Mijn Murakami

Het geheim is openbaar

Er is niets mooiers dan een geheim meesterwerk: de magistrale roman van de geweldige die jij hebt ontdekt en niemand anders. Met pijn in het hart moet je aanzien hoe jouw geheime liefde langzaam maar zeker openbaar wordt. Dat overkwam Joost de Vries met Haruki Murakami.

DE EERSTE KEER dat ik iets van Haruki Murakami las was in februari 2002, vlak voor mijn negentiende verjaardag, toen ik nog eerstejaars student in Utrecht was. Het boek was Norwegian Wood. Waarom ik juist dit boek koos weet ik niet meer. Ik weet nog dat het ’s ochtends was, dat een college in de binnenstad was uitgevallen zonder dat ik daarover was ingelicht en dat ik met niets te doen een boekwinkel was binnengelopen.
Om de meest triviale reden denkbaar begon ik door een Engelstalig boek te bladeren: het omslag was mooi. De zijkant was zwart met een rood pantertje, op de voorkant stond een mooi Japans meisje met een rode zon in haar gezicht. Van de schrijver had ik nog nooit gehoord. De achterflap sprak over een student in het Tokio van de jaren zestig, liefde, muziek, eenzaamheid en verlangen, ‘adrift in a world of uneasy friendships, casual sex’. Afgezien van de jaren zestig, en met de adjectieven omgedraaid, klonk het een beetje zoals ik mijn studententijd tot dan toe beleefde. Ik ging het lezen.

De roman voelde meer aan als memoires dan als een roman. Nergens had je het idee dat hier een romancier aan het werk was, die op wat voor manier dan ook taalkundige of narratieve spelletjes speelde, of de lezer lezende hield door een gemanipuleerde spanningsboog. Het las alsof Murakami een lange brief aan de lezer voorlas, sentimenteel, helder geformuleerd. In de eenzaamheid van de hoofdpersoon Toru Watanabe zat een soort zalvende ervaring, die verlies en liefdesverdriet accepteerde als deel van het leven.

Het meest deed het lezen me toen nog denken aan het gevoel van herkenning dat ik ooit had bij Salingers The Catcher in the Rye, al was Murakami’s schrijfstijl totaal anders, kalm en helder, vol symboliek die ik niet helemaal kon plaatsen maar wel voelde. In de mooiste scène laat Watanabe een vuurvlieg vrij op het dak van zijn studentencomplex. De vuurvlieg komt versuft op de rand van de pot, hij moet wennen aan zijn omgeving, en vliegt dan weg. ‘Long after the firefly had disappeared, the trail of its light remained inside me, its pale, faint glow hovering on and on in the thick darkness behind my eyelids like a lost soul. More than once I tried stretching my hand out in the dark. My fingers touched nothing. The faint glow remained, just beyond my grasp.’
Ik kocht het boek op 4 februari (ik schrijf altijd de aankoopdatum in boeken). Op 17 februari kocht ik Murakami’s Dance Dance Dance; op 24 maart A Wild Sheep Chase; op 10 juni The Wind-Up Bird Chronicles. Later, voor Sinterklaas, vroeg ik al zijn andere in het Engels vertaalde titels.

HET EIGENHANDIG ONTDEKKEN van een schrijver is een van de meest bevredigende leeservaringen die er zijn. Opeens heb je een stukje eigen domein, een geheime boomhut waar niemand van weet en waar niemand anders bepaalt wat wel en niet belangrijk is. In een essay over J.D. Salinger maakte Joost Zwagerman al eens het onderscheid tussen officiële en geheime meesterwerken. Aan officiële meesterwerken, al dan niet gecanoniseerd, ‘kleeft een odium van geruststellende respectabiliteit’ en als lezer kun je van deze boeken genieten, maar het besef dat zo veel mensen – generaties – vóór jou dat ook al hebben gedaan maakt van het boek publiek bezit. Het is moeilijk er een persoonlijke band mee op te bouwen. Maar ‘het geheime meesterwerk, het cultboek, geeft de lezer het gevoel een uitverkorene te zijn. Voor dat soort boeken ga je door de knieën.’

Het probleem is echter: hoe houd je het geheime meesterwerk geheim? Wat gebeurt er als je erachter komt dat het helemaal niet zo geheim is als je denkt? Je herkent dit in de veel gehoorde slogan van Gerard Reve-lezers: of je vindt hem geweldig, of je vindt hem helemaal niets. Een tussenweg is niet mogelijk. Als je oplet wie dit zeggen, merk je dat het vrijwel zonder uitzondering de Reve-fans zijn. Het is een primaire emotie: door zo’n zwart-witstelling creëer je een zekere mate van exclusiviteit. Je suggereert dat wat jij briljant vindt, anderen haten. Jij ziet iets dat anderen niet zien, een geheime laag, een exclusieve band met de schrijver die alleen jij oppikt.

Die persoonlijke band heeft iets paradoxaals: jij hebt iets ontdekt, jij bent de eerste die iets geweldigs ziet, maar om dat bevestigd te krijgen zul je openbaar moeten gaan. Je zult je persoonlijke band moeten delen.

DE EERSTE MET WIE IK mijn band deel, sta mij die illusie toe, is John Updike (inmiddels zaliger). In januari 2005 schrijft hij in The New Yorker een recensie van een paar duizend woorden over de Engelse vertaling van Kafka on the Shore. In de literatuurkritiek ben je als recensent zo nu en dan in de positie om een artikel of essay te schrijven waarin je niet alleen een boek beoordeelt, maar het hele oeuvre van de schrijver onder de loep neemt en het in een literaire traditie plaatst – een definitief stuk. Het Updike-stuk is zo’n stuk, waar nog steeds vaak aan wordt gerefereerd.
De meesterrecensent schrijft over Murakami’s stijl, zijn type personages, zijn symboliek. Updike schrijft dat Murakami helemaal niet zo westers is als iedereen denkt. De spirituele elementen liggen dicht tegen het shintoïsme aan, een nog altijd aanwezige, niet-dogmatische natuurgodsdienst in Japan; het magische dat Murakami in mensen, dieren, meubels en planten ziet is gebaseerd op kami, wat vaag vertaald wordt als ‘god’ of ‘geesten’, en gedefinieerd wordt als ‘alles wat dan ook dat meer dan buiten het normale is’, elk verschijnsel dat met goddelijkheid samenhangt.
Over het geheime meesterwerk schreef Zwagerman: ‘Aan een geheim meesterwerk – dat is voorbestemd een even schimmig als tumultueus bestaan te leiden – wordt maar hoogst zelden recht gedaan. Niemand die erover schrijft zal immers ooit de exclusiviteit en intimiteit ervan kunnen evenaren.’
Met Updike heb ik mazzel, een recensent wiens autoriteit buiten kijf staat. Als in Nederland vanaf 2003 de Nederlandse vertalingen op gang komen, bij uitgeverij Atlas (daarvoor zijn een paar kleine romans uitgekomen bij uitgeverij Eldorado), word ik getest. Tegen die tijd heb ik alle Murakami’s gelezen die in het Engels vertaald zijn. Weet ik alles van de schrijver? Nee. Er zijn dan nog weinig interviews of recensies van hem in omloop. Snap ik alle boeken, alle symboliek en metaforen? Nee. Maar het is mijn terrein.
In januari 2004 schrijft Hester Carvalho in NRC Handelsblad dat ze niets heeft begrepen van De Opwindvogel kronieken, maar dat ze het desondanks prachtig vond: ‘Murakami schrijft niet alleen virtuoos, hij weet ook het metafysische invoelbaar te maken.’
Daar kan ik mee leven.

IN AUGUSTUS 2006 schrijf ik voor het eerst in De Groene Amsterdammer over Murakami, na het verschijnen van de verhalenbundel Blind Willow, Sleeping Woman en de roman After Dark. Ik probeer een handleiding te geven voor het lezen van het werk van Murakami, met welke titels een Murakami-neofiet moet beginnen en met welke te eindigen. Ik schrijf, als verheffende uitsmijter: ‘Met deze laatste romans bewijst Murakami opnieuw dat zijn cultstatus eigenlijk achterhaald is. Het woord “cultstatus” suggereert dat het gaat om iemand met slechts een eigen niche. Dat Murakami’s boeken niet met ander werk te vergelijken zijn, maakt ze geen nichewerk, het maakt ze verrassend en authentiek. En het maakt Murakami een van de origineelste stemmen in de hedendaagse wereldliteratuur.’ Ik ben tevreden. Ik heb de wereld de waarheid gezegd.
In september 2006 verschijnt Kafka op het strand. De pers stroomt juichend toe. ‘Na het allemaal gelezen te hebben, krijg ik er nog altijd niet genoeg van. De tweede keer bleek Kafka op het strand nog intrigerender dan de eerste. En als in het voorjaar Norwegian Wood in het Nederlands verschijnt, de roman waarmee Murakami internationaal doorbrak, zal ik ook die onmiddellijk gaan lezen’, schrijft Ger Groot in NRC Handelsblad. In het tv-programma van Paul de Leeuw komt actrice Georgina Verbaan, door lentebloesems omgeven, fonkelend enthousiast vertellen dat ze nu een schrijver heeft ontdekt die ze ‘helemaal waanzinnig’ vindt: Haruki Murakami.
Mijn band met Murakami wordt steeds minder intiem.

EIND FEBRUARI 2007 schuift Tim Krabbé aan bij De wereld draait door; later die week is de documentaire Dinner with Murakami op tv en de schrijver Krabbé is gevraagd om over zijn liefde voor de schrijver Murakami te vertellen. Krabbé noemt zichzelf een ‘Murakami-apostel’ en begint met tweehonderd woorden per minuut een monoloog over hoe zijn zoon Murakami heeft ontdekt en hem toen gezegd heeft dat hij het ab-so-luut ook moest lezen en dat deed hij toen hij begon in De jacht op het verloren schaap en daarna las hij alle andere Murakami-boeken en daarna meteen nog een keer en inmiddels staat hij op het punt aan een derde leesronde te beginnen want wat Murakami zo bijzonder maakt is dat hij heel verdienstelijk hardloopt want zijn toptijd voor een marathon is twee uur vijfentwintig terwijl Lance Armstrong er onlangs nota bene drie uur over deed maar Murakami heeft dat uithoudingsvermogen nodig om de hele dag te schrijven want hij staat om vier uur ’s ochtends op en schrijft tot negen uur ’s avonds en dan schrijft hij ook nog eens meesterlijk.
Krabbé praat zonder interpunctie, met het enthousiasme van een ontsnapte tbs’er, maar zonder ook maar een moment duidelijk te maken wat nu de kern van Murakami’s schrijverschap is of hoe dat Krabbé als collega-schrijver inspireert. Dus gastheer Matthijs van Nieuwkerk spoort hem aan: ‘Maar wat maakt nu dat jij voor een derde keer het rondje Murakami gaat maken?’
Krabbé: ‘Om te beginnen schrijft hij heel goed. Zijn beeldspraken zijn geweldig. Waar een mindere schrijver zou schrijven: “Ze zaten niet op dezelfde golflengte”, daar schrijft hij: “Als de dalai lama op sterven had gelegen en Erik Dolphy had hem via modulaties in het timbre van zijn basklarinet nog duidelijk willen maken hoe belangrijk het is om de juiste motorolie voor je auto te kiezen, dan hadden ze beter met elkaar gecommuniceerd dan ik met Noboru Wataya.”’
‘Nou’, lachen Matthijs van Nieuwkerk en tafelgast Giel Beelen: ‘Dat leest lekker weg.’ Daarna is het verloren. Krabbé zegt niets over hoe helder Murakami’s stijl is, hoe vertrouwd zijn surrealistische werelden zijn. Ondanks goede bedoelingen schildert Krabbé, voor een publiek van ongeveer 1,1 miljoen kijkers, hem af als een hysterisch geval, dat alleen maar in surrealistische hyperbolen vervalt: ‘Hij is een soort David Lynch die naverteld wordt door Woody Allen, maar je zou nog beter kunnen zeggen dat hij een Woody Allen is die naverteld wordt door David Lynch.’
Van Nieuwkerk: ‘Ik probéér je te volgen, Tim.’
Tegen deze tijd is het al te laat. Giel Beelen, Van Nieuwkerk en het publiek hebben de slappe lach, ik ben inmiddels onder mijn bank gekropen, rood van plaatsvervangende schaamte, groen van jaloezie (waarom hebben ze mij niet gevraagd?!) en een YouTube-gebruiker vat het een half jaar later dodelijk samen, als comment bij de video: ‘i think this youtube fragment killed every enthusiasm for Murakami and reading in general.’

ROND DEZELFDE TIJD verschijnt de Nederlandse vertaling van Norwegian Wood. Vanaf dat moment is Murakami’s werk omnipresent. Het geheime meesterwerk is publiek. In alle media komt hij aan bod. Alle boekwinkels kopen enorme hoeveelheden in, en blijven dat doen. Nog steeds ligt er een enorme stapel prominent in Broese Selexyz Utrecht, die om de zoveel tijd wordt aangevuld; Scheltema Selexyz in Amsterdam heeft sinds die tijd een speciale tafel voor Murakami-titels.
In juli 2007 verschijnt De jacht op het verloren schaap. Opnieuw unaniem gelauwerd. In Margriet zegt Hans Münstermann: de lezer moet ‘als de donder naar de boekwinkel voor De jacht op het verloren schaap. Heerlijk om je te laten meeslepen in de wereld van een schrijver die door alle grenzen heen breekt, die de liefde beschrijft, steeds opnieuw, met de verwondering van een kind en met de poëzie van een groot schrijver.’
Nu ook de Margriet-lezers?

IN FEBRUARI 2008 schrijf ik weer over Murakami in De Groene, een recensie van de verhalenbundel Na de aardbeving. Het is niet zijn beste bundel en normaal hou ik niet van dit soort zinnen vol gezwollen sentiment, maar inmiddels was de hype er. Eindeloze stapels in elke boekwinkel. Ik moet ’m niet alleen omarmen, ik moet hem zo dicht tegen me aan drukken dat er niemand tussen kan komen. Panisch schrijf ik het volgende: ‘Haruki Murakami is de Roger Federer van de literatuur, de Tiger Woods, de Michael Jordan; iemand die het spel zo goed beheerst, qua vorm, qua stijl, qua inhoud en uithoudingsvermogen, dat hij eigenlijk zijn eigen categorie zou moeten hebben.’
Eind oktober 2008 heeft de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam een avond in debatcentrum De Balie georganiseerd, ‘De magie van Murakami’, waar een aantal schrijvers komt voorlezen uit Murakami’s werk. Bij binnenkomst in de zaal zie ik dat er een gat valt tussen de andere fans en mij. Ik: jong, blond, viriel als een zonnegod. Op de eerste rijen: grijs, bebrild, pre-pensioen en leesclubje.
Saskia de Coster vertelt dat Murakami schrijft vanuit ‘een groot gevoel van hygiëne’, dat hij als verteller afstand houdt tussen het propere en het vuile, oftewel de spirituele vragen van de personages en hun fysieke handelen, en leest een fragment voor dat perfect deze samenkomst illustreert. Gestoken in trainingsjack en jeans lepelt Herman Koch een anekdote op over hoe hij een Murakami-boek kocht in de Verenigde Staten en leest iets voor. Volgens Thomas van Aalten draaien Murakami’s boeken vooral over verwarring, en: ‘Nederland is wel toe aan een beetje verwarring.’ En hij leest, wellicht om woord bij daad te stellen, een verhaal voor uit eigen werk. Christine Otten komt vertellen dat ze Dans, dans, dans ‘echt superleuk’ vindt en, quote, ‘vol grappen en grollen, en tegelijk héél diepzinnig, over eenzaamheid en verlangen en zo, hij wil ergens bij horen, maar niet bij iemand anders, maar bij iets echts’.
Verder staat op de agenda een studente die komt vertellen over haar ‘geheime Murakami-genootschap’. In de pauze ga ik weg.

ALS EIND 2008 Murakami’s essay over hardlopen en schrijven verschijnt, What I Talk about when I Talk about Running, en de eerste recensies in de Engelstalige media negatief zijn, ben ik zowaar opgelucht.
Welke persoonlijke eer is er nog te behalen in het goed vinden van iets wat iedereen goed vindt? Ooit was het nog origineel om Murakami op verjaardagen cadeau te doen; nu zou ik niet meer durven. Het geheim is openbaar. Atlas heeft 132.000 Nederlandse Murakami-titels verkocht, van Norwegian Wood alleen al meer dan dertigduizend. Wat een investering van Atlas. Eén keer heb ik geprobeerd de Nederlandse editie te lezen. Het fragment over de vuurvlieg klinkt heel anders, minder poëtisch: ‘Dit vage licht danste in de dikke duisternis van mijn gesloten ogen een hele tijd door, als een ziel die zijn doel kwijt is…’ Het is misschien de tekortkoming van het Nederlands tegenover het rijkere Engels, maar voor mij bevestigt het wel dat de Murakami die ik gelezen heb niet de Murakami is die tienduizenden Nederlanders gelezen hebben. Ik alleen ben de sleutelbewaarder, de graalridder. Ik.

Zojuist is Waarover ik praat als ik over hardlopen praat verschenen (Atlas, 208 blz., € 18,90), een lang essay van Murakami over hardlopen en schrijverschap. Dit voorjaar verschijnt de verhalenbundel Blinde wilg, slapende vrouw (Atlas, 384 blz., € 19,90)