Het geheugen van robin linschoten

Er is met Robin Linschoten, staatssecretaris van Economische Zaken, iets heel merkwaardigs aan de hand.

Op 21 november 1995 debatteerde hij met de Tweede Kamer over de afschaffing van de Ziektewet. Een deel van de volksvertegenwoordiging aarzelde. Want wat zouden de gevolgen van een dergelijke ingreep zijn?
Die waren beschreven in een rapport van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen, een rapport dat de Kamer niet kende, in tegenstelling tot Linschoten, die het een dag voor het kamerdebat van zijn partijgenote, CTSV-voorzitter Diane van Leeuwen, had gekregen.
De situatie was op zichzelf al eigenaardig. Waarom werd de Kamer zo'n belangrijk rapport onthouden? Zo'n College van Toezicht Sociale Verzekeringen doet zijn werk, dubbelzinnig geformuleerd, toch niet voor niets?
Vandaar dat staatssecretaris Linschoten verleden week vrijdag ten tweede male in de volksvertegenwoordiging is verschenen. De vraag was of het besluit van de Tweede Kamer om de Ziektewet af te schaffen op onvoldoende informatie was gebaseerd. Dat zou, mede gegeven het belang van de kwestie, een politieke doodzonde van de eerste orde zijn.
Dat wist ook staatssecretaris Linschoten. Dus liet hij weten het rapport niet ter discussie te hebben gesteld, omdat hij het niet had gelezen. Dit omdat de essentie immers al diezelfde ochtend van het kamerdebat in de dagbladen had gestaan.
Wat een pech voor de bewindsman! Want de kamerleden Rosenmoller en Bijleveld gingen de archieven in en stelden vast dat de dagbladen pas twee dagen na het kamerdebat over dit CTSV-rapport hadden bericht. Waarna de bewindsman gedwongen was andermaal zijn geheugen te raadplegen.
Nee, wist hij nu, het waren niet de kranten geweest waaraan hij zijn kennis ontleende. Hij was regelrecht door journalisten van de inhoud van het CTSV-rapport op de hoogte gebracht.
Men stelle zich de situatie voor. Het betreffende kamerdebat vond plaats op een dinsdag. Met het oog op dit belangrijke kamerdebat wordt een rapport geschreven. Dat valt in handen van parlementaire journalisten - wij volgen nog steeds de redeneertrant van de staatssecretaris -, die de inhoud van dit rapport niet de volgende dag, woensdag, in hun krant zetten, maar de telefoon pakken om de staatssecretaris op de hoogte te stellen van een rapport dat hij nota bene op hetzelfde moment al op zijn bureau heeft liggen.
Een eigenaardig soort journalisten, zou je zo zeggen.
En een eigenaardige bewindsman met een op zijn minst eigenaardig geheugen.
En een eigenaardige volksvertegenwoordiging, als die straks met deze overduidelijke staatssecretariele smoezen genoegen neemt.