Het geleende leven van een lezer

De jury - Yves van Kempen, Marc Reugebrink, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos De lijnen van het lot van Mark Charitonov tot Boek van de Maand. De andere mededingers waren:
Guido Ceronetti, De stilte van het lichaam (vert. Wilfred Oranje, De Bezige Bij, f44,50). Een hoogst eigenzinnige, excentrieke en apocalyptische geschiedenis van de geneeskunde, gepresenteerd als een mozaiek van brokstukjes cultuur, die bij elkaar gebracht een bijna vergeten wereld in beeld brengen.
Leon Gommers, De hondewacht (De Bezige Bij, f39,50). Zeeman herinnert zich zijn jeugd in Limburg: de harde wereld van de mijnwerkers, van zijn vader die hem als een hond behandelt en die lijkt op Anthony Quinn, zijn pillenmoeder en het ‘zwarte vaandel van de dood’, beschreven in uiterst beeldende taal.
Milan Kundera, De traagheid (vert. Joop van Helmond, Ambo, f29,90, geb. f39,90). In deze lichtvoetige, essayistische roman verplaatst Kundera zich naar zijn favoriete tijd, de tijd van de Verlichting. Daarin was hedonisme nog niet de snelle bevrediging maar het langzaam rekken van het genot. Tegenover de snelheid van nu looft hij de traagheid van toen.
Mark Charitonov, De lijnen van het lot, of: Het kistje van Milasjevitsj. Uit het Russisch (1994) vertaald door Arthur Langeveld, uitgeverij Van Gennep, 460 blz., f59,50
IN 1992 WON Mark Charitonov met deze roman de eerste Russische Bookerprijs. Wat die waard is, weet ik niet, maar in elk geval hebben we daar nu ook in het Nederlands een bijzondere roman aan te danken. De enige feiten omtrent de schrijver die ik ken, zijn twee verschillende geboortejaren, 1937 en 1947; het zal wel het eerste zijn, als waar is dat Charitonov debuteerde in 1971. De lijnen van het lot, of: Het kistje van Milasjevitsj - het raadselachtige aan de titel wordt bij het lezen wel opgelost; van andere raadsels in het boek zou ik dat, ook na tweede lezing, niet durven zeggen. Het schijnt dat je sommige mensen ermee afschrikt als je het zegt, maar dit is zo'n boek dat je pas echt kunt gaan lezen nadat je het eerst een keer op de bonnefooi tot je hebt genomen, maar misschien is dit alleen een bekentenis van eigen onvermogen. Het is zo'n beetje als met de titel: over de lijnen - van het noodlot - valt pas iets te zeggen als duidelijk is wat er in dat geheimzinnige kistje zit.

Anton Lizavin, een literatuurwetenschapper, is bezig met een dissertatie over streekschrijvers uit de jaren twintig. Een van hen trekt speciaal zijn aandacht, Milasjevitsj. Deze werd van plagiaat beschuldigd door iemand die ontdekte dat een in 1912 gepubliceerd verhaal verdacht veel leek op een drie jaar eerder verschenen verhaal van de streekschrijver Bogdanov. Laat Bogdanov nou de eigenlijke naam van Milasjevitsj zijn. Hij ging zijn pseudoniem gebruiken nadat hij, gearresteerd wegens samenzwering, voor drie jaar werd verbannen naar een gat in de provincie, toevallig de geboorteplaats van de onderzoeker. Om het nog ingewikkelder te maken: de eerste versie van het verhaal, maar dan gesitueerd in Moskou, was zijn ‘bekentenis’ geweest.
In het verhaal gaat het om het bezoek van een vroegere studievriend, die een geheimzinnig kistje bij zich heeft, een zwijgende vrouw met wie de gast ooit een verhouding had, en de verteller des huizes. De gespannen verhouding tussen dat drietal zal een extra lading krijgen doordat de lezer, Lizavin, in een vergelijkbare situatie komt te verkeren wanneer hij een zwijgende jonge vrouw, die ooit met een kennis van hem was getrouwd, op een busstation treft en bij zich in huis opneemt. Ook in zijn geval is er een intrigerende derde in het spel. Pas later wordt deze vrouw, als zij er niet meer is, belangrijk voor hem. Voor de vader van zijn verloofde is het feit dat hij die vrouw onder zijn dak heeft reden om de onbetrouwbare schoonzoon in de gevangenis te doen belanden en ook nog zijn wetenschappelijke carriere te breken.
DE LOTGEVALLEN van Lizavin zijn van minder belang dan het verhaal van zijn kennismaking met de oude streekschrijver. Meer en meer raakt hij geinteresseerd in diens 'provinciale filosofie’ (waar een vorige roman van Charitonov naar genoemd schijnt te zijn). Onder die positieve idee van de provincie moet overigens geen geografisch begrip maar een geestelijke categorie worden verstaan: min of meer een anti-utopie, omdat Milasjevitsj niet gelooft in geluk voor iedereen, maar wel voor de meerderheid, die terwille van geborgenheid en rust zich onderwerpt aan de wetten van overleven en zelfbehoud, ongeacht hoe en door wie dat geluk tot stand komt. En dat terwijl een (verborgen) minderheid, daarvoor gevoelig gemaakt door het lijden, naar de waarheid zoekt. Niet toevallig zal een slimme hoofddocent, met wie Lizavin hierover discussieert, een toespeling maken op de auteur van de Ubermensch.
Ergens heet het dat Lizavin zich al vrij vroeg had gewapend met deze 'lichte, ironische en comfortabele filosofie’ - het is maar wie het zegt.
Het is waar dat Milasjevitsj, zich bewust van de paradox dat rust en geluk gevoelloos maken en pas pijn een mens bewust doet worden van zijn gevoel, alles in het werk stelt om het leven voor anderen zo aangenaam mogelijk te maken. Hij zelf zal op het laatst van zijn leven worden geconfronteerd met een grove karikatuur van zijn visioen. Maar ik loop vooruit op het verhaal, want in dat finale stadium raken de draden van het noodlot onontwarbaar met elkaar verstrengeld. Onze tijd is dan nauwelijks meer van de apocalyptische tijd te onderscheiden, begin jaren dertig, wanneer de filosoof, zielsziek, zijn laatste woorden aan het papier toevertrouwt, in een schriftje zonder kaft, in zinnen zonder interpunctie. Natuurrampen en politieke verschrikkingen doen niet voor elkaar onder, en bij wijze van tegengif zijn de mensen bereid hun angsten te vermenigvuldigen om de echte gruwelen te verjagen. En onze tijd? Het 'onze’ komt voor rekening van Charitonov, die herhaaldelijk de eerste persoon meervoud opvoert: 'wij - dat zijn zowel Lizavin als ik, als u en ik, die soms in elkaar overlopen’, zegt de schrijver, nadat hij ons, medeauteurs, al eerder heeft opgeroepen samen met Lizavin in het nagelaten werk van Milasjevitsj te neuzen en te graven, in het befaamde kistje.
Het kistje vindt Lizavin vlak voor de afsluiting van zijn dissertatie, te midden van archiefafval, juist in een tijd dat hij genoeg krijgt van het gewroet in archieven en zich liever aan de fantasie overgeeft. Is het wel zo'n toeval dat hij het kistje vindt? 'Misschien dat het toeval een compensatie is voor het vermogen om temidden van het tumult van deze wereld de stem die tot jou is gericht te onderscheiden, ook al heb je dat zelf niet begrepen?’ Wij zijn de uitvoerders van ons lot - dat is ook een theorie, zij het een wat deterministische. Laat ik er op deze plaats maar meteen bij zeggen dat juist deze lijn mij aan de roman het minst bevalt, het soms wat etherische gemijmer over het doorgeven van gedachtengoed, over het doorleven in een ander die je leest, mits zo iemand er is natuurlijk.
Nee, veel interessanter is het onderzoek zelf, dat met de vondst van het kistje van Milasjevitsj de academische sfeer voorgoed verlaat. De inhoud ervan bestaat voornamelijk uit snoeppapiertjes, met op de achterkant zinnen in het handschrift van de provinciale denker, losse kreten, mededelingen, gedachten en zinsneden zonder aanwijsbaar verband. 'Wat was er met mij voordat ik dood was? Ik weet het niet. Dat is nu de dood.’ Of een andere spreuk, die de onderzoeker danig intrigeert: 'Wie luistert onze wensen af? Het is vreselijk om verkeerd te worden begrepen. Het is beter niets te willen.’
AANVANKELIJK denkt Lizavin dat de papiertjes, mits in de juiste volgorde gelegd, een 'bewegend portret’ van de schrijver te zien zullen geven. Vervolgens begint hij ze te rubriceren, wat alleen maar groteske resultaten oplevert. 'IJzervijlsel zonder magneet’, noemt hij het op een lucide moment: 'Het krachtveld van de tijd, de lijnen van het lot.’ Als hij er steeds minder van begrijpt, begint hij zelf te orakelen. Het is zelfs zo dat de belevenissen van Milasjevitsj, diens pijn (de scheiding van een vrouw) en geluk (haar terugkeer), hem sterker lijken te raken dan wat hem in zijn eigen leven overkomt; dat komt ook letterlijk over hem.
De wikkels van de ulevellen, die de filosoof wegens papierschaarste als schrijfpapier gebruikte, hadden met de reele wereld te maken, dat is de ene manier om de snoeppapiertjes te lezen. Maar tegelijk hadden ze te maken met de door Milasjevitsj verzonnen wereld, zo vermoedt Lizavin. Een derde mogelijkheid, dat de velletjes voor de schrijver zelf 'een soort vanzelf groeiend schemerboek’ zou zijn geweest, waarin allerlei personen een duistere rol speelden, krijgt de overhand; en misschien zijn ze wel z'n filosofie. In elk geval blijkt de profeet van het eenvoudige leven zelf helemaal niet zo'n eenvoudige van geest te zijn geweest, en zijn leven verre van simpel of rechtlijnig.
LIZAVIN weet soms meer dan hij zelf beseft. In een artikel over Milasjevitsj heeft hij een hypothese opgesteld, waarvan pas als iemand hem erop attent maakt de consequenties duidelijk worden, 'namelijk dat de manier waarop Milasjevitsj de beelden met elkaar verbindt meer kan zeggen over zijn ideeen dan zijn direct uitgesproken gedachten.’ De grap is dat Milasjevitsj die verbindingen zelf nauwelijks legt, zijn lezer daarentegen des te meer, die juist daardoor verstrikt raakt in de veelheid aan mogelijke verbindingen. Maar is dat wel de juiste aanpak? Kan hij niet beter de methode van zijn voorbeeld volgen, die als levenshouding aanbeveelt details te isoleren en het kleine (afval van het leven) uit te vergroten teneinde het in z'n juiste, aan de zogenaamde grote zaken gelijkwaardige proporties te zien. 'Wanneer je de afmetingen en de verbanden buiten beschouwing laat, blijkt alles even belangrijk: kernen zonder protoplasma, zonder bindweefsel.’ Dit is in een notedop de filosofie van Milasjevitsj: de wil om het heden te 'heroiseren’, zoals Baudelaire dat ooit als kenmerkend voor de moderne houding typeerde.
Uitvergroten en combineren, dat zijn ook de twee bewegingen die de verhaallijnen van de roman bepalen en dat is wat Lizavin met de spreuken doet; het resultaat ziet er aldus uit: 'Zo proberen ijsschotsen van een uiteengevallen ijsveld hun afgebroken randen weer in elkaar te passen en zich weer te verenigen…’
De hoofdpersonen in deze roman schitteren door afwezigheid, alles wat wij over hen weten is wat de lezer in het boek al combinerend, puzzelend en inlevend over hen te weten komt of verzint; hetzelfde geldt voor de context, het sociale leven ten tijde van de streekschrijver en ten tijde van de doctor in de letteren, dat we in karikaturale, satirische vorm te zien krijgen via de beschrijving van allerlei bijfiguren. De hoofdlijnen moeten worden ontward uit een streng van door elkaar en uiteenlopende levenslijnen. Niet voor niets heeft de schrijver het over 'wij’: de roman geeft aan de lezer het werk van de onderzoeker door, handenvol werk. Het voorafgaande is daarvan niet meer dan een voorproefje.