Zijn leven lang heeft Mort Schuman op een teken gewacht – al heeft hij nooit begrepen waar hij op zou moeten letten. Hij heeft het in onbeantwoorde liefdes gezocht, in boeken, in treinen, in drank, waar al niet in, maar steeds kwam hij zichzelf tegen. Tussendoor heeft hij een tijdje met meditatie, identitaire seksualiteit en koudwaterzwemmen geëxperimenteerd, maar er voltrok zich niets. Hoe vroeg hij ook was opgestaan, de parallelle werkelijkheid liet zich niet betrappen. Misschien had hij beter kunnen vertrouwen op meer traditionele beloften als God en het lottobiljet. Maar zoiets is gokken op goed geluk, en daar houdt hij niet van. Je hoop stellen op de goedheid van geluk is net zoiets als wedden op een dood paard met een goede staat van dienst.

Toch laat de gedachte hem niet los dat hij hier met een bepaald plan moet zijn neergezet. Daar houdt hij zich ondanks alles aan vast. Noem het hoop, noem het geloof. Hij blijft ervan overtuigd dat er een bedoeling is – al blijkt die tot op heden onleesbaar tussen al de zinloosheden die langzaamaan zijn dagen vermiezeren.

Als kind kroop hij in de donkere dagen achter het gordijn op de koude vensterbank en tuurde hij de oneindige nachthemel af; hij concentreerde zich dan op één ster uit duizenden, in de hoop dat die ene, die speciaal voor hem bestemde en door hem persoonlijk uitverkorene, op zeker moment vanzelf zou beginnen te vallen. Maar het heelal gaf geen krimp, het verroerde zich geen millimeter. Of had hij niet goed genoeg opgelet? Misschien heeft hij, zonder er erg in te hebben gehad, het beslissende moment al talloze malen gemist: God op straat voorbij gelopen, een vallende ster voor een verkeersvliegtuig aangezien, een lottobiljet dat aan de linkerzool is blijven kleven, afgeveegd aan de stoeprand, ga zo maar door.

Mort Schuman is, als hij zich zou moeten voorstellen, een heleboel dingen niet. In de eerste plaats is hij niet de bijna gelijknamige zanger die in 1972 een hit scoorde met Le Lac Majeur − wat later het Lago Maggiore bleek te zijn, maar dan in het Frans. (In Italië staat het meer overigens als Lago Verbano bekend.) En evenmin is hij een verre nazaat van de gekwelde, tot waanzin vervallen Duitse componist, wiens achternaam overigens met twee n-en wordt gespeld. Als hij al op iemand lijkt, uiterlijk tenminste, is het op Art Garfunkel, de zanger die zelf geen liedjes kan schrijven en niets voorstelt zonder zijn betere helft Paul Simon, met wie hij jarenlang het succesvolle duo Simon & Garfunkel vormde, waarna Simon de overbodig gebleken Garfunkel dumpte om net zo succesvol als zichzelf verder te gaan.

Aangezien ook ik sprekend op Art Garfunkel lijk (vroeger overigens meer dan nu), had ik dit verhaal voor hetzelfde geld in de eerste persoon kunnen vertellen − ware het niet dat ik ‘ik’ van alle persoonlijk voornaamwoorden het meest verwarrende vind. Het is net alsof een afgrond zich opent, een bodemloze duisternis waar je geen hand voor ogen ziet, niet eens je eigen schrijfhand. Niets laat zich daar kennen. Het gemak waarmee bepaalde auteurs breeduit op het dunne, breekbare randje van hun eigen ikdoenerigheid gaan staan poseren, ik – en dat is mijn persoonlijke mening − vind het getuigen van een smakeloze, alle waarheid affronterende onnozelheid.

Mort Schuman, want over hem hebben we het nog steeds, heeft ondertussen geen moment door dat hij in iemand anders zijn verhaal terecht is gekomen. En dat is maar goed ook. Hij leeft onwetend van een metawerkelijkheid ongestoord voort in zijn simpele, zelfbedachte universumpje. Het geeft hem de vrijheid te blijven dromen van een wonderbaarlijk, speciaal voor hem bedoeld volkomen uniek bestaan, dat ergens op hem ligt te wachten aan de Road To Nowhere, bij oudere lezers beter bekend als de Weg Van Alle Vlees.

Zoals zoveel mensen gaat Mort Schuman er voetstoots van uit dat hij is voorbestemd voor iets wat wonderbaarlijk en bijzonder en helemaal te gek zal zijn, en dat ergens aan het einde van de regenboog rustig op hem ligt te wachten. Dit heeft niemand hem verteld. (Ik niet althans.) Hij moet het zichzelf hebben wijsgemaakt. Op een goede dag, pleegt men dan te zeggen, is hij boven zichzelf gaan zweven en is hij alles op ware grootte gaan zien − eenvoudig door zichzelf ‘ik’ te noemen en de rest ‘de anderen’. Het stelt natuurlijk niks voor, dat eigen leven van hem, vertel mij wat, hoe hoger je erboven zweeft, hoe minder het wordt, is mijn ervaring, maar hij denkt eraan als iets onvergelijkelijk kostbaars. Er gaat niets boven. Mort Schumans leven is, als hij het verstand zou hebben gehad van rekenen, tot achter de komma nauwkeurig precies evenveel waard als de complete wereld om hem heen. De wereld en hijzelf komen op de kop af exact op hetzelfde neer. Het enige verschil is dat hij dit weet en de wereld niet. Die is overal om hem heen, maar kijkt telkens de andere kant uit. Het wordt daarom hoog tijd de wereld beter te informeren.

Het andere enige verschil is dat de wereld zonder hem kan, maar hij niet zonder de wereld. Daar is hij dan weer niet over geïnformeerd.

Het is echter verstandiger om hem in de waan te laten. Als wij de spoilers van ons eigen verhaal door een of andere gisse goochemerd bij voorbaat kregen uitgeserveerd, dan zouden de kinderen nooit meer smachtend achter gordijnen naar de sterrenhemel hoeven turen; we zouden de laatste bladzijde van ons verhaal opslaan, dat wil zeggen iemand anders zijn verhaal dat over ons blijkt te gaan, en we hoefden het maar te lezen om de onontkoombare futiliteit van ons leven aan ons geopenbaard te krijgen. Zwart op wit – als een doodvonnis op klaarlichte dag.

Het zou voor zijn geestelijk welzijn daarom beter zijn als Mort niet de hele tijd op een teken blijft wachten. Verzin eens iets originelers, koekebakker. Maar hij hoort mij niet.

Alles wat Mort kan bedenken, is al een keer bedacht. Het blijven clichés waar hij zich gek genoeg zelf weer veel te goed voor voelt. ‘Zo ben ik niet. In het echt ben ik veel bijzonderder.’ Hij is dan ook geen schrijver − zoals ik, maar ik sta hier verder buiten. (Doe maar net of ik er niet ben.) Hij is niet eens een zanger. Het klinkt allemaal erg ingewikkeld, al is het feitelijk nogal simpel. Vlees noch vis, dat is wat het is. Wat hij is, dat is hij ook weer niet. Hij is niet kort, maar ook niet lang. Dik zou je hem zeker niet mogen noemen, al is hij bepaald niet dun. Hij zit overal precies tussenin. Noem je hem donker, dan komt hij juist vrij licht over. Slim is hij zeker niet, anders had hij zijn verhaal wel zelf geschreven, dunkt me, maar hij is aan de andere kant bepaald niet dom. Hij is – daar komt het wel op neer – het duidelijkst herkenbaar aan wat hij niet is.

God, wat ergert hem dat, die nietigheid en nietsigheid van hem. Vernederend is het. Overal om zich heen ziet hij mensen die iets voorstellen. Die zijn iets wél. Zie ze gaan, zie ze lachen. Overal die glimmende tevredenheid die hem in het voorbijgaan toegrijnst. Zij wel en hij niet. Hij als enige niet.

En allengs begint er aan de donkere randen van zijn bewustzijn iets destructiefs te gloren, iets hards en meedogenloos dat nogal nadrukkelijk op een definitieve oplossing hint. Een negatieve draai is in principe niet datgene waar hij op zit te wachten en toch koerst hij erop af: een verhaal dat op botte wijze ontaardt in dood en verderf. Liever had hij iets anders gehad, iets wat zich afspeelt aan een meer waar boven de waterspiegel een teken verschijnt: een zwaard of een kruis, zulke dingen leest hij soms.

Maar het destructieve dat zich aandient, wijst hij niet af. Het is beter dan niets. Veel beter zelfs. Verrassend snel is hij aan het idee gewend geraakt. Het negatieve voelt meteen aan als een vertrouwde kracht, iets waarmee hij terug kan slaan. Als hij van alles niet is, dan zal hij dat weleens laten merken aan degene of degenen die hem niet zien staan.

Wie diegenen zijn − het kost mij als schrijver moeite om mijn gezicht in de plooi te houden − dat ben ik en ik alleen. Ik heb hem op dit negatieve, tot ontsporing leidende spoor gezet. Er zit voor hem niets anders op dan onwetend na te lopen wat ik hem voorschrijf. Alleen heb ik niet kunnen voorzien dat het negatieve zo’n vitale, zeg maar gerust positieve uitwerking op hem zou hebben.

Mort is niet meer te houden. ‘Sterf dan, klootzak!’ roept hij in het wilde weg. Zijn ogen schitteren van bloeddorstig leven. Hij beweert dat er een schrijver achter alles zit. Iemand die stiekem het grote raderwerk bedient, aan de knoppen zit en ook nog eens aan de touwtjes trekt. Het begint Mort te dagen waarom hij nooit een teken heeft gekregen. Dat is de schuld van die schrijver die dit verhaal achter zijn rug heeft zitten fabriceren. Op achterbakse wijze is Mort neergezet als een hulpeloos personage. Hij wordt structureel onderdrukt en is gedwongen een rol te spelen in een stuk waarvan hij de tekst niet zelf heeft mogen kiezen. Zelfs zijn naam is hem opgedrongen. Altijd dacht hij dat zijn leven de echte werkelijkheid was, maar het begint erop te lijken dat alles wat hij doet en zegt is gescript.

‘Hij heeft mij door’, denkt hij en ik denk op hetzelfde moment precies hetzelfde.

In Morts ogen zijn schrijvers verdachte types die de schijn wekken alles onder controle te hebben met hun bijdehante praatjes, hun ironie en hun andere slimmigheidjes, maar achter hun stilistische rookgordijnen vermoedt Mort onzekerheid over de eigen identiteit − net als bij zichzelf, want zulke belezen types zijn in het echt natuurlijk niks beter dan gewone mensen.

Of dat laatste waar is, laat ik beleefdheidshalve liever even in het midden. De makke van Mort is, als ik er ook iets over mag zeggen, dat hij gebonden is aan zijn eigen perspectief. Hij botst telkens tegen zijn eigen beperkingen op. Zijn ‘ik’ is een muur waar hij niet aan voorbij komt, zelfs niet in zijn dromen.

Als gewone mensen zoals Mort een god of een held verzinnen, komen ze nooit verder dan iets wat sprekend op henzelf lijkt, bijvoorbeeld iemand die zichzelf lijdzaam door Jan en alleman aan het kruis laat nagelen.

Toch kunnen schrijvers niet zonder gewone mensen als Mort. Ik – als ik even voor mezelf mag spreken − besta uit anderen. Ook uit Mort ja, zeker ook uit Mort. Alleen weet Mort daar niets van, hoezeer hij zich ook het hoofd breekt over die mysterieuze aan- of afwezige die de regie schijnt te voeren over het leven dat hij als een gekruisigde god ondergaat in een godgeklaagd verhaal.

Ja broer, zou ik hem willen zeggen, ik snap je getob, maar zo zijn we niet getrouwd. We zijn helemaal niet getrouwd en ik ben ook niet je broer, alleen bij wijze van spreken. Alles wat wij hier doen is trouwens bij wijze van spreken – dus ik kan het je helaas niet zelf vertellen. Daarvoor zitten we te zeer in ons eigen hoofd opgesloten, dat wil zeggen ik in mijn eigen en jij in het mijne. Ik ken de bezwaren van personages, ik ben bekend met hun wens een eigen leven te leiden in een eigen hoofd, maar ik kan natuurlijk niet toveren – al lijkt het er soms wel op, maar dat, beste mensen (wie jullie ook mogen zijn) heet nou stijl. ‘Magic!’ zegt de meester. ‘Net echt!’ zeggen jullie dan, het is net of ik Mort Schuman bijna kan aanraken. Probeer ’t maar, tik ik met mijn toverstafje op het toetsenbord, maar het is toch echt gewoon je eigen dinges die je vasthoudt, of wat je op dit moment ook in je hand moge hebben, daar ga ik niet over. Lezen is privé en intiem en de mensen mogen in die verheven en tegelijk ontheven toestand doen waar ze zelf zin in hebben.

Het verhaal schiet op deze manier overigens voor geen meter op. Schrijvers die over schrijven zitten te lullen, dat moeten we niet hebben.

Hallo, het is Mort zelf geweest die erover begon – niet ik. Maar goed, ik begrijp waar jullie heen willen, wie jullie ook mogen zijn. De pagina als magische wand, de ultieme illusie dat je door al die lettertjes heen kunt kijken als door vensterglas en vrij uitzicht krijgt over het wonderland van de werkelijkheid. De echte werkelijkheid, zoals de goedgelovigsten het plegen te noemen. Zo moeten we de rebellie van Mort Schuman dan ook zien. Hij wil een einde maken aan de almacht van de schrijver en een onafhankelijk bestaan gaan leiden in de echte werkelijkheid.

Maar wie ben ik? Hij heeft mij net zozeer verzonnen als ik hem. Met als klein, niet onbelangrijk verschil dat ik ook zonder hem besta, maar hij niet zonder mij. Het was dus verstandiger van hem geweest om het verhaal in goed overleg tot een voor alle partijen bevredigend einde te brengen. Dus Mort, ik zou je willen aanraden: houd je aan de voorgeschreven tekst. Ik ken weinig lezers die zitten te wachten op geharrewar en gehakketak tussen een schrijver en zijn personage.

‘Wat is dit voor een onwaarschijnlijk kutverhaal?!’ Er volgt nog een vloek, maar die laat ik hier liever weg. Jezus is zelf ook niet voor de lol geboren, zal ik maar zeggen.

Mort beweert dat hij aan het eind van dit verhaal door de schrijver ‘vermoord’ wordt. Dat vindt hij hoogst ongeloofwaardig. Als er iemand dood moet, waarom moet hij bij voorbaat degene zijn? Waarom ben ik het niet? Dat lijkt hem nou eens origineel. En bovendien meer dan verdiend. De auteur struikelt over zijn eigen plot en krijgt de kanker of de pleuristyfus, waarna het personage ongestoord verder kan met zijn lange en gelukkige leven.

Ho ho, dit gaat de verkeerde kant op. En dan te bedenken dat ik – ik beken het eerlijk − aanvankelijk helemaal geen verhaal over Mort Schuman wilde schrijven.

Je hoort schrijvers vaak interessant doen over het feit dat het verhaal hen zoekt, in plaats van omgekeerd. Ik zou niet weten wat er zo interessant aan is dat Mort Schuman met zijn verhaal mij heeft gezocht. Hij heeft mij gezocht, inderdaad, maar dat verhaal van hem mag ik er zelf van begin tot eind bij verzinnen. Omdat hij het zelf niet kan, en dat is de waarheid. Mort Schuman kan niet schrijven, hij kan niet eens zingen, het is een waardeloos personage, hij kan helemaal niks. Het liefste laat ik hem stante pede kapotvallen: dan ben ik van het hele gezeik af. Maar dat staat de opzet van dit verhaal niet toe. Je kunt je personage niet zomaar, midden in een zin als het ware, zonder enige waarschuwing aan de lezer, over de rand van de afgrond duwen. (‘Waar komt die afgrond ineens vandaan?’) In de kunst kan alles, maar er zijn regels. Of je ze nou kent of niet, je moet je er wel aan houden.

Wel kan ik onthullen dat hij zijn naam niet mee heeft. What’s in a name, Mort Schuman? Je had het einde dus ook wel een beetje kunnen zien aankomen. Als je had opgelet tenminste. En dan moet je niet opeens beginnen te piepen als het verkeerd dreigt af te lopen voor je. Ogen dicht en dromen van de eeuwigheid, zou ik zeggen. Dan is het in een vloek en een zucht voorbij.

Betekenissen liegen niet, sorry. Mort klinkt als moord en betekent in Frankrijk (waar ieder ander als God zou kunnen leven) dood. Ten overvloede duidt de omineuze achternaam op waanzin en zelfdestructie. De manisch-depressieve Duitse componist Robert Schumann is immers zoals iedereen kan googlen op een hele rare, hele nare manier aan zijn eind gekomen.

Mort ziet het zelf net even anders. ‘Je zegt het zelf! Mijn naam betekent moord! Pas dus maar op.’

Het gekke is dat het net lijkt of ik mezelf hoor. Ergens lijken wij op elkaar. In wezen vormen we een duo en zingen we tweestemmig hetzelfde lied.

Mort wil hier niets van weten en maakt korte metten met mijn metafictionele smoezen. ‘Ik heb met jou niks te maken, vader. Het moment is daar dat ik jou uit de weg ruim. Ik laat me door jou niet meer gek maken. Ik weet zelf het beste wie ik ben. Het komt je met je auteursponteneur misschien niet zo goed uit dat ik mijn eigen verhaal eindelijk naar me toe trek, maar zoals je merkt kun je er weinig tegen inbrengen.’

Echtheid is een kwestie van perspectief, dunkt me. Het is een waardeoordeel dat aan een ervaring wordt toegekend, meer stelt het feitelijk niet voor. Persoonlijk vind ik Mort Schuman behoorlijk onecht bezig, zeker nu hij zich niet meer aan mijn verhaallijn houdt en de boel overmoedig naar zich toe begint te trekken. Emotioneel gezien zou ik die hele Mort Schuman het liefst in één zin totaal naar de gallemiezen formuleren – ware het niet dat een schrijver beter met auctoriale waardigheid op veilige afstand kan blijven. Helaas is deze vertellerstruc dankzij Morts muiterij niet meer mogelijk. Doordat hij met het perspectief heeft zitten fucken, ben ik nu óók een personage geworden. Knappe jongen die nu nog snapt wie dit verhaal nou eigenlijk schrijft. Zelf ben ik de draad inmiddels een beetje kwijtgeraakt.

Ik zie het probleem niet zo − maar wie ben ik. Er bestaan genoeg verhalen waarin de hoofdpersoon het woord voert terwijl de schrijver nergens te bekennen is. In hoeverre mag een schrijver zichzelf de auteur van het verhaal noemen wanneer alle woorden uit de mond, het hoofd en het hart van de hoofdpersoon komen? In het echt merk je nooit iets van een schrijver – net zoals je in het echt nooit een vallende ster ziet of de lotto wint of van God een bruikbare tip krijgt. Een schrijver maakt een verhaal alleen maar ongeloofwaardig met zijn aanwezigheid, met heel dat gedoe over stijl en vorm en compositie en perspectief en zo. Allemaal moeilijkdoenerij en lezersgefuck. Een beetje interessant proberen over te komen terwijl je de mensen in feite niks te melden hebt. Laat een personage gewoon zijn gang gaan, dan komt er vanzelf leven in de brouwerij.

‘Oké, laat je kunstje dan maar eens zien, mijn beste Mort. Ik ben werkelijk zeer benieuwd.’

Dat bedoel ik nou, daar heb je ’t weer − dat ironische schrijversvertoon dat in een vorige generatie voor literair en intelligent en zo moest doorgaan. Voor dat gedateerde gelul moet je niet bij mij zijn, opa. Het leven is zonder de pijprook van de ironie al ondoorzichtig genoeg.

‘Jouw leven is ten dode opgeschreven, verdoemde sukkel’, schreeuwt iemand. ‘We naderen het pernicieuze slot van dit verhaal en dat voorspelt voor jou weinig goeds.’

Als een verhaal een beetje loopt, merk je gelukkig niets meer van de auteur. Het lijkt dan of die in het niets is opgelost, terwijl het verhaal ondertussen zozeer tot leven is gekomen, dat het als twee druppels water op het leven zelf lijkt. Het echte leven in de echte werkelijkheid. Zo voelt het nu ook. Ik ben inmiddels niet meer hier, op deze bladzijde, maar in een omgeving die mij verdomd bekend voorkomt – alsof ik hier eerder ben geweest.

Het is vroeg in de ochtend. Ik sta aan de rand van het Lago Maggiore en zie de winterse nevel tussen de berghellingen hangen. Het water is oliezwart en er is aan niets te zien dat hier iets is gebeurd. Mijn lippen zingen stil: ‘J’ai tout oublié-hé-hé… Le Lac Majeur.’

Van P.F. Thomése verscheen dit jaar de roman Swansdale