Het gelaat van de ander

Het is oorlog. Wij lezen erover, wij zijn betrokken. Wij identificeren ons met de slachtoffers. Maar zijn wij daarmee ethisch? Kunnen wij niet zelf ooit dader worden? Het slot van een tweeluik over ethiek en engagement.

HET IS OORLOG. Dat is niets nieuws, dat het oorlog is. Het was al oorlog bij de Grieken en de Egyptenaren, in de Middeleeuwen en in de Renaissance, in het oosten en in het westen. De geschiedenisboeken staan vol met oorlogen, waarvan je de begin- en einddata uit het hoofd moet leren, de aanleidingen en de motieven, de veldslagen en de vredesverdragen. Je hoeft heus de krant niet te lezen om te weten dat het ergens oorlog is, het is altijd wel ergens oorlog. Het verwonderlijke is niet dat er oorlog is, maar dat er geen oorlog zou zijn. Maar het is nu oorlog, en betrekkelijk dichtbij, en het gevaar bestaat dat oorlogen zich uitbreiden, en niemand wil oorlog. Dat is het vreemde aan oorlogen: dat kennelijk niemand ze wil. Zelfs degene die aanvalt wil geen oorlog, hij wil alleen dat de ander zich onderwerpt. Als oorlogen, zonder dat ze door iemand gewild worden, zich met een onverzettelijke onvermijdelijkheid blijken voor te doen, moeten we ze dan vergelijken met natuurrampen? Duizenden mensen dakloos, doet het er wat toe of dat door toedoen is van andere mensen of door toedoen van een orkaan? Natuurlijk wel, zeggen wij verontwaardigd, voor oorlogen zijn we zelf verantwoordelijk, we kunnen ze ontketenen of afremmen, en het is onze ethische plicht te proberen ze af te remmen. Vooral de oorlogen van anderen lijken buitengewoon overbodig, en de oorlogen waarvan we het slachtoffer worden zijn natuurlijk ronduit onrechtvaardig. Alleen de oorlogen die we zelf zouden voeren zouden gerechtvaardigde oorlogen zijn, maar wij voeren geen oorlogen, dat doen alleen de Duitsers of de Serviërs. Wij willen alleen maar vrede. Uiteraard kun je uit de klaarblijkelijke onvermijdelijkheid van oorlogen niet besluiten dat je ze dan maar moet laten gebeuren en dat ze ‘zo ook wel hun functie zullen hebben’ (bijvoorbeeld als oplossing voor het overbevolkingsprobleem). Een dergelijke houding van fatalisme en cynisme kan bezwaarlijk ethisch worden genoemd; je laat een mens niet onder je ogen doodbloeden vanuit het argument dat er te veel mensen zijn en dat ook deze mens immers binnen afzienbare tijd toch vanzelf zal sterven. Moeilijker is het te omschrijven wat dan wel een ethische houding zou zijn, vooral wanneer het niet een mens betreft die doodbloedt onder je ogen, maar een oorlog die zich afspeelt in een ander land. Er bestaat daaromtrent in het geïntellectualiseerde en gemediatiseerde Westen een algemene opvatting die bijna tot een morele plicht is uitgegroeid: dat ethisch engagement te maken heeft met het volgen van de actualiteit en het vormen van een mening daaromtrent. Vooral het ethos van de intellectueel, de schrijver en de kunstenaar wordt vrij vanzelfsprekend omschreven in termen van betrokkenheid bij het wereldgebeuren en belangeloze (dat wil zeggen niet partijgebonden) inzet voor de wereldvrede. Je kunt het als intellectueel haast per definitie niet waarmaken geen kranten of tijdschriften te lezen, niet naar de radio te luisteren of naar de televisie te kijken noch op enige andere manier (Internet) het 'nieuws’ te volgen zonder je titel honoris causa van intellectueel te verliezen. En het gaat inderdaad om definities, dat wil zeggen om woorden en om een omschrijving van hun normatieve inhoud, iets dat op het eerste gezicht niet van geweldig veel belang lijkt te zijn, hoewel bij nader inzien blijkt dat het precies om definities is dat mensen oorlogen voeren. De titel 'intellectueel’ is misschien minder belangrijk, maar wie geen enkele vorm van betrokkenheid toont met het wereldgebeuren wordt ook nog eens beschuldigd van afstandelijkheid, vrijblijvendheid en gemakzucht, van wereldvreemdheid, gevoelloosheid en amoraliteit, misschien zelfs van een vorm van abnormaliteit, perversiteit of onmenselijkheid. Als opvoeder kan zo iemand natuurlijk niet deugen, want kinderen moet je opvoeden tot democratische burgers, en het recht op democratie is onlosmakelijk verbonden met de plicht tot informatie, informeren én geïnformeerd zijn. Maar als het toch gaat om definities kun je net zo goed een paar definities ter discussie stellen. Bijvoorbeeld: wat is wereldvreemdheid? Hoe groot is de wereld waarin we leven? Is de planeet aarde, of het westelijk halfrond daarvan, de wereld? Dan kun je net zo goed het heelal, met zijn onverschillige oneindigheid, beschuldigen van wereldvreemdheid. En tegenover wát stelt afstandelijkheid een afstand in, en maakt betrokkenheid betrokken? En wat is ethiek, in termen van mens en wereld, afstand en betrokkenheid? Wat is kunst? (Wat is een intellectueel?) JE KUNT ETHIEK zonder meer laten samenvallen met de gangbare menselijke moraal die steunt op regels die het samenleven in de gemeenschap moeten optimaliseren en die wederzijdse hulpverlening proberen te garanderen. Het betreft hier dan een geheel van waarden die vanuit het menselijke perspectief worden gedefinieerd en waarbij menselijke middelen worden ingezet om ze te verdedigen. De belangrijkste van deze menselijke middelen zijn de rede en het gevoel. Het is de rede die ons moet inlichten over onvervreemdbare rechten en overeenkomstige universele verplichtingen; het is het gevoel dat zich laat bewegen tot sympathie, identificatie, medelijden en uiteindelijk tot hulpverlening. De belangrijkste vooronderstellingen van dit waardensysteem zijn die van de waarde van de persoon als individu en van betrokkenheid als meest integere sociale houding. Van dit sociale systeem zijn uiteraard het politieke en het juridische de centrale onderdelen. Als dit het laatste woord is over ethiek dan valt een ethische houding inderdaad zonder meer samen met een moreel gepaste houding en kunnen de meesten onder ons gerust op beide oren slapen, want wie verdedigt ze niet, deze waarden? Om ethisch te zijn volstaat het dan geen moorden of diefstallen te plegen, ’s(ochtends de krant te lezen en in al dan niet openbare discussies op te komen voor de universele mensenrechten en voor de afschaffing van alle oorlogen. Van gemak gesproken. Maar misschien is er nog een andere invulling mogelijk van het begrip 'ethiek’. Of liever: geen invulling meer, maar een ongefundeerde openheid op een ander dan het menselijk perspectief. Want misschien is de waarde en het belang van de menselijke persoon in werkelijkheid uiterst gering (even gering als die van de mieren en de sterren), en misschien is betrokkenheid alleen maar een bedrieglijke vorm van zelfbetrokkenheid. En misschien volgt hieruit niet eens dat alles om het even is, alleen dat het niet zo gemakkelijk meer is om te omschrijven waar een 'ethische’ houding op neerkomt. EEN PAAR VRAGEN die je kunt stellen bij de oproep tot 'ethisch engagement’, zoals die bijvoorbeeld in oorlogstijden en in andere situaties waarbij mensen slachtoffer worden van groot onrecht gestalte krijgt, zijn: hoe komt het dat men steeds wordt uitgenodigd tot identificatie, en wel een exclusieve identificatie met de slachtoffers, terwijl de daders onveranderlijk worden gedegradeerd tot onmensen, monsters, psychopaten of gevaarlijke gekken? Achten wij het dan volkomen uitgesloten dat wij zelf ooit 'dader’ zouden worden? Wat gedaan met het Latijnse adagium nihil humanum mihi alienum est (niets menselijks is mij vreemd)? Het is een beetje zoals in de stereotiepe avonturenfilm: de identificatie van de toeschouwer met de 'goeden’ moet bij voorkeur totaal zijn, omdat de gevoelige kijker anders problemen krijgt met het feit dat de slechten op het eind dood moeten. Waarmee niet bedoeld wordt dat het beter zou zijn als mensen zich met de slechten zouden identificeren; dat kan interessant zijn in een psychologische misdaadfilm, maar als praktische houding is het beslist gevaarlijk, en zeker niet ethischer dan een identificatie met de goeden. Moreel gezien (in de betekenis van de gangbare menselijke moraal) lijkt een identificatie met de goeden (de slachtoffers) inderdaad het beste, dat wil zeggen, het minst bedreigend en met de grootste kansen op gepast sociaal gedrag (al kan een exclusieve identificatie met de goeden net zo goed leiden tot de meest fanatieke Heilige Oorlog). Ethisch gezien (in de 'andere’ betekenis) is het misschien beter te proberen zich te onthouden van identificaties (identificaties zowel met de goeden als met de slechten, zowel met anderen als met zichzelf - alle identificaties zijn trouwens fundamenteel identificaties met zichzelf - misschien is de primaire ethische eis wel: identificeer je niet met jezelf). Vooral als je nagaat op welk bedrieglijk spel van de verbeelding identificaties zijn gebaseerd. Het is oorlog en men toont alom 'schrijnende’ beelden van de 'schreeuwende’ werkelijkheid. Een twaalfjarige jongen trekt met zijn zusje van zeven maanden op een uitgehongerde ezel door een verlaten landschap (Hoe heet hij? Heeft hij haar de avond tevoren verschoond, in slaap gezongen?). Een kamer met verminkte lichamen van vermoorde mensen, een jongen van ongeveer elf jaar kijkt met een betraand gezicht naar een van die lichamen (wellicht zijn vader). Een zwartharige pup die met een verweesde snuit te midden van een puinhoop zit die kort tevoren een mensenhuis was (om ook de dierenliefhebbers aan te spreken, al is dit volgens sommigen ethisch ongepast: je schermt niet met dierenleed als het om menselijk lijden gaat). En allemaal voelen we de Disney-kijker in ons aangesproken, we krijgen een brok in de keel van ontroering, we zijn geschokt en bewogen. Maar wat indien de twaalfjarige jongen stiekem de hele nacht zijn zusje had mishandeld en gefolterd, wat indien de vermoorde vader zijn eigen zoon al jarenlang seksueel had misbruikt? (Pups zijn gelukkig volkomen onschuldige wezens). Je voelt je door je eigen identificaties voor de gek gehouden, zoals in een film waarin na twintig minuten de onschuldige opeens de psychopaat blijkt te zijn. Een gedachtenexperiment (of een reële situatie?): in een van die lange gangen in een metrostation ligt een rij van ongeveer tien hulpbehoevende bedelaars, waarvan de een er nog ellendiger aan toe is dan de ander - aan wie van hen geef je een aalmoes? Bij voorkeur toch aan de allerellendigste, dat wil zeggen degene die je het sterkst weet aan te spreken op je gevoelens van medelijden (degene met het geamputeerde been, de gescheurde kleren, de etterende wonden). Hoewel je door je aanspreekbaarheid lelijk bedrogen kunt worden: de kreupele bedelaar springt vrolijk recht, haalt zijn nette kleren uit zijn tas en gaat zich in de eerste de beste kroeg schaamteloos bezatten. Iedere bedelaar, iedere hulpbehoevende die het register van de menselijke gevoelens behoorlijk weet te bespelen zou een potentiële oplichter kunnen zijn. Sommige edelmoedige schenkers worden door deze mogelijkheid zozeer van hun stuk gebracht dat ze uit louter wantrouwen aan niemand meer iets willen schenken (ze zijn ontgoocheld in hun 0 identificaties). Anderen willen pas tot schenking overgaan nadat ze een min of meer wetenschappelijk onderzoek hebben verricht naar de reële, objectieve graad van ellende van de betreffende hulpbehoevende (Maar hoe meet je die? Is iemand die volmaakt tevreden is in volslagen armoede wel een echte hulpbehoevende?). Een echt 'ethische’ houding veronderstelt misschien dat je helpt waar dat gepast lijkt, en niet waar je je betrokken voelt, terwijl het 'gepast zijn’ evenmin kan worden gefundeerd op rationele inzichten omtrent een reële situatie. Ook de grootste ellende is niet zo belangrijk (ook niet als je er zelf in terechtkomt), en soms behoeft heel klein leed dringender aandacht dan een catastrofe. Het vervelende is wel dat je 'ethiek’ (in tegenstelling tot moraal) op die manier niet meer lijkt te kunnen funderen: er is geen antwoord op de vraag aan welke bedelaar je moet schenken, en of je hoe dan ook moet schenken, en of je je aandacht moet richten op een verdrinkende pup dan wel op een naderende oorlog. HET VERSCHIL TUSSEN moraal en ethiek kan misschien verduidelijkt worden aan de hand van een exemplarisch verhaal uit de Chinese filosofie. Een man die maandelijks een bepaalde geldsom verdient wil weten hoe hij het best zijn leven kan inrichten en hoeveel hij bijvoorbeeld per maand moet uitgeven of opzijleggen. Hij legt zijn vraag voor aan twee wijzen, de een confucianist (woordvoerder van de moraal), de ander taoïst (woordvoerder van ethiek, en dus geen woordvoerder meer). De confucianist redeneert dat het belangrijk is om alle vormen van excessen te vermijden, je moet niet overdreven spaarzaam zijn maar ook niet overdreven kwistig. De deugd ligt in het juiste midden, dus kun je het best de helft van je loon uitgeven en de andere helft sparen. De taoïst weet het niet, je kunt niet vooraf en in het algemeen zeggen wat in de loop van een leven gepast zal zijn. Misschien heeft de man zo weinig nodig dat hij vrijwel niets hoeft uit te geven, terwijl het net zo goed kan gebeuren dat hij in een bepaalde situatie alles ineens moet spenderen. Er is geen antwoord, en toch betekent dat niet dat het geheel willekeurig is wat de man met zijn geld zal doen. (Wel is het begrijpelijk dat de betreffende man, als hij werkelijk raad wil, geen tweede keer bij de taoïst zal aankloppen.) Heel wat pogingen om een menselijke ethiek te funderen doen een beroep op het 'appèl’ dat uitgaat van 'het gelaat van de ander’ en op de bereidheid om zich als 1 mens daardoor te laten aanspreken. Maar waarom zou het 'ethischer’ (in de 'andere’ betekenis) zijn zich te laten aanspreken door het gelaat van de ander dan bijvoorbeeld door de blik van jonge zeehonden (dierenbeschermers doen er een beroep op) of, waarom niet, de koele ogen van de krokodil (lukt minder goed) of (moeten er ogen zijn?) het achtereind van een varken? Ook chimpansees voelen zich het meest aangesproken door het gelaat (maar dan wordt dat: de snuit) van andere chimpansees. 'Aangesproken worden’ is een biologisch vermogen dat wortelt in bepaalde instincten en dat bij de mens rijkelijk wordt aangevuld door sentiment en verbeelding. En toch schuilt hier een grote moeilijkheid. De weigering om ethiek te funderen op gevoel en op betrokkenheid lijkt als vanzelf en onvermijdelijk te leiden tot de cultus van de gevoelloosheid, het cynisme, de onverschilligheid en het egocentrisme - houdingen die uiteraard niet ethisch kunnen worden genoemd. Maar misschien is er ook nog een andere mogelijkheid. Het afwijzen van de betrokkenheid en het belang van de medemens als centrale ethische waarden hoeft niet te impliceren dat in plaats daarvan de betrokkenheid met zichzelf en het belang van de eigen persoon moeten komen. Het afwijzen van de betrokkenheid houdt zelfs op de eerste plaats een afwijzen van de zelfbetrokkenheid in (geen identificatie zonder zelfidentificatie). Het christelijke voorschrift 'Bemin uw naaste als uzelf’ kan op twee totaal uiteenlopende manieren worden geïnterpreteerd en zowel als fundament dienen van een 2 menselijke moraal als van een (onfundeerbare) onpersoonlijke ethiek. 'Bemin uw naaste als uzelf’: begin met jezelf te beminnen, ga uit van de waarde en het belang van de eigen persoon en bemin vervolgens de naaste (die dan op basis van gelijkenis alleen maar de soortgenoot, de medemens kan zijn) even intens en onvoorwaardelijk als je jezelf bemint. Dit is het spoor van een ethiek van de identificatie en de betrokkenheid, een menselijk engagement voor een menselijke wereld waarvan het ik het centrum is. Of 'Bemin uw naaste als uzelf’: bemin jezelf niet, maak geen onderscheid tussen jezelf en de naaste, noch tussen de soorten naasten, die dan in principe ook andere levensvormen of zelfs de dode stof kunnen zijn, omdat niets belangrijk is maar alles waardevol, in een verbondenheid die onpersoonlijk is omdat ze veel verder reikt dan de persoon. Er wordt in de Engelse taal een onderscheid gemaakt dat in al zijn connotaties heel moeilijk in het Nederlands begrepen kan worden: het onderscheid tussen pity en compassion. Pity is wat we kennen als medelijden, een centrale deugd in de moraal van naastenliefde die uitgaat van het naast elkaar bestaan van 'naasten’ en die een beroep moet doen op gevoelsmatige betrokkenheid om de afstanden tussen de naasten te overbruggen. Compassion is moeilijker te vatten; in taoïstische teksten wordt er een niet-gevoelsmatige houding van mededogen mee bedoeld, een diepe welwillendheid tegenover 'het andere’ (en niet alleen 'de ander’) vanuit een innerlijk besef van eenheid met het andere (to encompass betekent omvatten; compassion is een soort van allesomvattendheid). En dan zal het natuurlijk de verwijzing naar het taoïsme zijn die argwaan zal wekken. Want weten we niet allemaal dat de oosterse wijsheid leidt tot een soort van gelatenheid (fatalisme), een onthechting en wereldverzaking die onverzoenbaar zijn met het westerse streven naar een 'betere wereld’? Ook dit hoeft geen noodzakelijk gevolg te zijn. Hoe vreemd het ook mag klinken, het is zeer wel mogelijk uit te gaan van de onbelangrijkheid van de persoon en van een weigering tot emotionele betrokkenheid, en toch op een 'geëngageerde’ manier te proberen het 'gepaste’ te doen en zelfs bij voorkeur een en ander te verbeteren. Het engagement zal misschien wat minder krampachtig zijn, wat minder grootschalig, veel minder ontroerend natuurlijk en - hoe kan het ook anders - veel minder belangrijk.