Torgny Lindgren, Het ultieme recept

Het geheim van de keuken

Torgny Lindgren

Het ultieme recept

Uit het Zweeds (Pölsan, 2002) vertaald door Bettie van der Meij

De Bezige Bij, 223 blz., € 19,90

De nieuwe roman van de Zweedse schrijver Lindgren (1938) gaat over het maken van balkenbrij én over het maken van een boek over balkenbrij, zo de vertelling niet zelf een bijzonder soort balkenbrij is. Als dit naar postmoderne ratjetoe riekt, komt dat misschien doordat maar weinigen zelf ooit balkenbrij geproefd hebben. Wie het reukloze internet op gaat komt niet verder dan de mededeling dat balkenbrij een oud Nederlands, vooral Oost-Nederlands ge recht is. Van Dale specificeert het woord als volksetymologische vervorming van het Middelnederlandse «gebalchte» (darmen, pens), «balch» (buik) – spijs bereid uit vlees van een varkenskop en ander vleesafval, met boekweitmeel, krenten, rozijnen en veel kruiden – en «balken», omdat het mengsel ter stolling aan balken werd opgehangen. Uit de roman van Lindgren zou je opmaken dat balkenbrij een inheems Zweeds gerecht is. In een kanttekening staat ook een andere etymologie, waarbij «balch» uit het Griekse «bálsamon» komt, een oorspronkelijk Semitisch woord voor een halfvloeibaar mengsel van hars en welriekende oliën, in overdrachtelijke zin staand voor troost, genezing en verzachting. Wezenlijk is dat alles erin kan, van rendierkop, tong en hart tot haring en sparrenhars – het komt op de dosering aan (én het geduld van het handwerk): het lijkt wel de definitie van een roman.

Twee mannen trekken er maandenlang per motor op uit om op het Zweedse platteland te onderzoeken waar en op welke wijze balkenbrij wordt gemaakt. Vul voor balkenbrij iets anders in: erwtensoep, paté, zult, als het maar een gerecht is waar veel verschillende ingrediënten in vermengd zijn. Het zou kunnen, als het eerst en vooral om een obsessie ging, de zoektocht een queeste; tegelijk is het volstrekt tegen de geest van het boek. De titel van de vertaling slaat ook niet op de roman van Lindgren maar op het boek van zijn personages. De twee mannen zijn op zoek naar de beste balkenbrij, het ultieme recept, maar wat ze ontdekken is dat in elk dorp een speciaal soort balkenbrij wordt gemaakt en dat ook nog eens elke persoon van een volstrekt eigen recept uitgaat. Het tweetal heeft iets weg van Bouvard en Pécuchet, zeker wanneer ze overwegen er een boek over te schrijven.

Na 23 ritjes en evenzoveel adressen bezocht te hebben – waarbij ze onderweg ook nog een jonge Torgny Lindgren tegenkomen, een teringlijder die blij is dat hij niet volwassen hoeft te worden – komen de twee mannen tot de slotsom dat geen enkele balkenbrij aan een andere ge lijk is, en dat zij nog maar aan het begin van hun studiën zijn. Ze hebben dus door dat het niet om iets algemeens gaat, één idee, ook niet om dat ene toppunt van kookkunst, maar dat het bij elk gerecht gaat om de plaats, het tijdstip, de specifieke onder delen en samenstelling, dus om dat ene concrete product. Schapenbalkenbrij (die met de haring), wildbalkenbrij, van eigen of vreemde makelij, ze worden allemaal in kleuren en geuren beschreven. De beste wordt voor het laatst bewaard, die van Ellen van Lillsjöliden. Voor de ene man, de van de tuberculose in zijn jeugd genezen schoolmeester, begint daar een nieuw leven, hoewel hij er de immuniteit tegen de dodelijke ziekte kwijtraakt. De andere man, de Duitse oorlogsmisdadiger Martin Borman, die onder een andere naam als marskramer in de buurt van de schoolmeester terechtgekomen is, vindt er de dood.

Ik vertel het verhaal feitelijk in omgekeerde volgorde na, want minstens zo belangrijk is hoe de twee mannen elkaar vinden en een kameraadschap ontwik kelen gebaseerd op een gedeelde belangstelling, te beginnen in samenzang. Ook de vliegende tering speelt een niet geringe rol in het verhaal, al was het maar vanwege de jeugd van de schoolmeester, het huis waar hij komt te wonen, dat tot in alle naden en kieren vol ziektekiemen zit, en een klas met negentien besmette kinderen. Er is echter een personage dat overal de hand in heeft en de ware hoofdpersoon is: de schrijvende verteller die zich tot doel stelt landschappen te bevolken en daartoe onder meer het tweetal op weg helpt en op hun omzwervingen volgt. Dat is een lang verhaal op het kruispunt tussen twee data. In 1947 is de schrijver 53 en bezig met twee berichten over een raadselachtige man die in de streek opduikt kort nadat zich daar een jonge schoolmeester gevestigd heeft. Aan het schrijven wordt een eind gemaakt door zijn hoofdredacteur, die hem in een brief te verstaan geeft dat er in de krant alleen ware verhalen horen te staan en geen oncontroleerbare verdichtsels.

Wanneer de hoofdredacteur in het jaar 2000 de pijp uit gaat kan de schrijver, inmiddels woonachtig in bejaardenoord Zonzijde, zijn verhaal vervolgen. De ge schiedenis van de twee mannen gaat verder waar de schrijver gebleven was, hij zelf, die de ouderdom overleefd heeft, gaat achteruit, hij wordt jonger en kan zelfs weer lezen zonder bril. Ik ga niet navertellen wat hij te melden heeft over schrijven en vertellen, en dat is veel. Over schrijven moet je niet praten, zegt de verteller, en geeft en passant een sneer naar het bloedeloze proza van kookboeken. Tussen de bedrijven door zegt hij over het werk dat schrijven is – zinnen maken – dingen die samen de naam «ultiem recept» meer verdienen dan het geheim van de keuken dat het tweetal najaagt. Een van de paar lezers van wat de schrijver – dik honderd, een gewone bejaarde noemt hij zichzelf, behalve dat hij weigert een luier te dragen – staande aan een lezenaar neerpent is Linda, een verpleegster. In haar onnozelheid verklikt ze aan de wethouder dat de man op kosten van de gemeenschap een boek schrijft waar maar geen eind aan komt. De wethouder probeert om geld terug te schoffelen het schrijfsel aan een uitgever te slijten; wanneer dat niet lukt legt ook hij de oude man een schrijfverbod op.

Eerder al heeft de verteller de schoolmeester ten aanzien van het beoogde balkenbrijboek laten zeggen: «Boeken hoeven niet te worden gedrukt. De hoofdzaak is dat ze worden geschreven.» Het hoofdstuk daarop begint met het vernietigende commentaar van de oude man: «Als proevers deugden ze niet, zei de berichtenschrij ver nu tegen Linda. Ze hadden geen methode. Geen kennis van vlees en ingewanden en van voedselbereiding. Ze waren alleen maar aangestoken door een soort begeerte of wellust.» Het boek zullen zíj dus nooit schrijven. Behalve het bijna letterlijke citaat over het gebrek aan methode zijn er meer redenen om bij de studieuze onderneming van het tweetal aan de twee overschrijvers Bouvard en Pécuchet van Flaubert te denken. Het verhaal van de speurtocht van het tweetal laat het verschil zien tussen in het wilde weg zoeken en methodisch onderzoek. Het verhaal van de vertelling en de verteller toont waartoe gerichte aandacht leidt: een roman als deze, een voortzetting van Lindgrens meestervertellingen.

JACQ VOGELAAR