H.J.A. Hofland

Het geheim van Fallujah

Hoeveel zou een inzameling voor de daklozen van Fallujah opbrengen? Zijn daar dan daklozen, zult u misschien vragen. Heeft de Nederlandse televisie er cameraploegen naartoe gestuurd? Is er een gironummer geopend? Zijn er popconcerten geweest?

Wafaa Salman is een 47-jarige vrouw die met haar negen kinderen in een kamp op het terrein van de universiteit van Bagdad bivakkeert. «Ik woon liever in een tent dan dat ik naar dat verlaten kerkhof ga», zei ze tegen een verslaggever van de Financial Times. Zij en haar familie horen tot de ongeveer tweehonderdduizend mensen die zijn gevlucht, voordat in november vorig jaar, na de herverkiezing van president Bush, het Amerikaanse leger de aanval op de stad begon. Nadat het offensief met succes was bekroond, zijn volgens schattingen van de Verenigde Naties in eerste instantie 85.000 mensen teruggekeerd, van wie er ten slotte 8500 zijn gebleven. Van de woon- of verblijfplaats van die andere 191.500 wordt geen melding gemaakt.

De verhuizing van zo veel mensen, waar ook ter wereld, zou enige aandacht van de televisie moeten trekken. Je hoeft niet meteen aan een tsunami te denken. Een windhoos treft Florida, in Spanje valt een bus met toeristen in een ravijn, in India botsen twee treinen op elkaar, en de wereldtelevisie rukt uit om het wereldpubliek tot in de details van het drama op de hoogte te stellen. In Israël ontploft een bom, bij wijze van tegenmaatregel worden een paar huizen van de verdachten opgeblazen. Ambulances, wrakstukken, stofwolken, huilende mensen. In Irak gaat een hele stad ter grootte van Haarlem op de vlucht. Waarheen? Dat weet niemand. Hoe gaat het met die mensen, hebben ze te eten, een dak boven hun hoofd? Geen idee. Kan het iemand iets schelen? Blijkbaar niet.

Nog één keer de Financial Times. Saadi Khalaf al-Agaida wordt door het kampement in Bagdad er op uit gestuurd om te kijken hoe het thuis is. Moet vijf uur wachten voor hij door de Amerikanen wordt toegelaten. Treft een vrijwel verlaten stad aan. Staat drie uur in de rij voor voedsel, dat hij weggooit omdat er varkensvlees in zit. Een sjeik, woordvoerder van een groep vluchtelingen, is van mening dat de Amerikanen schadevergoeding moeten betalen. Ze zijn de aanval begonnen om de rebellen van Abu al-Zarqawi, de Bin Laden van Irak, te verslaan. Al-Zarqawi is niet gevonden, de rebellen zijn ergens anders aan het werk. De nabestaanden van het vliegtuig dat boven Lockerbie werd opgeblazen, hebben tien miljoen dollar gekregen. Op die basis zou Fallujah negenhonderd miljard moeten krijgen. Zoveel hoeft niet, zegt deze woordvoerder. Met een excuus van de Amerikaanse regering en tien miljard nemen ze genoegen.

Is Fallujah het Dresden van Irak? Vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog moet je niet te snel maken. Misschien zit er een grond van waarheid in; misschien is het onzin. Dat weten we niet. Daar gaat het om. In Irak, leert de ervaring, is er altijd een grote kans dat de operatie verloopt volgens de ijzeren wet van het averechtse resultaat. Zo is het van het begin af geweest. Er wordt een grote misstand onthuld die alleen met grote daden kan worden verholpen. Wie twijfelt aan de ernst van de misstand, of aan het effect van de grote daden, wordt verdacht gemaakt, weggehoond. Niets staat de grote daden nog in de weg. Horen en zien vergaan je bij de grootheid van de daden, en bij de daarop volgende viering van het succes. Dan blijft het zekere tijd stil. Ten slotte groeit het vermoeden dat de misstand niet is verdwenen maar groter geworden. Alleen de grote daders zelf blijven zeker weten dat ze op de goede weg zijn.

Het is begonnen met de massavernietigings wapens. Waren er niet, zijn er niet. Shock and awe, bevrijding van het Iraakse volk. Eerste stap op de weg naar een democratische natie, voorbeeld voor het Midden-Oosten. Na het omver trekken van de standbeelden ging het licht uit, deed de waterleiding het niet meer en begonnen de plunderingen. Het hele leger werd ontslagen, het binnenlandse bestuur van de Baath-partij gezuiverd. De werkloosheid werd onoverzienbaar. De openbare orde verdween, buitenlandse terroristen maakten hun entree. Het soennitische deel van het volk, onder Saddam het overheersende, begon zich voor te bereiden op gewapende zelfverdediging. Iedere dag komen op het ogenblik door geweld gemiddeld achttien tot twintig Irakezen en een paar Amerikanen om het leven. Terreur? Begin van een burgeroorlog? Of stammenstrijd? Of godsdiensttwist? Niemand weet het meer.

Onder deze omstandigheden worden over anderhalve week de verkiezingen gehouden. Vrije verkiezingen die de grondslag voor een legitieme democratische regering zullen bieden? Waardoor volksdelen die zich eerder voorbereidden op een burgeroorlog plotseling volgens democratische technieken in een parlement en een regering naar uitvoerbare compromissen zullen zoeken? In een land waar democratische tradities niet bestaan? Als het geen wereldpolitiek was, zou je zeggen: hou op met dat boerenbedrog.

Maar als er op 30 januari geen uitzonderlijke bloedbaden worden aangericht, zal deze datum worden uitgeroepen tot het volgende historische keerpunt. En de wereld trapt erin, althans doet alsof. Gelukkig hebben de heren Balkenende, Kamp en op het nippertje Bot besloten dat onze soldaten in Al Mutannah niets meer te maken hebben. Ze zijn daar goede filiaalhouders geweest in een groot wanbeheer. Zo is er tenminste nog iets goed afgelopen in Irak. Nu zou ik nog vóór de verkiezingen een televisiereportage over Fallujah willen zien, even uitvoerig als die over de tsunami. Tot beter begrip van de verkiezingen.