Profiel: Cassandra

Het gelijk van de onheilsprofeet

Tijdens de coronapandemie buitelen doemvoorspellers over elkaar heen. Hoe onderscheiden we de Cassandra’s onder hen, die gelijk hebben, van de leugenaars die altijd wel een keer per ongeluk de waarheid spreken?

Frederick Sandys, Cassandra, ca. 1863-64. Olieverf op houtpaneel, 30,2 x 25,4 cm © Mary Evans Picture Library / HH

‘Met louter ellende/ jaagt woordrijke kunst van profeten/ hun toehoorders angst aan’, zingt het koor in de Agamemnon van Aeschylus. Zieneres Cassandra heeft zojuist een paar tamelijk cryptische voorspellingen gedaan, al is de teneur steeds wel duidelijk: wat er ook precies te gebeuren staat, het is niet best.

‘Wat heeft uw profetische pad/ zo sinister gebaand?’ vragen de oude mannen die het koor vormen zich af. Waarom ziet deze vrouw de toekomst zo somber in? Haar leven was nog wel zo goed begonnen. De prinses Cassandra was de mooiste van de achttien dochters van Priamus, koning van Troje. Volgens Homerus kon ze zich qua schoonheid meten met liefdesgodin Afrodite. Het was dan ook een kwestie van tijd tot een olympische god zijn oog op haar zou laten vallen.

Het werd Apollo, god van onder meer de waarzeggerskunst. Hij beloofde Cassandra de gave om de toekomst te zien, in ruil voor haar liefde en lichaam. Ze nam het cadeau aan, maar wees Apollo daarna alsnog af. De gekrenkte god kon zijn eenmaal gegeven geschenk niet meer terugnemen, dus smeekte hij haar of hij dan tenminste één zoen mocht. Tijdens die ene kus spuugde Apollo in Cassandra’s mond (je zou er momenteel minimaal acht weken de cel voor ingaan) en zo bezegelde hij haar noodlot: ze mocht voortaan dan wel de toekomst kunnen zien, maar niemand zou haar voorspellingen ooit nog geloven.

Waarom is de figuur van Cassandra in onze cultuur zoveel onbekender dan de jongen die ‘wolf’ riep? vraagt Rebecca Solnit zich af in het essay Cassandra Among the Creeps. Solnit verkent de vraag waarom vrouwen zelden geloofd worden als ze seksueel misbruik melden, en voert die terug op Cassandra’s vloek van ongeloofwaardigheid: ‘Het oude raamwerk van vrouwelijke leugenachtigheid en duisterheid komt nog steeds vaak opdraven.’ Ook tijdens de pandemie is Cassandra weer een relevant archetype, niet zozeer als vrouw, maar als terzijde geschoven onheilsprofeet. Want onder reconstructies van het begin van de pandemie sluimert steeds één vraag: waarom hebben we niet eerder geluisterd naar alarmerende voorspellingen?

Misschien had u ook wel een collega die u sinds eind januari bij de koffieautomaat dagelijks minimaal één keer aanklampte met een paniekerige monoloog. Een buurvrouw wier pakket mondkapjes uit een onbestemde Aziatische fabriek half februari al in het trappenhuis arriveerde. Een oom die na Kerst met pensioen ging en nu zeeën van tijd wijdde aan het doorsturen van linkjes naar medische tijdschriften. Bij het lezen van de derde mail klikte u ze ondanks het knagende schuldgevoel niet meer aan, de vierde mail gooide u ongeopend weg. Als u zo’n figuur kent, zult u sinds half maart vast vaak aan hem of haar teruggedacht hebben, en met een vlaag van schaamte aan uw eigen onverschillige reactie.

De Trojanen zitten al negen jaar opgesloten in hun stad, onder beleg van de Grieken, als op een ochtend de Griekse schepen plotseling verdwenen zijn. De legertenten op het strand hebben de Grieken zelf platgebrand. Aan de kust van Troje is alleen een groot houten paard achtergebleven. De Trojanen interpreteren het – vrij opmerkelijk, na negen jaar oorlog – als een afscheidscadeau, totdat de priester Laocoön naar voren stapt en zijn stadsgenoten waarschuwt: ‘Ik vrees de Grieken, ook als ze geschenken brengen.’ Voordat Laocoön zijn medeburgers kan overtuigen, komen er twee slangen uit de zee glijden die hem en zijn jonge zoons het water intrekken en wurgen. Een goddelijke interventie, dat lijdt geen twijfel, maar de Trojanen interpreteren het teken helemaal verkeerd; ze vatten het op als bewijs dat de priester loog. In de mythologische werkelijkheid zit Pallas Athene, de beschermgodin van de Grieken, er juist achter. Ze snoert Laocoön de mond voordat hij de Griekse list, bedacht door haar lieveling Odysseus, kan verpesten.

Want na de dood van de priester besluiten de Trojanen het paard op wielen alsnog naar hun stad te trekken. De poorten zijn al geopend als daar prinses Cassandra opduikt. Ze waarschuwt hen nogmaals, maar niemand gelooft haar en het gevaarte rolt de stadsmuren binnen. ’s Nachts springen Griekse krijgers uit de buik van het houten paard tevoorschijn. De Trojaanse mannen worden vermoord, de vrouwen tot slaaf gemaakt, de stad brandt af. ‘Het land onderging wat het blijkbaar moest lijden’, stelt Cassandra in de Agamemnon vast. Dat stuk speelt zich kort na de Trojaanse oorlog af, bij het paleis van de Griekse legeraanvoerder Agamemnon, door wie Cassandra mee naar huis gevoerd is.

‘Het idee tot iets bijzonders in staat te zijn en bijzonder veel voor andere mensen over te hebben, vindt men in de messiaswaan en de profetenwaan. Sommige profeten zijn sterk in het aanzeggen van onheil, het Cassandra-complex.’ Cassandra heeft het geschopt tot de handboeken van de psychiatrie. Anders dan landgenoten Oedipus en Electra heeft zij die plaats niet te danken aan Sigmund Freud zelf; in de jaren vijftig stelden zijn vakgenoten haar plek in de canon van geestelijke aandoeningen alsnog veilig.

Het probleem van Cassandra is niet dat zij vals onheil voorspelt, maar dat zoveel anderen dat aan de lopende band doen

Cassandra werd zo synoniem voor de hysterische vrouw. Aan die medicalisering zit iets paradoxaals, want wat de moderne psychiaters ook mogen zeggen, ze had het in de mythes wel steeds bij het juiste eind. Frits Bolkestein gaf zijn memoires dan ook de titel Cassandra tegen wil en dank, want voor wie stellig overtuigd is van het eigen vooruitziende gelijk is Cassandra’s naam geen ziektebeeld, maar een eretitel. Zeker, ze is een tragische figuur. Toch is de tragiek van haar rol oorspronkelijk niet die van de valse profeet, maar van het onbegrepen genie. Niet zij, maar alle anderen waren het probleem.

Tegenwoordig belandt Cassandra, voor zover ze in de publieke opinie voortleeft, wel vaak op de stapel van valse profeten. ‘Er zijn altijd wel voors en tegens, en Cassandra’s die hel en verdoemenis voorspellen’, zei Wim Kok bijvoorbeeld rond 2012 op de vraag of de eurocrisis in de jaren negentig niet al te voorzien geweest was. Kok heeft gelijk: onterechte doem voorspellen is minder riskant dan onterecht optimisme prediken. Een doemvoorspelling klinkt al snel gewichtig, voorspellen dat alles wel los zal lopen juist naïef. En als het toch misgaat, staat de optimistische voorspeller flink voor gek. Als iets tegen de doemvoorspelling in juist enorm blijkt mee te vallen, is iedereen vooral opgelucht en is die hele voorspelling alweer vergeten.

Elke tijd kent ondergangsprofeten, maar er is geen tijd waarin hun boodschappen zich sneller en over een groter gebied konden verspreiden dan de onze. Onze mediacultuur heeft – mede door de tucht van de clicks – een voorliefde voor grote woorden en extreme, controversiële meningen: een cultuur waarin het voorspellen van de ondergang van onze beschaving of ‘de wereld zoals we haar kennen’ goed gedijt. We zijn murw gebeukt door onheilsverhalen, zodat onze eerste reflex bij een loeiend alarm is om onze schouders op te halen: hoe erg kan het nou echt zijn? Het probleem van Cassandra is niet dat zij vals onheil voorspelt, maar dat zoveel anderen dat aan de lopende band doen. Daardoor is een andere oud-Griekse figuur, naamloos en afkomstig uit een simpel fabelboek, de epische prinses in bekendheid voorbijgestreefd: de herdersjongen die ‘wolf’ riep.

De Cassandra’s van vandaag luisteren naar namen als Nate Silver en Nassim Nicholas Taleb. Ze zijn de rockster-statistici van de 21ste eeuw, elkaar in de haren vliegend op sociale media met tabellen, grafieken en ronkende stellingen. Silver voorspelde de Amerikaanse verkiezingsuitslagen van 2008 en 2012 vrijwel perfect en dichtte Trump in 2016 een hogere kans toe dan alle andere voorspellers. De polemische Taleb – hij noemt Silver consequent ‘Bullshit Nate’ en stelt zich tegenover andere collega’s doorgaans niet sympathieker op – is een voormalig Wall Street-handelaar die in 2007 de bestseller Black Swan publiceerde. Daarin wees hij op de buitenproportionele invloed van zogenaamde ‘zwarte zwanen’ op de ontwikkeling van onze economie en wereld. Taleb pleit er daarom voor om het zogenaamde tail risk beter af te dekken. Eenvoudig gezegd houdt het staartrisico in dat er een weliswaar heel kleine kans is dat iets uit de hand loopt, maar dat de verwezenlijking van die kleine kans evident zo rampzalig uit zou pakken dat het tóch de moeite waard was om voorzorgsmaatregelen te nemen.

De pandemie is volgens Taleb overigens geen zwarte maar juist een witte zwaan, waarover hij eind januari al alarm sloeg: ‘It will cost something to reduce mobility in the short term, but to fail to do so will eventually cost everything.’ _Achteraf zijn het profetische woorden gebleken, maar de zin is nog niet afgelopen, en juist het tweede deel laat het probleem van zulke voorspellingen zien: _‘if not from this event, then one in the future.’ Ja, zo kan ik het ook. De wereld minder kwetsbaar maken voor onverwachte rampen, daar zal in theorie niemand op tegen zijn. Maar hoe weet je op voorhand of de kosten – niet alleen in geld, maar ook in andere, medische, sociale, psychische nevenschade – de baten waard zijn?

Behalve aan de Cassandra’s in mijn leven heb ik de afgelopen weken ook vaak aan Ab Klink gedacht. Als iemand zijn eigen gelijk bevestigd mag zien in de onderschatting van het virus, is hij het: als minister werd hij weggehoond toen hij in 2009 voor tientallen miljoenen aan vaccins inkocht voor de Mexicaanse griep, die achteraf een milde ziekte bleek. Voortschrijdend inzicht komt nu eenmaal per definitie te laat.

In eigen land was het Thierry Baudet die eind januari al een debat aanvroeg over het virus. Ook hij werd weggehoond. Met de kennis van nu jammer, maar destijds niet geheel onbegrijpelijk: als elk ondergangsscenario van Baudet – en voor een paar van zijn collega’s geldt hetzelfde – serieus genomen zou worden, zouden we ons permanent in de opperste alarmfase bevinden. Volgens hen staat onze beschaving immers al sinds 1968 op het punt van instorten, dreigt Europa al een jaar of dertig binnen afzienbare tijd getransformeerd te worden tot Eurabië en drijft de decadente EU-elite ons binnenkort toch echt de afgrond in. Ondergangstaal is vaste gast in de politieke arena.

Dat paniekzaaiende populisten nu gelijk kregen, is dan ook vooral te begrijpen als de stilstaande klok die tweemaal per dag de juiste tijd aangeeft. Het is moeilijker te begrijpen waarom we de signalen van niet-gepolitiseerde Cassandra’s ook niet hebben willen horen: journalisten en burgers die de situatie in China van dichtbij kenden en dezelfde ramp zich daarna voor een tweede keer zagen voltrekken in het Westen. ‘Zou het komen doordat Wuhan zo ver van de kaart ligt in de westerse verbeelding?’ vraagt de Chinees-Amerikaanse academica Jiwei Xiao zich in The New York Review of Books af. Xiao groeide op in Wuhan en beschrijft in het essay haar déjà-vu toen ze eind maart voor de tweede keer deelnam aan een inzameling van geld en mondkapjes, ditmaal voor Amerikaanse medische organisaties.

Dat paniekzaaiende populisten nu gelijk kregen, is te begrijpen als de stilstaande klok die tweemaal per dag de juiste tijd aangeeft

De Griekse fabelschrijver Aesopus vertelde als het eerste het verhaal van de verveelde herdersjongen, die op een dag ‘Wolf, wolf!’ schreeuwt. De dorpelingen haasten zich de heuvel op en treffen de jongen lachend aan. Hij slaat een tweede keer vals alarm. De derde keer dat hij ‘wolf’ roept en er ook echt een wolf is, schiet niemand hem meer te hulp. Aesopus is niet te beroerd om de moraal aan het eind nog eens uit te spellen: ‘Leugenaars worden niet geloofd, zelfs niet als ze de waarheid spreken.’ Het verschil tussen een Cassandra en een jongen die ‘wolf’ roept is het aantal leugens – of minder bewust, onwaarheden – dat aan de correcte voorspelling is voorafgegaan.

‘Vergis ik mij nu? Heb ik als een scherpschutter/ iets in het vizier? Of ben ik een valse profeet/ die met zijn geklets langs de deur gaat?’ vraagt Cassandra zich in de Agamemnon af, als ze spontaan de geschiedenis van het paleis waar ze net is aangekomen, duizenden kilometers van huis, oplepelt. Ze blijkt uiteraard gelijk te hebben, net als wanneer ze even later de dood van Agamemnon en haarzelf aankondigt. Beiden worden vermoord door Agamemnons vrouw Clytaemnestra, die tijdens zijn jarenlange verblijf in Troje een nieuwe minnaar heeft gevonden. Bovendien wil ze nog wraak nemen op Agamemnon, die hun dochter aan het begin van de oorlog aan de godin Artemis offerde, in ruil voor gunstige wind om naar Troje te zeilen.

‘Als u werkelijk uw eigen noodlot kent, waarom loopt u dan, als een dier/ dat door god wordt geleid, zo moedig naar het altaar?’ vraagt het koor Cassandra ongelovig. ‘Er is geen ontkomen, meneer, het is tijd’, luidt het fatalistische antwoord. ‘De dag is gekomen, met vluchten win ik weinig.’ Toch blijft ze nog even dralen, buiten voor het paleis. Als ze dan toch aanstalten maakt om naar binnen te gaan, deinst ze op de drempel weer terug: het huis ruikt naar moord en bloed.

‘Bedoelt u niet het Syrisch reukwerk in de woning?’ suggereert het koor nog luchtig. Cassandra negeert hen: ‘Laat ik maar gaan. Genoeg geleefd.’ Het enige dat ze de oude mannen nog vraagt, is om van haar dood te getuigen. Dan gaat ze het paleis in, waar de moordpartij zich buiten het gezichtsveld van de toeschouwers voltrekt, alleen een paar doodskreten van Agamemnon zijn nog te horen.

Haar einde verklaart misschien ook waarom Cassandra’s voorspellingen nooit populair geworden zijn: ze kloppen, maar er valt lang niet altijd nog iets aan te veranderen. Die mogelijkheid is er alleen in situaties waar het eigen handelen direct de tragiek veroorzaakt. Een houten paard níet de stad in trekken zou bijvoorbeeld moeten lukken. Maar zelfs in situaties waar toch enige ruimte lijkt te bestaan voor menselijk handelen – waarom zou een zieneres een moordaanslag zonder tegenstribbelen tegemoet lopen? – accepteert Cassandra al snel, voor ons onbegrijpelijk snel, dat ze de toekomst kent maar er geen invloed op heeft. Noodlot was de oude Grieken vertrouwder dan maakbaarheid, en de kunst was niet om het lot te bestrijden of ontlopen, maar om het goed te verdragen.

Tijdens deze pandemie zijn het niet de Grieken – die het virus tot nu toe vrij succesvol hebben ingedamd – maar de Zweden die deze fatalistische houding als enige expliciet aannemen. De belangrijkste Zweedse overheidsadviseur Johan Giesecke betoogde in medisch tijdschrift The Lancet: ‘Our most important task is not to stop spread, which is all but futile, but to concentrate on giving the unfortunate victims optimal care.’ Tot zover krijgt hij geen gelijk, want van de Scandinavische landen lijkt Zweden op dit moment verreweg het slechtst af, maar de pandemie duurt nog lang en niemand kent de toekomst.

Virustesten moeten uitgebreid gevalideerd worden voordat dokters er iets aan hebben. Aan een test die de helft van de coronapatiënten er niet uitpikt heb je namelijk weinig: daarbij schort het aan sensitiviteit. Maar een test die in de helft van de gevallen dat hij ‘corona’ roept later ongelijk blijkt te hebben is juist weer onbruikbaar vanwege gebrekkige specificiteit, zoals een auto-alarm dat afgaat wanneer de kat van de buren langsloopt.

Om de waarschuwingen van onheilsprofeten op waarde te kunnen schatten, zouden zij eigenlijk dezelfde procedure moeten ondergaan. Cassandra: specificiteit honderd procent, sensitiviteit honderd procent. Maar voor niet-mythologische voorspellers ligt het ingewikkelder, al was het maar omdat de onheilsprofeet altijd kan vluchten in de preventieparadox: ‘Alleen omdat ik gewaarschuwd heb, is het onheil niet uitgekomen.’ Ook kan de Cassandra bogen op het leed dat er onomstotelijk wél is – vind je al deze doden soms niet erg genoeg? – terwijl het voorkomen leed altijd abstract blijft.

Zwartkijken is, sinds we de boot aan het begin van de uitbraak bijna wereldwijd hebben gemist, de veilige keuze; er kleeft weinig afbreukrisico aan. Want wie herinnert zich de zwartgallige voorspellingen van half maart nog? Er zouden tienduizenden, honderdduizenden doden in Nederland vallen, vanwege die veel te lichte lockdown van ons. Met Pasen waren de parken druk, een recept voor een rampzalige tweede golf, orakelden de Cassandra’s op sociale media. Vooralsnog is de opleving uitgebleven. De golf foto’s van te drukke parken en stranden rolt intussen gestaag door, inclusief onheilspellende bijschriften – je zou er in de nabije toekomst zomaar een keer gelijk mee kunnen krijgen.

Hoe pikken we Cassandra eruit tussen talloze jongens die om het hardst ‘wolf’ schreeuwen? We zijn voortaan vast alerter op waarschuwingen voor infectieziekten, maar generaals bereiden zich altijd voor op de vorige oorlog, dus ook in de toekomst gaan we met de kennis van achteraf vermijdbare rampen meemaken. De pandemie is in het beste geval aanleiding om onze wereld razendsnel robuuster te maken voor de volgende schok, in het slechtste geval een cursus omgaan met het noodlot voor beginners. ‘Eenmaal wil ik nog spreken, mijn eigen doodsklacht zingen’, zegt Cassandra vlak voor haar dood. ‘O het leven van een mens! Als het gelukkig is/ stoot een schaduw het omver. En is het ongelukkig/ een natte spons wist met één veeg de tekening uit/ En dat is nog veel triester dan het eerste.’


De citaten uit Aeschylus’ Agamemnon komen uit de vertaling van Gerard Koolschijn