Essay Nina, de onderzoeksjournalistiek en de constructie van de werkelijkheid

Het geheim van Smit

Eric Smits gewraakte biografie van Nina Storms inspireert tot een kritische beschouwing over onderzoeksjournalistiek. Journalisten kunnen geen monopolie meer claimen op ‘de’ waarheid. Zij kunnen wel hun werkwijze en hun analytische kaders expliciteren en openlijk bediscussiëren.

HET BOEK Nina van journalist Eric Smit heeft publiciteit getrokken, mede door de juridische acties van hoofdpersoon Nina Storms, eerder bekend onder de achternamen Aka en Brink. Er zijn veertigduizend exemplaren verkocht, meldt de uitgever. Is het daarmee ook een goed boek? Dat is een andere kwestie. Om voor die kwalificatie in aanmerking te komen moet een boek uiteraard goed geschreven zijn, dus kleurrijk, spannend of humoristisch, of juist droog, ingetogen en afgemeten. Is het een roman, dan moet die geloofwaardig zijn, de lezer meeslepen en overtuigen. Journalistieke boeken als Nina, die zijn opgebouwd rond werkelijke gebeurtenissen, moeten aan twee extra eisen voldoen: de auteur moet de feiten correct presenteren en hij moet een waarheidsgetrouw beeld schetsen.
Voldoet Eric Smit aan die eisen? Presenteert hij zijn feiten correct en is zijn beeld van Nina waarheidsgetrouw? Voor ik daarop inga, eerst een microcollege (een alinea). Het begrip ‘waarheid’ is als bekend niet eenvoudig. Het veronderstelt het bestaan van een hogere, intersubjectieve werkelijkheid die onze individuele werkelijkheid overstijgt. Sinds 1966 weten we, dankzij een baanbrekende verhandeling van de sociologen Peter Berger en Thomas Luckmann, dat zo'n collectieve werkelijkheid te zien is als een 'sociale constructie’. Onze concepten en beelden vallen niet uit de lucht, wij brengen ze actief tot stand, in gezamenlijke omgang met elkaar en met de wereld. Natuurlijk moeten we ze aanpassen aan onontkoombare nieuwe feiten, maar toch: al is niet langer vol te houden dat de aarde plat is, we kunnen nog wel geloven dat ze is geschapen door God. De gedachte dat waarheid een sociale constructie is, impliceert dat er verschillende kunnen bestaan - wat niet betekent dat alles wat (groepen) mensen voor waar aannemen ook even verstandig is. Een belangrijk gereedschap voor het construeren van collectieve werkelijkheden is taal (niet alleen de verbale variant maar bijvoorbeeld ook lichaamstaal). Taal maakt het mogelijk individuele ervaringen met elkaar te verbinden, in te dikken en te generaliseren. Via taal leren mensen - meestal als kinderen - hun individuele werkelijkheid af te stemmen op de hun omringende collectieve werkelijkheid. De theorie van Berger en Luckmann, het sociaal constructivisme, heeft de afgelopen decennia grote invloed verworven. Veel moderne sociale theoretici bouwen erop voort, met als een van de bekendste de sociaal-psycholoog Karl Weick, in wiens werk het begrip 'sensemaking’ centraal staat.
Ook de romancier en de non-fictie-auteur leven in collectieve werkelijkheden, die het referentiekader vormen voor hun persoonlijke beelden en concepten. Tegelijkertijd zijn zij bouwers van werkelijkheden. Zij benaderen die rol echter totaal verschillend. De romancier mag eigen feiten creëren en een eigen wereld scheppen. De non-fictie-auteur beperkt zich tot 'waar gebeurde’ feiten, iets verzinnen is er niet bij. Ook hij schetst een werkelijkheid, maar een die - zo houdt hij de lezer voor - concreet heeft bestaan en die hij in zijn werk opnieuw tot leven brengt. Zijn constructie is een reconstructie. Om het waarheidsgetrouwe karakter daarvan te benadrukken pretendeert de non-fictie-auteur vaak dat hij uit zijn eigen werkelijkheid is gestapt en de verzamelde feiten heeft bezien in het denkraam van de beschreven personen. Of dat überhaupt kan, is een filosofische kwestie die ik laat rusten. Ik merk slechts op dat het niet eenvoudig is.
Dan nu naar Nina. Voor de duidelijkheid: dit is geen recensie. Het gaat hier niet om de uitkomst van Eric Smits onderzoek of om zijn stijl, maar om zijn onderzoeksmethode en de gevolgen daarvan voor zijn (re)constructie van Nina Storms’ werkelijkheid. Over dat onderzoek schrijft hij een en ander in zijn 'verantwoording’ maar er valt vooral veel af te leiden uit de ruim vijfhonderd voetnoten (de idems niet meegeteld). Smit heeft gesprekken gevoerd (meest off the record), kranten gelezen en ook een aantal boeken. Hij heeft juridische documenten bestudeerd en de hand gelegd op notulen, contracten, facturen en financiële prospectussen. Verder had hij de beschikking over brieven, faxen en e-mails, en last but not least een groot aantal pleitnota’s en brieven van advocaten. De procentuele verdeling van de verwijzingen is ongeveer de volgende (telt op naar 101 door afrondingsverschillen):
media (kranten, bladen, radio, tv, boeken) 46%
brieven en stukken van advocaten 16%
'harde’ documentatie (juridisch/financieel) 13%
overige brieven, faxen en e-mails 10%
interviews (on en off the record) 6%
overige (toelichtingen, persberichten e.d.) 10%

IN DIT LIJSTJE vallen drie dingen op. Om te beginnen verwijst slechts één van elke acht voetnoten naar 'harde’ documenten, waarmee ik doel op gerechtelijke vonnissen, faillissementsverslagen, contracten, facturen, financiële prospectussen en dergelijke. Bijna de helft verwijst naar media, vooral kranten en weekbladen. Eric Smit gebruikt deze als bronnen van informatie, als bouwstenen voor de reconstructie. De kwaliteit en de betrouwbaarheid ervan zijn zeer verschillend, het scala loopt uiteen van Privé tot NRC Handelsblad en Het Financieele Dagblad (en mijn eigen boek De geur van geld). Als de auteur de overgenomen gegevens niet nader heeft gecontroleerd, en daar geeft hij geen aanwijzingen voor, werken die kwaliteits- en betrouwbaarheidsverschillen direct door in zijn onderbouwing. Dat is het onvermijdelijke gevolg van het werken met informatie uit de tweede hand.
In de tweede plaats verwijzen nogal wat noten (een op de zes) naar brieven en stukken van advocaten en in het bijzonder van mr. Oscar Hammerstein, jarenlang de advocaat van Nina’s grote tegenstander Willem Smit. Harde documentatie kan men die niet noemen. Advocaten willen in hun brieven en pleitnota’s de feiten nogal eens zwaar aanzetten. Ze benadrukken het conflict (net als veel media trouwens) en niet de overeenstemming, dat wat fout gaat en niet wat goed gaat. Advocatenbrieven zijn eigenlijk ook informatie uit tweede hand, met bovendien een dubbel denkraam, zij leunen op de feiten zoals de cliënt die ziet, en gieten die vervolgens in een juridisch denkraam.
In de derde plaats is uit Eric Smits noten niet op te maken wat precies de bijdrage van zijn gesprekken is. Vijftien maal geeft hij een naam, zeventien maal verwijzen de noten naar anonieme gesprekken. In zijn verantwoording rept hij echter van honderden contacten en 'meer dan honderd’ interviews. Het is aannemelijk dat die de grondslag vormen van de passages zonder voetnoten - en die zijn er vele - maar op welke manier dat is gebeurd, valt niet na te gaan.
Samenvattend: Nina is een verslag dat a) sterk rust op informatie uit de tweede hand en van wisselende betrouwbaarheid, waarin b) de bronvermelding incompleet is, en waarin c) de visie van Nina’s tegenstanders is oververtegenwoordigd - zowel via de brieven van Hammerstein als via anonieme interviews - en die van haar vrienden ondervertegenwoordigd (Eric Smit schrijft: 'Er zijn maar weinig mensen die tegenover een journalist vrijuit over Nina durven spreken’, ik neem aan dat haar vrienden die angst niet kennen).

MET ZIJN BOEK De Prooi had Jeroen Smit een andere pretentie (excuus voor een derde Smit, voorzover ik weet familie van Eric noch Willem). Jeroen stelt weliswaar dat hij 'een getrouwe reconstructie’ van de verwikkelingen binnen en rond ABN Amro wilde maken, maar hij geeft ook toe dat zijn boek 'het verhaal (is) geworden van de bankiers die ABN Amro hebben bestuurd’. De Prooi (2008) is een schoolvoorbeeld van wat de Columbia Journalism Review onlangs aanduidde als access journalism. CJR is het blad van de beroemde Columbia University Graduate School of Journalism in New York. In het nummer van maart/april besprak redacteur Dean Starkman het boek Too Big to Fail (2009), een uiterst succesvol verslag van de kredietcrisis in de Verenigde Staten, vol anekdotes en inside stories uit de bestuurskamers van de grote banken rond Wall Street, en net als De Prooi vrijwel geheel gebaseerd op gesprekken met sleutelfiguren. Boeken en artikelen die op deze manier tot stand komen, beschrijven vooral wat die betrokkenen zeiden en dachten, aldus Starkman. Ze laten zien hoe die hun werkelijkheid beleefden, ze geven een blik van binnenuit en niet (of althans veel minder) een visie van buitenaf. Too Big to Fail is rijk aan conflicten en botsende ego’s, schrijft Starkman, het is een paradijs voor de voyeuristische lezer. Hetzelfde kan men zeggen van De Prooi, waarvan volgens de uitgever intussen 240.000 exemplaren zijn verkocht. Ook dit neemt de lezer mee van ruzie naar ruzie, van blunder naar blunder, zonder nu bijzonder veel toe te voegen aan ons inzicht in de historische en structurele factoren achter de ontwikkelingen in het bankwezen en achter de verkoop van ABN Amro - een deal die trouwens door de financiële crisis al weer is achterhaald.
Tegenover access journalism staat wat Daniel Starkman accountability-oriented reporting noemt, verslaggeving die wordt onderbouwd (verantwoord) met gegevens van rechtszaken en officiële financiële rapporten, en materiaal dat wordt aangedragen door klokkenluiders, belangengroepen en dergelijke. Zowel 'toegangsjournalistiek’ als 'verantwoordingsjournalistiek’ heeft zijn verdienste, aldus Starkman. Afzonderlijk is geen van de twee echter in staat een compleet beeld van de werkelijkheid te schetsen. Daarmee suggereert hij dat een combinatie daar beter in zou kunnen slagen. Dat hangt ervan af. Op z'n minst moeten de beide methoden beter in evenwicht zijn dan in Nina, lijkt me. De analyse van Eric Smits materiaal laat zien dat slechts een klein deel bestaat uit 'verantwoordings’-informatie. Vooral in zijn karakteriseringen en sfeerschetsen, en ook in zijn uitweidingen over motieven en gedragingen baseert hij zich bij uitstek op getuigenissen van insiders - met uitzondering van zijn onwillige hoofdpersoon, die in het geheel niet wilde meewerken.
Het afgelopen decennium ben ik ervan overtuigd geraakt dat de onderzoeksjournalistiek in Nederland veel professioneler moet gaan opereren. Het wordt tijd dat zij uitstijgt boven het niveau van de ruzies en het gekrakeel. Die worden in gesprekken achteraf vaak opgeblazen en zijn in de praktijk meestal helemaal niet zo relevant, al die uitvoerige beschrijvingen ervan hebben maar zelden toegevoegde waarde. Om op zo'n hoger plan te komen, moet ze haar onderzoeksmethoden dichter laten aansluiten bij die van de wetenschap. Bovendien moet ze meer aandacht besteden aan verklaring en analyse, aan heuristiek, zoals dat zo mooi heet, en aan de denkramen achter haar (re)constructies, dus aan theorie en ideologie. Zij moet niet alleen verborgen (relevante) feiten aan het licht brengen, maar zich ook ten doel stellen ons de ogen te openen, en op nieuwe manieren naar de feiten te laten kijken.
Jeroen Smit stelt in De Prooi dat hij zijn reconstructie heeft geschreven vanuit het perspectief van de 'alwetende schrijver’. Het zal niet verbazen dat ik dit perspectief, dat ook tot mijn journalistieke opvoeding behoort, niet langer acceptabel acht. Het is een fictie. De journalist met een alwetend perspectief gedraagt zich als een tovenaar die op magische wijze 'de’ waarheid uit de feiten omhoog kan laten zweven. Hoe hij dat doet, is zijn geheim. Hij verantwoordt niets en ontkent in wezen dat hij zijn feiten niet alleen noteert maar ook selecteert. Hij benadert de waarheid als een passief brouwsel, niet als een actief gevormd (sociaal) construct. De lezer moet hem, de Alwetende Schrijver, maar op zijn woord geloven, daar komt het op neer.
Welnu, die tijden zijn voorbij. Toen het onervaren duo Bob Woodward en Carl Bernstein begin jaren zeventig op basis van anonieme bronnen een president ten val brachten, werden zij geloofd omdat zij een gezaghebbende krant (The Washington Post) met een gezaghebbende hoofdredacteur (Ben Bradlee) achter zich hadden. Die krant en die hoofdredacteur hadden dit gezag niet zomaar, zij hadden het in een lange geschiedenis en ervaring opgebouwd. Dergelijke journalistieke autoriteit is tegenwoordig schaars en in ieder geval niet meer vanzelfsprekend. Er zijn steeds minder gezaghebbende media en gezaghebbende hoofdredacteuren, uitgevers hebben op dit vlak weinig te bieden, de status van de journalistieke professie zakt steeds dieper weg, en ook het zelfbeeld van de journalist - zeker de Nederlandse - is op een bedenkelijk laag peil aangeland (men leze het scherpzinnige boekje Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek van wijlen Jan Blokker). Voor de individuele auteur van een non-fictieboek betekent dit alles dat hij niets en niemand meer heeft om op te leunen. Een beroep op de 'alwetende’ tovenaarskunsten van De Journalist volstaat niet meer. Hij zal zijn eigen autoriteit moeten bewijzen.

HET VOORGAANDE BETEKENT dat ook Kortsluiting, De geur van geld, De stranding en Let’s Make Things Better - mijn journalistieke boeken van de jaren negentig - mijn huidige kwaliteitstoets niet kunnen doorstaan. Ik was mij indertijd wel degelijk bewust van de vraagstukken die ik hier aan de orde stel. Om me een goed beeld te vormen van hun persoonlijke kleuring van de werkelijkheid lette ik scherp op de motivatie van mijn gesprekspartners, op de oorsprong van hun informatie (uit eerste of tweede hand), en op de controleerbaarheid (double checks als standaardregel). Ik behandelde informatie uit media-artikelen - die ik toen voor het eerst met elkaar vergeleek - met de nodige voorzichtigheid. Veel ervan bevatten slordigheden en fouten, sommige waren gewoon niet bruikbaar. Om het beeld van de insiders met de nodige afstand te bekijken en te analyseren, sprak ik ook onafhankelijke outsiders en omringde ik mij met deskundige en kritische meelezers - onder wie wetenschappers en een enkele collega.
Niettemin, waar het aan ontbrak was een goede methodische verantwoording, zowel van mijn onderzoek als van mijn (re)constructies. Het gebruik van voetnoten was destijds in journalistieke boeken geen usance en werd mij door de uitgever afgeraden als 'quasi-wetenschappelijk’.
Dat Eric Smit dit in Nina wel heeft gedaan, juich ik toe. Hoe incompleet ook, hiermee gunt hij ons een inzicht in zijn werkwijze waar andere journalisten zich veelal niet aan wagen - Jeroen Smit niet en ik in de jaren negentig dus ook niet. Zelf heb ik de werkelijke waarde van dergelijke verantwoording pas goed geapprecieerd tijdens het schrijven van mijn biografie, tevens dissertatie, van Anton Philips (2004). De wetenschappelijke noodzaak van systematische bronvermelding dwong mij tot een nog nauwkeuriger beoordeling van mijn materiaal dan ik al gewend was, zorgde ervoor dat ik sneller zwakke plekken en leemtes ontdekte, hield mij permanent bewust van mijn selecties, en stimuleerde mij aldus tot een - al zeg ik het zelf - prima onderbouwing van mijn (re)constructie van Antons leven, met ook een aantal theoretische perspectieven.
Na die biografische studie heb ik de gewoonte van systematische bronvermelding in mijn onderzoeksjournalistieke werk voortgezet. Desondanks kwam ik in 2008-2009 tot mijn verrassing toch terecht in een fundamentele discussie over de inhoud van een boek over een groot veranderingsproces bij Rijkswaterstaat. Ondanks de grondigheid en transparantie van mijn onderzoek bleek de top van deze overheidsdienst zich niet te herkennen in mijn weergave. Het is deze ervaring die mij heeft teruggebracht naar Berger & Luckmann en hun gedachten over het constructivistische karakter van de werkelijkheid. De RWS-top en ik verschilden niet van mening over de feiten, maar over de interpretatie.
Achteraf gezien had het denk ik geholpen als ik mijn perspectief, mijn denkraam, beter had geëxpliciteerd. Daar had ik mijzelf toe kunnen dwingen door (net als bij mijn dissertatie) mijn plan en mijn teksten voor te leggen aan een onafhankelijke begeleidingscommissie, met het verzoek mij vooral veel kritische vragen te stellen. Door hier in een verantwoording over te berichten, had ik zowel de RWS-top als buitenstaanders kunnen laten zien hoe ik mijn 'waarheid’ over het veranderingsproces bij Rijkswaterstaat had geconstrueerd, en het hun wellicht gemakkelijker gemaakt die waarheid te accepteren. In journalistieke termen geformuleerd is het voordeel van zo'n commissie dat zij de rol van de wijze 'hoofdredacteur’ kan vervullen, van ervaren raadsman die de solistische onderzoeker tot grotere zelfkritiek en hogere kwaliteit dwingt, die hem 'schraagt’ met haar gezag en die eventueel kan helpen kritiek van buiten te beantwoorden.
In de wetenschap zijn bronvermelding en methodische transparantie verplicht, zij vormen de basis voor de controleerbaarheid en intercollegiale toetsing van een onderzoek (peer group reviews). Men is er gewend aan de gedachte dat de 'waarheid’ voortdurend in de steigers staat, wordt verbouwd, gesloopt en herbouwd. Hoewel het er in de praktijk van de wetenschap zeker niet ideaal aan toe gaat, en er ook nadelen aan begeleidingscommissies zitten, kan de onderzoeksjournalistiek veel van haar benadering leren. Een zelfgekozen verplichting tot grondige verantwoording zou zeker leiden tot betere kwalitatieve selectie van bronnen (ik betwijfel bijvoorbeeld of Eric Smit nog zomaar, ongeclausuleerd, een artikel of citaat uit het blad Privé als bewijsvoering of zelfs maar als illustratie zou hanteren). Het zou een helder onderscheid tussen on en off the record-passages afdwingen, uitvoeriger beschrijving van de onderzoeksmethode, grotere zelfkritiek - en daarmee leiden tot aanzienlijk grotere transparantie en geloofwaardigheid van de resultaten.
In deze wereld met haar informatieoverdaad en haar relatief hoge opleidingsniveau kunnen journalisten geen monopolie meer claimen op 'de’ waarheid. Zij kunnen er wel voor zorgen dat hun feiten kloppen en dat ze het daaruit opgebouwde beeld goed doordenken. Journalisten hebben nog altijd de neiging om het debat over hun werkwijze en hun analytische kaders te ontlopen of te monopoliseren. Het wordt hoog tijd dat ze deze, net als wetenschappers, expliciteren en openlijk bediscussiëren. Daar kan de onderzoeksjournalistiek mijns inziens alleen maar professioneler en beter van worden, en misschien kan de journalistiek in het algemeen er wat van haar verloren gezag en status mee terugwinnen.

Eric Smit, Nina: De onweerstaanbare opkomst van een power lady, Prometheus, 400 blz., € 19,95