De aantrekkingskracht van de samenzwering

Het geheim van het verdwenen mysterie

Het succes van Dan Brown is mede te danken aan de complottheorieën over Tempeliers, Illuminati, Rozekruisers en vrijmetselaars die hij voorschotelt. De bereidheid om in complotten te geloven wordt groter. Soms lopen fictie en werkelijkheid in elkaar over.

Medium 20

ACHTER IN EEN TAXI DIE door de nachtelijke straten van Washington D.C. giert, grijpt Robert Langdon, de tweed dragende, panseksuele symboloog die de hoofdrol speelt in de thrillers van Dan Brown, er een dollarbiljet bij. Op de achterkant staat het Grootzegel van de Verenigde Staten: een onvoltooide piramide, met daarboven een zwevend, alziend oog. Het oog staat voor een Hogere, alwetende macht; de piramide voor de onvoltooide tocht van de mens naar spirituele Verlichting. Op het biljet staat boven de piramide annuit coeptis (‘hij keurt onze onderneming goed’) en eronder novus ordo seclorum (‘een nieuwe orde van de tijden’).
Het Grootzegel werd ontworpen door de Founding Fathers in 1782; het weerspiegelt de verlichte missie die de piepjonge natie zichzelf toedichtte. Maar het is meer dan dat, weet Langdon. Veel van de Founding Fathers waren vrijmetselaars en deze motto’s en symbolen horen thuis in hun terminologie. Sterker nog, als je een davidster tekent met de onvoltooide piramide in het midden, wijzen de punten van de ster op letters in de motto’s. Het spelt M-A-S-O-N: vrijmetselaar.
En daar houdt het niet op, zegt Langdon. Op de ommezijde van het Grootzegel, een adelaar met pijlen en olijfbladeren in zijn klauwen, is het getal 13 – een getal met mystieke waarde – verweven. Er zijn dertien pijlen, dertien olijfbladeren, boven de adelaar staan dertien sterren, op zijn schild dertien strepen. Annuit coeptis: dertien letters. E pluribus unum: dertien letters.
The Lost Symbol, de nieuwe thriller van Dan Brown – sinds de verschijning vorige week al een miljoen exemplaren verkocht – begint als Robert Langdon een afgehakte hand vindt midden in het Capitol. Het is de hand van zijn goede vriend Peter Solomon, en op de hand zijn kleine symbooltjes getatoeëerd. Op de duim een kroon, op de wijsvinger een ster. Maçonnieke symbolen. Wil hij zijn vriend levend terugzien, dan moet hij in één nacht de eeuwenoude ancient mysteries van de vrijmetselarij vinden – geheime kennis van alchemie, esoterie, theologie – die ergens in Washington in een verborgen piramide verstopt zijn.
Het is bekend terrein. In 2004 verscheen de film National Treasure, een kassucces geregisseerd door Jon Turteltaub, waarin een avonturier/cryptoloog (Nicholas Cage) ontdekt dat er op de achterkant van de Onafhankelijkheidsverklaring een onzichtbare boodschap staat, die via andere relieken van de Founding Fathers (de Silence Dogood-brieven van Benjamin Franklin, de Liberty Bell in Philadelphia) naar de bergplaats van de schat van de vrijmetselaars leidt.
Wat nog het meest opvalt is hoe verrassend slecht Dan Brown schrijft. Alle drie de Langdon-boeken zitten vol clichématige spookverschijningen van dood gewaande familieleden; doordat Brown ook steeds het perspectief van de bad guys beschrijft weet je altijd waar ze zich bevinden en waarom; en in The Lost Symbol heeft hij daarnaast nog eens de irritante gewoonte ontwikkeld om alle vermoedens en alle boude uitspraken die zijn personages doen te cursiveren, alsof ze daardoor meer intensiteit krijgen.
Waarom dan toch doorlezen? Want je leest die boeken toch in één ruk uit. Hoe slap ze ook geschreven zijn, in de avonturen van Langdon – eerder Angels & Demons en de supermegabestseller The Da Vinci Code – weet Brown als een vertelgrage schoolmeester perfect te verwijzen naar bestaande kunstwerken waarvan de lezer met eigen ogen kan zien dat er vreemde symbolen in lijken te zijn verwerkt, symbolen die precies passen in de complottheorieën over Tempeliers, Illuminati, Rozekruisers en vrijmetselaars die hij voorschotelt. Hoezo theorie? Kijk maar. Je ziet het zelf.
AL HONDERDEN JAREN gaan er theorieën over de vrijmetselaars, en al decennia fungeren ze als kapstok waar thrillerauteurs dankbaar hun plotjes aan ophangen. Dan Brown is niets nieuws. Robert Ludlum deed het al in de jaren zeventig, in een van zijn beste, The Gemini Contenders (1976); in de jaren tachtig deed David Morrell het. De complotten zijn dankbaar materiaal omdat Amerikanen er keer op keer zo happig op lijken te zijn. Je zag het in het publieke debat over gezondheidszorg: zonder enige feitelijke argumenten wisten conservatieve pundits tienduizenden mensen door het hele land op de been te krijgen die er heilig van overtuigd waren dat Obama een geheime agenda had om death panels in te stellen om gedwongen euthanasie uit te gaan voeren. Het zou het begin zijn van een socialistisch regime en, voegde Fox-presentator Glenn Beck, boegbeeld van de ignorantie, eraan toe: Obama zou de zorginkomsten gebruiken voor reparations – schadevergoedingen aan zwarten, vanwege de slavernij.
Zulke achterdochtigheid jegens de eigen overheid is niet voorbehouden aan het rechtse deel van het politieke spectrum. De meest spectaculaire complottheoretici van de laatste jaren waren degenen die de aanslagen van 11 september 2001 toeschreven aan de Amerikaanse neocons, figuren als Rumsfeld en Cheney, zodat ze reden hadden hun politieke agenda door te duwen.
De bereidheid om in complotten te geloven is alleen maar toegenomen, laat Dan Brown zijn professor Langdon zeggen, nu je met Google elke twee namen of begrippen aan elkaar kunt koppelen.
In werkelijkheid is die bereidheid nooit ver weg geweest, schrijft David Aaronovitch in zijn zeer leeswaardige Voodoo Histories: The Role of the Conspiracy Theory in Shaping Modern History. Hij toont cijfers uit peilingen waaruit blijkt dat binnen een jaar na de sterfgevallen van dr David Kelly (de Britse wapenexpert die over Irak loog), prinses Diana, Robert Kennedy, Marilyn Monroe en Hilda Murrell (een antikernenergie-activiste) telkens meestal zo’n kwart tot een derde van de bevolking een duister complot als oorzaak zag. Al een week na de moord op John Kennedy, moeder aller complottheorieën, zei 29 procent van de Amerikanen niet te geloven dat Lee Harvey Oswald alleen had gehandeld. Toen de Warren Commission, de parlementaire onderzoekcommissie, in september 1964 oordeelde dat Oswald een lone gunman was, kwamen de theorieën pas echt los. In alle serieuze media – met name The New Republic en The New York Review of Books – werd wekelijks aandacht besteed aan omissies in het rapport. In de jaren zeventig werd het complot tegen Kennedy en Oswald in het intellectuele circuit gezien als een feitelijk gegeven, zeker door jongeren en hoogopgeleiden. In zijn stand-up-shows had Woody Allen de vaste grap dat hij werkte aan een nieuw filmscript, ‘een non-fictieversie van het Warren-rapport’.
In Voodoo Histories weerlegt Aaronovitch haarfijn de belangrijkste complotten van de laatste eeuw. Maar waarom blijken complottheorieën zo hardnekkig, waarom kiezen mensen ervoor om het minst voor de hand liggende te geloven? Het is belangrijk om te beseffen, zegt Aaronovitch, dat de theorieën meestal bij de slachtoffers van de geschiedenis vandaan komen, ‘de McGovern-liberalen in de tijd van Richard Nixon, de socialisten en pacifisten in het decennium van Margaret Thatcher, het onverenigbare Amerikaanse Rechts tijdens de Clinton-regering, het uiteengeslagen Amerikaanse Links tijdens de tweede Bush-regering’. Aaronovitch citeert toneelschrijver David Mamet: ‘It is in our nature to dramatize.’ Volgens Mamet is het een essentieel onderdeel van de menselijke psychologie om tegenslagen in een narratief te plaatsen, zodat we ze kunnen begrijpen. Aaronovitch had ook Don DeLillo kunnen citeren, wiens literaire oeuvre draait om complotten en paranoia, en die in Mao II (1991) schrijft: ‘News of disaster is the only narrative people need. The darker the news, the grander the narrative.’
Sterker nog, schrijft Aaronovitch, het zit in ons DNA; volgens onderzoek van Britse biologen heeft de mens een ‘cognitive imperative’, dat wil zeggen: in de evolutie heeft de mens geleerd dat hij lessen moet trekken uit daden om te overleven, dit ‘causaliteitsgen’ zorgde ervoor dat we ontdekten hoe vuur en gereedschappen werkten. Op het moment dat er iets belangrijks gebeurt waar geen les uit valt te trekken – een populaire prinses verongelukt in Parijs, een eenzame gek schiet een president neer, zomaar – stokt er iets in onze hersenen en hebben we het gevoel dat er iets tekortschiet.

TOT SLOT CITEERT Aaronovitch een New Yorkse brandweerman, die werd gevraagd waarom volgens hem zo veel speculatieve theorieën de ronde deden over de instorting van de omliggende gebouwen rond het World Trade Center (een van de complotbewijzen dat gebouwen op 11 september zouden zijn opgeblazen). Hij dacht dat het teleurstelling was bij tv-kijkers: ‘“In the movies”, he said, “it’s always wrapped up in the end.”’
Rond de aanslagen van 11 september is veel geschreven over hoe wij, de gemiddelde tv-kijker, ze interpreteerden, en hoe snel we ze in een context konden plaatsen – die van de actiefilm. De vuurbal die bij de inslaande vliegtuigen uit de torens spoot was niet eens bijzonder spectaculair, omdat ons referentiekader was afgesteld op het geweld van Steven Spielberg en Jerry Bruckheimer. En naar alle waarschijnlijkheid zet dat zich door. Als complottheorieën worden gelanceerd door de verliezers van de geschiedenis, dan behoorde het liberale Hollywood zeker tot de verliezers tijdens de Bush-jaren. Dat was ook te zien in de film, waarin een ‘fear thy government’-sentiment terugkwam dat sinds de paranoïde post-Watergate-jaren niet meer was gezien. In gelauwerde, commercieel succesvolle films als Syriana, The Good Shepherd en The Bourne Ultimatum is de overheid een behemoth die gewetenloos burgers, journalisten en eigen ambtenaren uit de weg ruimt; in Munich verliest een antiterrorismemissie elk moreel kader; in Michael Clayton en The Constant Gardener gaat het bedrijfsleven over lijken om zijn marktaandeel vast te houden. Zelfs als de films zich in een ander tijdperk afspelen is de parallel met de tegenwoordige tijd evident: in Good Night and Good Luck wordt de onafhankelijke journalistiek tijdens de McCarthy-jaren door de overheid onder druk gezet; in de kille, futuristische films Children of Men en V for Vendetta hebben Patriot-act-achtige maatregelen tot een politiestaat geleid.
Is er een wisselwerking tussen die fictie en de realiteit? Aaronovitch schrijft in zijn inleiding dat een complottheorie ‘de onnodige aanname van een complot is als andere verklaringen meer waarschijnlijk zijn’. CIA-medewerker Richard Clark maakte ooit de bekende opmerking: ‘We konden ons zulke aanslagen [9/11] alleen voorstellen omdat we ze kenden uit de thrillers van Tom Clancy.’ De tv-kijker zou steeds eerder geneigd kunnen zijn om zich complotten voor te stellen, omdat hij die langzamerhand zo goed kent uit film en literatuur, omdat ze hem bijna vertrouwd zijn. De paradox: fictie maakt ze geloofwaardiger.
Umberto Eco heeft in zijn briljante ideeënroman De slinger van Foucault zijn eigen manier om dat te zeggen: ‘De Rozekruisers waren overal, geholpen door het feit dat ze niet bestonden.’

Dan Brown, The Lost Symbol. Bantam Press, 509 blz., € 19,99.
David Aaronovitch, Voodoo Histories: The Role of Conspiracy Theory in Shaping Modern History. Jonathan Cape, 358 blz., € 22,99