook dat idee is ten onder gegaan in het Nieuw Linkse gebral over «zelfontplooiing» en «mondigheid», terwijl het een goed alternatief zou zijn voor de koddebeierige manier waarop bijvoorbeeld de rechtspopulisten van Leefbaar Rotterdam de afgelopen jaren de verloedering te lijf zijn gegaan. Dan zouden de regels uit een ander socialistisch strijdlied weer actueel worden: «Niet met de waap’nen der barbaren,/ Met kruit noch degen kampen wij;/ Het geesteszwaard der vrijheidsscharen/ Brengt slechts den zege aan hun zij.»