Het gelijk van de eurocritici

RUIM ZEVENTIG economen, onder wie twintig professoren, tekenden half februari 1997 in een verklaring verzet aan tegen ‘de vanzelfsprekendheid waarmee in Nederland de komst van de eurobiljetten wordt aangekondigd’. En zo raakte ons land toch nog bijna in debat over de euro. De kranten stonden er vol van en politiek Den Haag schrok. Stel je voor, een heuse discussie over de euro. Daar zaten regering noch grote partijen op te wachten.

En dus werd de kritiek door de woordvoerders van de belangrijkste kamerfracties afgedaan als achterhaald of te laat. Ook het diskrediteren van de brengers van de onwelgevallige boodschap deed het goed. Het waren er geen zeventig, en het waren ook niet allemaal echte economen, werd verschillende malen op veelzeggende toon onthuld. Daarnaast werd gebruik gemaakt van het autoriteitsargument. Omdat bekende monetaire economen en professoren internationale economische betrekkingen de verklaring niet hadden getekend, kon de kritiek van die groep economen niet veel voorstellen, schreef de Volkskrant. En voor zover wél inhoudelijk op de verklaring werd ingegaan, bleek die soms eenvoudig te weerleggen door er eerst een karikatuur van te maken. Twee interviewers van Buitenhof lieten minister Zalm ongehinderd van leer trekken tegen deze ‘gevaarlijke economen’ die zouden pleiten voor acht procent inflatie. Terwijl in hun verklaring slechts economisch onderzoek wordt aangehaald waaruit blijkt dat de door eurovoorstanders geponeerde positieve relatie tussen een zo laag mogelijke inflatie en hoge economische groei niet bestaat. Voor de meeste beleidsmakers en journalisten kwamen de zeventig economen twee jaar geleden op het verkeerde moment met de verkeerde tekst over het verkeerde onderwerp. SINDS ENKELE maanden is sprake van een revival van de eurocritische bezwaren. Bijna dagelijks worden vraagtekens bij de euro geplaatst, alleen komt de kritiek nu uit onverwachte hoek. Omdat de eurolanden met een gemeenschappelijke munt niets meer met hun rente en wisselkoers kunnen doen, zal de minst mobiele productiefactor arbeid de rekening betalen voor economische schokken, terwijl de fiscale, ecologische en sociale beleidsconcurrentie tussen de lidstaten sterk zal toenemen, schreven de zeventig eurosceptici in 1997. Dat verhaal maakte toen weinig indruk, of werd als onzinnige stemmingmakerij van de hand gewezen. Maar tegenwoordig is het bon ton. Het Financieele Dagblad startte in de aanloop naar de euro een uitgebreide serie over beleidsconcurrentie. In de NRC verscheen een groot artikel over de toenemende concurrentie op loonkosten in de Economische en Monetaire Unie (Emu) en de 'chronische onderbelichting van de sociale aspecten van het Europese project’. Oscar Garschagen, hoofdredacteur van Vrij Nederland, schreef dat het een publiek geheim is dat 'met de euro het thatcherisme via een achterdeur is toegelaten tot de Europese Unie’, want de EU is 'in essentie altijd een liberale onderneming geweest’ en 'met de euro wordt die lijn doorgetrokken’. En op 3 februari j.l., tijdens een uniek openbaar gesprek van de sociale partners met de Kamer, sprak Lodewijk de Waal, voorzitter van de altijd erg eurovriendelijke FNV, alsof hij onderweg naar Den Haag de verklaring van de eurocritici toch maar eens had doorgenomen: 'De euro laat geen ruimte voor stimuleringsbeleid, en het wisselkoersbeleid is als instrument ook vervallen. Het zal dus vooral moeten komen van arbeidsmarktmaatregelen. Met de huidige geringe arbeidsmobiliteit bestaat er een grote kans op beleidsconcurrentie met allerlei lastenverlichtingen. Ik vrees een negatieve spiraal van lagere loonkosten en een versobering van de verzorgingsstaat.’ Kees Vendrik, een van Zalms gevaarlijke economen, kan sinds de laatste verkiezingen als kamerlid voor GroenLinks met de minister zelf in discussie. 'Je ziet steeds weer dat de neoliberale agenda voor Europa vanzelf boven komt drijven omdat er in Euroland op sociaal, ecologisch en democratisch vlak bijna niets geregeld is’, constateert hij somber. 'Nu het op veel punten eigenlijk te laat is, krijgen we gelijk. Zelfs van Wellink hoor je opeens kritische geluiden over de positie van de Europese Centrale Bank.’ De president van De Nederlandsche Bank zei begin dit jaar op de radio dat de onafhankelijkheid van de ECB bij nader inzien wel érg groot is. Opmerkelijk, en uit zijn mond bovendien echt te laat. Want volgens het door de ministers van Financiën en centrale bankiers in elkaar getimmerde Verdrag van Maastricht kan aan die - op dit ondermaanse verder niet voorkomende ondemocratische - situatie slechts iets veranderd worden als alle vijftien EU-lidstaten daar unaniem toe besluiten. Weinig kans dus. BIJ DE PVDA begint men zich intussen zorgen te maken over het sociale beleid in Euroland. PvdA-kamerlid Ferd Crone zegt in het Vlugschrift van zijn partij te vrezen dat Zalm tijdens het overleg met zijn Europese collega’s in de Ecofin de liberale agenda volgt en zich niet sterk zal maken voor Europese afspraken over werkgelegenheid en sociale voorzieningen. Natuurlijk zal Zalm dat niet, maar dat is geen gebrek waar hij pas sinds kort van beschuldigd kan worden. Ook de ambitieus begonnen Duitse regering van SPD en Groenen heeft inmiddels ondervonden dat de liberalen hun Europa goed in elkaar hebben gezet. Binnen de kaders van het Verdrag van Maastricht en het Stabiliteitspact kan eigenlijk niks, en de ECB van Duisenberg dicteert de facto het economische beleid. Daarom is het met veel bombarie aangekondigde Duitse plan om tijdens de komende Europese top in Keulen de eerste stappen te zetten naar een gecoördineerd sociaal- en werkgelegenheidsbeleid al weer op de lange baan geschoven. Dat is triest, niet alleen voor de miljoenen werklozen in Euroland, maar ook omdat die gang van zaken typerend is voor de klunzige en naïeve manier waarop de sociaal-democratie in Europa opereert. Yves Salesse, lid van de Franse Staatsraad, schrijft in zijn boek Propositions pour une autre Europe: construire Babel dat een andere politiek mogelijk was geweest. De sociaal-democratie en vakbeweging hadden hun instemming met de voltooiing van de gemeenschappelijke markt afhankelijk moeten stellen van concrete vooruitgang op sociaal gebied. Pas nu het voor zo'n 'tactiek van parallelle en geconditioneerde vooruitgang’ te laat is en we de nieuwe munt bijna in onze portemonnee hebben, wordt de sociale agenda van Europa wellicht tot een serieus item verheven. De eurocritici keerden zich vooral tegen het 'pro-cyclische’ Stabiliteitspact. Volgens dit verdrag moeten lidstaten hun financieringstekort tot nul terugbrengen, en krijgen zij een boete als dat tekort boven drie procent van het nationaal inkomen komt. Dat is Keynes in diapositief zeg maar, want in tijden van crisis moet daardoor extra worden bezuinigd. Met als gevolg dat de recessie niet wordt afgezwakt maar verergert. Dat doemscenario van de eurosceptici lijkt uit te komen nu de economische groei in de EU afneemt. DNB-directeur Brouwer zei tijdens het eerder genoemde gesprek met de Kamer dat het er helaas naar uitziet dat de vier grootste lidstaten van de Unie hun economie niet kunnen stimuleren, juist nu het zo hard nodig is. Terwijl de groei inzakt en de werkloosheid verder dreigt op te lopen moeten zij namelijk alle bezuinigingszeilen bijzetten om hun tekorten onder de maximaal toegestane drie procent van het Stabiliteitspact te houden. Hoe wijdverbreid de kritiek inmiddels is blijkt uit 'Koppen in het Euro-zand’, het hoofdredactioneel commentaar in de Financial Times van 6 februari j.l. 'Het heeft weinig zin’, moppert de Londense spreekbuis van de beurs, 'het succes van je centrale bank af te meten aan de prijsstabiliteit als de grootste bedreiging voor de wereldeconomie de ziekte van de jaren dertig is: onvoldoende vraag.’ Met als opzienbarende conclusie: 'Misschien is de beste hoop voor een minder restrictief beleid in Europa gelegen in de ouderwetse keynesiaanse politici in de nieuwe links-van-het-midden-regeringen van Duitsland, Frankrijk en Italië.’ En nu maar afwachten hoe lang het eurofanatisme nog stand houdt op de toonaangevende economieredacties van de Nederlandse media.