Thomas Hobbes: De actualiteit van zijn filosofie

Het gelijk van een angsthaas

De denkbeelden van Thomas Hobbes over de vrijheid van de mens en de macht van de staat hebben niets aan relevantie ingeboet. ‘Hobbes heeft de krijtlijnen uitgezet waarbinnen een markteconomie dient te functioneren.’

‘Hobbes blijft je bezighouden’, zegt Steven Pinker: ‘Ik keer steeds naar zijn teksten terug. Je kunt eenvoudig niet om ze heen als je je met hedendaagse maatschappelijke vraagstukken bezighoudt.’ Eigenlijk had de Harvard-psycholoog zich afgezonderd voor een lange sabbatical, maar voor Thomas Hobbes verbreekt hij de radiostilte. Steven Pinker: ‘De onschatbare verdienste van Hobbes is dat hij ons begrip van geweld op z'n kop heeft gezet. Dankzij hem zijn we gaan inzien dat geweld in persoonlijk of evolutionair opzicht nuttig kan zijn. Dat ook weldenkende, rationeel handelende mensen soms voor geweld kiezen, niet omdat ze een slechte inborst hebben maar omdat ze bang zijn dat een ander het wellicht eerder dan zij zal doen. Dat is van belang in het persoonlijke vlak, maar ook op sociaal en politiek terrein. Als we het geweld in de wereld willen inperken moeten we ons niet afvragen hoe we de oorzaken kunnen wegnemen, maar hoe we het kunnen beheersen.’

Medium hobbes

De noviteit waarmee de Britse denker in 1640 op de proppen kwam, houdt de tongen en pennen van wetenschappers, politici en commentatoren onverminderd in beweging. In de Angelsaksische wereld verschijnen jaarlijks tientallen academische studies over zijn antropologie en staatsleer, zijn taaltheorie, zijn godsdienstkritiek. Maar ook elders wordt hij als actueel denker beschouwd. In Duitsland staat Hobbes op het programma sinds het begin van de vorige eeuw, toen socioloog Ferdinand Tönnies zijn werk vertaalde en onder de nationale aandacht bracht. In Nederlandstalig gebied houden filosofen als Hans Achterhuis, Maurice Adams, Stefaan Cuypers en Luc van Liedekerke zich intensief met hem bezig. De laatste vertaling van zijn magnum opus Leviathan (1651) is nog maar van 2002; toch verschijnt in oktober bij uitgeverij Boom alweer een nieuwe.

De vragen die Hobbes trachtte te beantwoorden zijn nog volkomen actueel. Wat houdt een samenleving bij elkaar? Welke rol is daarin weggelegd voor de staat, welke voor de moraal? Ook de soberheid van zijn antwoorden is een aanbeveling, al onderschrijven we ze niet noodzakelijk. ‘We leven in een tijd waarin onze meest geliefde aannames onder vuur liggen, zelfs die van de liberale democratie’, zegt filosoof Stephen Darwall: ‘Hobbes laat zien dat een menswaardige samenleving al kan rusten op een heel bescheiden grondslag, zonder dat er verregaande aannames over de menselijke goedheid of gedeelde waarden en normen voor nodig zijn. Zolang we het fundament maar niet aantasten blijft het maatschappelijk gebouw sterk - doorgaans sterker dan we denken.’

In navolging van Hobbes beschouwt Darwall veiligheid als het voornaamste fundament onder een ‘goede maatschappij’ waarin ieder mens tot zijn recht komt. Zonder vrijwaring van angst, zonder de mentale en fysieke bewegingsvrijheid van een relatief vreedzaam, zorgeloos leven is geen geluk, zelfontplooiing, kunst, handel of vergroting van de menselijke kennis mogelijk. Stephen Darwall: ‘Dat is de autobiografische rode draad in zijn werk. Men zegt wel dat Hobbes verwekt werd terwijl de Spaanse Armada in aantocht was. Hij moest vluchten naar Frankrijk en vervolgens weer terug vluchten naar Engeland, steeds op de hielen gezeten door politieke tegenstanders. Intussen verkeerde de Britse samenleving voortdurend in chaos. Vrees voor de dood, voor opsluiting, burgeroorlog, politiek geweld en Inquisitie beheersten zijn bestaan. Hobbes zou eens opmerken dat hij en de angst “als tweelingen waren, tegelijkertijd geboren”. Hij was een angsthaas, maar dat zijn de meesten van ons gedurende de meeste tijd van ons leven ook. Des te duidelijker spreekt zijn denken tot ons in een tijd die bol staat van visioenen van milieucatastrofes, nucleair terrorisme, pandemieën en andere dreigingen die misschien niet qua schaal, maar wel qua individuele impact zijn te vergelijken met de angsten waaronder hij leed.’

Hobbes geniet ook het onder filosofen zeldzame voorrecht te zijn ‘herontdekt’ door moderne wetenschappen als de sociale psychologie, de speltheorie, de evolutionaire psychologie en de gedragsgenetica. Anders dan veel christelijke en humanistische filosofen is de nuchtere Brit een veelgeciteerde bron in kringen van de zogenaamde Third Culture, waartoe behalve Pinker ook prominenten als bioloog Richard Dawkins, filosoof Daniel Dennett en wijlen Stephen Jay Gould, de grote Amerikaanse paleontoloog, gerekend worden. De Third Culture probeert de traditionele kloof tussen exacte wetenschap en menswetenschap te overbruggen vanuit de groeiende inzichten die de eerste biedt op het onderzoeksgebied van de tweede. Pinker zelf schetste de stand van zaken in 2002 in een vuistdikke studie, The Blank Slate. Hij liet zien dat we vanuit de genetica, biologie en fysiologie langzamerhand óók het een en ander kunnen zeggen over de menselijke aard, compleet met proefondervindelijke bewijzen. De materie is enorm complex en het is veel te vroeg voor grote conclusies, maar Pinker meent dat de voorlopige bevindingen het mensbeeld van Hobbes in grote lijnen bevestigen.

In Frankrijk is men vanouds geïnteresseerd in de atheïst Hobbes en zijn knetterende ruzie met die andere coryfee van het vroeg-moderne denken, René Descartes, die hij tijdens zijn Parijse ballingschap leerde kennen. Hobbes geloofde niet in een god en ook niet in een immateriële ziel. Hij stelde als een van de eerste westerse filosofen dat ons denken en voelen geheel in mechanische termen kunnen worden verklaard. Ook dat is een belangrijke reden waarom zijn mensbeeld nauw aansluit bij onze tijd: zijn benadering van maatschappelijke vraagstukken was zuiver seculier en rationeel. Als reactie op zijn gesprekken met Hobbes formuleerde Descartes zijn contraire denkbeeld dat de menselijke geest ondeelbaar en derhalve niet materieel van aard is. Hun polemiek werd allengs vuiler en eindigde ermee dat de heren het contact verbraken. Arme Hobbes, zelfs onder filosofen was hem geen vreedzaam vergelijk gegund. Het is jammer voor de nagedachtenis van de grote Fransman, maar in het licht van de hedendaagse fysiologie had Hobbes toch echt de beste papieren.

In Israël werd het atheïsme van Hobbes tot voor kort zo explosief geacht dat er geen volledige vertaling van de Leviathan beschikbaar was. Jazeker, Thomas Hobbes werd anno 2000 stiekem gecensureerd; actueler kan een zeventiende-eeuwse denker niet zijn. De eerste twee delen van het boek waren weliswaar in 1962 in het Hebreeuws verschenen, maar ‘daaruit was alles weggelaten wat Hobbes over de bijbel te zeggen had’, aldus Yoram Hazony, deken van het Shalem Onderzoekscentrum in Jeruzalem dat vorig jaar de eerste integrale vertaling van het boek bezorgde. Passages over het ‘Koninkrijk Gods’, het ‘Koninkrijk der Duisternis’ en het ‘Christelijke Gemenebest’ waren er uitgeknipt. Volgens Hazony is dat ook gebeurd met soortgelijke passages in het werk van John Locke, Alexis de Tocqueville en John Stuart Mill.

Ook in actuele discussies over mensen- en burgerrechten wordt veel gerefereerd aan Hobbes, in het bijzonder aan zijn ‘negatieve’ definitie van vrijheid als ‘de afwezigheid van externe belemmeringen’. Het is een definitie die ons nu vertrouwd is, maar die in zijn tijd revolutionair was. Hij was een van de grondleggers van de school van het Natuurrecht, die stelt dat een mens een aantal onvervreemdbare rechten heeft. Het recht op vrijheid is er één van, de andere twee zijn het recht op leven en het recht op eigendom. Die rechten hebben bij Hobbes geen ethische grondslag. Je hebt ze ‘van nature’ om de eenvoudige reden dat ze noodzakelijke voorwaarden vormen om mens te zijn. Geen overheid, kerk of heersende moraal kan ze van ons afnemen. Geen mens heeft ook een grondwet of wetboek nodig om zich op die rechten te beroepen. In de Verenigde Staten, voortgekomen uit een bloedige oorlog tegen de Britse koning, leeft dit besef van onvervreemdbare rechten veel meer dan in Europa, waar burgerrechten nog vaak worden beschouwd als een gunst van hogerhand, ook al wordt die gunst tegenwoordig afgedwongen langs democratische weg.

Van alle vragen die Hobbes opwierp en die van essentieel belang zijn voor de moderne maatschappij blijft de belangrijkste die naar de mens, de vraag naar de aard van het beestje. Het vertrekpunt van Hobbes’ antropologie is meteen zijn belangrijkste vondst, zogezegd zijn toegangsbewijs tot het pantheon van grote denkers. Dat vertrekpunt is ‘de mens in zijn natuurlijke toestand van vrijheid’, zoals Hobbes hem omschreef in zijn eerste verhandeling, The Elements of Law, Natural and Politic (1640). Met een ‘natuurmens’ bedoelde Hobbes een mens die (nog) niet is beïnvloed door de macht van een vorst of staat, door een heersende moraal, godsdienst of andere maatschappelijke conventie en die bij het uitstippelen van zijn levensweg dus helemaal op zichzelf is aangewezen. Hobbes meende dat die natuurmens jaloers, wantrouwig en trots is en daarom geneigd om bij dreigende conflicten als eerste van zich af te slaan.

Als bewijs voor die stelling vraagt Hobbes ons te kijken naar ons eigen gedrag in situaties die het meest aan de natuurlijke toestand doen denken. Dat zijn situaties waarin gezag niet tastbaar aanwezig is en waarin geen morele overeenstemming tussen de betrokkenen bestaat. In een van vele ogenschijnlijk banale, maar effectieve passages uit Leviathan wijst Hobbes erop dat wij allemaal - dus ook degenen die in de natuurlijke goedheid van de mens zeggen te geloven - bij het verlaten van ons huis ramen en deuren sluiten: ‘Iemand die dit niet goed heeft overwogen, zal zich erover verbazen dat de natuur de mensen van elkaar vervreemdt en hen bereid maakt elkaar aan te vallen. Omdat hij deze gevolgtrekking uit de hartstochten onbetrouwbaar acht, zal hij wellicht wensen dat ze door ondervinding wordt bevestigd. Laat hij dan bedenken dat hij zich bewapent als hij op reis gaat en betrouwbaar gezelschap kiest, dat hij zijn deuren vergrendelt als hij gaat slapen en dat hij zijn kasten op slot doet, zelfs als hij thuis is.’
Het zijn niet onze lusten en verlangens op zichzelf die conflicten doen ontstaan, aldus Hobbes: ‘Begeerten en andere menselijke hartstochten zijn niet zondig. En de handelingen die uit deze hartstochten voortkomen zijn het evenmin, tot de daders een wet kennen die ze verbiedt.’ Het conflict komt voort uit de botsing van onze verlangens met die van anderen waarbij morele verschillen van inzicht ertoe leiden dat de ene mens zichzelf toestaat wat de andere ongeoorloofd acht. Zo ontstaan conflicten die zich uitbreiden door het hele maatschappelijk lichaam. Het resultaat is een toestand van voortdurende vijandschap onder de mensen waardoor het leven op aarde ‘eenzaam, armoedig, weerzinwekkend, beestachtig en kort’ wordt, zoals een andere beroemde formulering in Leviathan luidt.

Die toestand heerste in delen van de westerse wereld tot ver in de moderne tijd. In ons eigen land was de bloedwraak in de late Middeleeuwen nog algemeen geaccepteerd als oplossing van conflicten aangezien een centraal, ordescheppend gezag er ontbrak. Er zijn zelfs uithoeken van de wereld waar de natuurtoestand nog volop heerst. Bijvoorbeeld in delen van Albanië die nooit een effectief staatsgezag hebben gekend. Daar zijn dorpen waar de mannen sinds mensenheugenis niet buiten hun huizen komen omdat het onvermijdelijk zou eindigen in een massale schietpartij, zozeer is de streek in de ban van eerwraak en familievetes waarvan de oorsprong soms honderd jaar terug gaat. En er zijn gebieden waar hij opnieuw heerst. In zijn diepgravende boeken over de Joegoslavische crisis kwam verslaggever en schrijver Michael Ignatieff hier vaak en indringend op terug: ‘Thomas Hobbes zou Joegoslavië hebben begrepen. Hobbes had zelf een godsdienstige burgeroorlog meegemaakt. Hij zou hebben gezegd dat mensen tot alles in staat zijn als ze maar bang genoeg zijn. Er is één soort angst die een vernietigender werking heeft dan alle andere: de alles doordringende angst die ontstaat als een staat uiteen begint te vallen. Etnische haat is het gevolg van de angst die groeit waar het legitieme gezag wegvalt.’

‘In die natuurtoestand is de man met een Zastava-machinepistool en een Cherokee Chief koning, want hij kan twee artikelen verschaffen waarnaar iedereen hunkert: veiligheid en vrede’, aldus Ignatieff. Om dezelfde reden waren de Taliban in Afghanistan aanvankelijk zo succesvol. Het gemak waarmee zij in 1996 ‘vanuit het niets’ de felomstreden hoofdstad Kaboel innamen, veroorzaakte een schok in westerse hoofdsteden. Hun eenvoudige, werkzame formule was dat ze orde brachten na de eindeloze afwisseling van krijgsheren en buitenlandse bemoeials die het land in chaos hadden gestort. Het nieuwe bewind was draconisch, maar voor wie zich onderwierp verschafte het bescherming op de wegen, veiligheid in de steden en dorpen en rust in de harten. Het is misschien een onaangename gedachte dat mensen een dergelijke onderdrukking verkiezen boven een leven in volle vrijheid, maar het is een feit waarmee we rekening moeten houden.

Ook die dynamiek zou Hobbes begrepen hebben. Volgens hem komt er namelijk pas een einde aan de permanente burgeroorlog wanneer mensen een oppergezag boven zich stellen. Om zichzelf, hun dierbaren en het werk van hun hoofd en handen te beschermen hebben ze een gezagsdrager nodig. Zo'n autoriteit moet beschikken over het geweldsmonopolie om zowel naar binnen als naar buiten de rust en veiligheid te kunnen waarborgen. En hij moet een dwingende moraal opleggen zodat ieder weet aan welke regels hij zich te houden heeft. Die gevreesde en gerespecteerde gezagsdrager doopte hij ‘Leviathan’, genoemd naar een Fenicisch zeemonster dat volgens de bijbel ooit door Yaweh werd verslagen. Op het frontispice van Hobbes’ gelijknamige boek stond de Leviathan afgebeeld als een reus samengesteld uit ontelbare mensen, van soldaten en magistraten tot kooplieden en ambachtslui, die allen op hun manier en vanuit hun eigen maatschappelijke positie zijn gezag ondersteunen en het namens hem verder uitdragen.

De ‘natuurmens’ van Hobbes is door latere generaties filosofen en politieke denkers beschouwd als een fictie, een nuttig maar niettemin theoretisch hulpmiddel. Maar dat is hij geenszins, zegt de Israëlische militair historicus Azar Gat, auteur van het in 2006 bij Oxford University Press verschenen monumentale overzichtswerk War in Human Civilization. In het boek inventariseert en beschrijft Gat wat we zoal uit historische bronnen kunnen leren over vroege menselijke samenlevingen zonder staat, vorst of priesterlijke gezagsdrager, te beginnen bij de jagers en verzamelaars. Gat: ‘Uit berichten over hen, vanaf de tijd van de vroegste beschavingen in China, India en rond de Middellandse Zee, blijkt dat hun leven inderdaad bruut, kort en zeer gewelddadig was. Zo gewelddadig dat een kwart van de mannen een gewelddadige dood stierf. Men vocht in kleine groepjes, meestal in familieverband, om natuurlijke bronnen, voedselvoorraden en vrouwen.’

‘En ook de keerzijde van de medaille, zoals geschetst door Hobbes, is wel degelijk historisch’, vervolgt Gat: ‘Processen van staatsvorming, de vrijwillige of gedwongen acceptatie van koninklijk gezag en de eventuele invoering van een bijbehorende staatsgodsdienst brachten de mortaliteit overal drastisch omlaag. De interne vrede werd dan weliswaar ook gegarandeerd door middel van geweld, maar meer door de dreiging dan door de toepassing ervan. Doordat mensen in grotere verbanden gingen leven, werd de kans op conflicten met buurvolken ook een stuk kleiner; de diplomatieke relaties waren zogezegd beter geregeld. Natuurlijk waren er ook daarna oorlogen. Die waren weliswaar spectaculair, maar minder moorddadig dan de voortdurende, ongeregelde strijd van voorheen. Hobbes’ antropologie is dus zeker geen fictie. Zijn natuurmens is een empirisch gegeven.‘

Met zijn antropologische benadering nam Hobbes welbewust (en vaak in felle bewoordingen) afstand van een traditie in het politieke denken sinds Aristoteles. Die traditie stelde dat de staat een organisch gegroeide instelling was waarop goddelijke zegen rustte. Al sinds de Babylonische koning Hammoerabi werd het koningschap verdedigd als een 'goddelijk recht’. Het respect daarvoor was in Hobbes’ tijd aan het afkalven en hij brak er radicaal mee. Hobbes stelde dat de staat het product is van een contract, een wilsbesluit, gegroeid uit het menselijk zelfinzicht dat er niets goeds uit onze handen komt tenzij we worden beschermd en geleid door een legitiem en sterk gezag. Het is of hij ons met dat frontispice van 1651 wilde inprenten: de staat, dat zijn wij. Tegelijk is de lompe dreiging die van de afbeelding uitgaat een waarschuwing om niet lichtzinnig om te gaan met de formidabele krachten die in het spel zijn, zowel bij het onderhouden van het staatsgezag als bij het uiteenspatten ervan.

Het boek verschafte voor het eerst een rationele, seculiere grondslag voor machtsuitoefening. Er zat echter een lelijke valkuil in dat fundament. En dat namen de heersende machten Hobbes niet in dank af. Een contract is namelijk mensenwerk. Een bovennatuurlijke instantie als de goddelijke zegen is onaantastbaar voor menselijke aanvallen, maar een contract schept wereldse verplichtingen en kan worden verbroken als een van de partijen verzuimt. De Leviathan moet ‘presteren’, schrijft Hobbes. Morele superioriteit en schone schijn zullen hem niet baten als hij geen rust en veiligheid kan garanderen. In de onvermijdelijke periode van hernieuwde twist en verval die volgt op zijn neergang zullen de mensen omzien naar een nieuwe gezagsdrager die wél deze garanties biedt.

Het is nooit duidelijk geworden onder welke omstandigheden Hobbes een opstand tegen het gezag gerechtvaardigd achtte. Hij hanteerde de term ‘revolutie’ enkel in verband met de filosofie en de meetkunde, niet in politiek verband. Hij speelde hier en daar wel met de gedachte, maar zijn opeenvolgende geschriften spreken elkaar tegen. In zijn eersteling The Elements stond hij nog pal voor het absolute gezag van de vorst, in zijn ogen belichaamd door koning Karel I die hij bewonderde. Hij moest het geschrift echter schielijk intrekken omdat het Britse parlement juist in 1640 de overhand kreeg in zijn slepende conflict met de vorst. Binnen twee jaar zouden koning en parlement met elkaar in oorlog zijn. Tegen die tijd was Hobbes gevlucht naar Parijs.

Ook daar kreeg hij echter problemen vanwege zijn antiklerikale standpunten. Zijn afkeer van de gevestigde godsdienst werd zelfs zo sterk dat hij zich afkeerde van de katholieke Stuarts, wat niet wil zeggen dat hij van de weeromstuit Oliver Cromwells staatsgreep omarmde. Hij kwam ook nadien niet verder dan dubbelzinnige uitspraken als: ‘Of de staat nu monarchaal is of door het volk geleid, de vrijheid blijft dezelfde.’ Vandaar dat Hobbes nu eens wordt geïnterpreteerd als ‘radicaal democraat’ (Cambridge-historicus Quentin Skinner), dan weer als ‘eerste contrarevolutionair van de moderne tijd’ (de Amerikaanse politicoloog Corey Robin in een recent artikel in The Nation). De reactionaire denkers van de afgelopen eeuw - zoals de Duitser Carl Schmitt en de Amerikaan Leo Strauss - vonden Hobbes maar een halfbakken liberaal of een bolsjewiek in schaapskleren.

Volgens Pinker mondt de moderne reflectie op Hobbes onvermijdelijk uit in een gezagsdilemma dat een innerlijke zwakte in de democratie blootlegt. De oplossing van dat dilemma is een opgave voor de mensheid. Pinker: ‘Enerzijds maakt Hobbes duidelijk waarom mensen grof geweld gebruiken in situaties waarin geen onomstreden gezag bestaat. Dat is een pleidooi voor een duidelijk, streng gezag. Anderzijds bestaat dat gezag zelf ook uit mensen met verlangens, angsten, lusten en zwakheden. De Leviathan is geen belangeloze toezichthouder. Er komt een punt - we hebben dat in de afgelopen honderd jaar meermalen kunnen meemaken - dat een overheid de mensen meer schade berokkent dan zij elkaar kunnen berokkenen. Dat is een pleidooi voor een strenge democratische controle op de overheid. En die is weer niet te rijmen met het genoemde strenge gezag.’

Zo beknopt en helder als het oorspronkelijke proza van de meester is, zo moeilijk blijkt het om zijn denkbeelden om te zetten in bruikbare concepten voor het tijdperk van moderne democratie, grensoverschrijdende communicatie en economische en ecologische problemen die nu of op termijn de hele mensheid aangaan. ‘Je moet daar heel voorzichtig mee zijn’, meent de Belgische rechtsfilosoof Maurice Adams, die de laatste jaren herhaaldelijk publiceerde over de actualiteit van Hobbes: ‘Het denken van Hobbes is natuurlijk getekend door zijn tijd, door enerzijds de doorbraak van de moderniteit en anderzijds de Engelse burgeroorlogen die voor hem persoonlijk heel bedreigend waren. Wat mij betreft schuilt zijn genie in het feit dat hij de tekens van zijn tijd goed verstond. Zijn opvattingen sluiten niet naadloos aan bij hedendaagse problemen, maar zijn denken biedt een interpretatiekader waarmee we vandaag wel degelijk aan de slag kunnen. Dat stempelt hem tot een van de meest uitdagende denkers.’

De natuurtoestand van Hobbes kun je volgens Adams het best beschouwen als een projectie van de rauwe kapitalistische maatschappij. In zijn tijd kwam die rauwheid naar de oppervlakte door het verdwijnen van de geordende gildenmaatschappij, de aantasting van de koningsmacht door parlementen en vrije steden en de geweldsuitbarstingen en godsdienstige ontreddering die ermee gepaard gingen. Adams: ‘Hobbes voelde aan dat het verdwijnen van de feodaliteit het ontstaan van vrije competitie mogelijk maakte en dus tot grotere conflicten kon leiden. Dat zou je vandaag kunnen vertalen naar het inzicht dat een totaal “vrije”, ongeregelde markteconomie kan leiden tot een instabiele samenleving. De staat is nodig om de ontwikkeling van markten te reguleren. Voor mij heeft Hobbes in die zin, zonder het te weten, de krijtlijnen uitgezet waarbinnen een markteconomie dient te functioneren.’

Er is nog een tweede hobbesiaanse krijtlijn uit te zetten, meent Azar Gat: ‘We moeten niet vervallen in de oude fout te denken dat oorlog en geweld in onze genen zitten en dat we er dus nooit van af komen. Het klopt dat we een evolutionair potentieel voor geweldpleging in ons dragen, maar zo'n zelfde potentieel hebben we ook voor samenwerking en vreedzame concurrentie. Het hangt van de omstandigheden af welk gedrag in ons wordt opgewekt. Het is duidelijk dat de democratische, liberale welvaartsmaatschappij die coöperatieve vermogens de meeste ruimte geeft. Een oorlog tussen zulke staten is zelfs ondenkbaar geworden. Tegelijk zijn er binnen die landen ook zones, stadsdelen of vrijplaatsen waar het overheidsgezag wegvalt of zo wordt uitgehold dat het natuurgeweld weer de kop opsteekt. De democratie moet leren ook in die zones zijn moraal op te leggen, maar zonder zijn democratisch gehalte te verliezen. Dat is Thomas Hobbes’ moeilijke maar essentiële opdracht voor de moderne wereld.‘


Thomas Hobbes

1588 Geboren in Wiltshire, Zuid-Engeland.
1603 Hobbes gaat studeren aan Magdalen Hall, Oxford. Hij krijgt al snel een afkeer van de dominante scholastiek.
1610 Vergezelt zijn leerling William Cavendish, de latere baron van Devonshire, op een Grand Tour door Europa, en raakt bekend met de meer wetenschappelijk georiënteerde studies.
1629 Na het overlijden van zijn werkgever Cavendish sr. geeft hij bijles aan aristocratische gezinnen, onder meer aan
kroonprins Charles II. Vertrekt naar Parijs, waar hij alle filosofische debatten op de voet volgt.
1629-1640 De Britse koning Charles I stuurt zijn parlement weg, om elf jaar lang alleenheerschappij aan te gaan.
1640 Hobbes publiceert The Elements of Law, Natural and Politic.
1642-1649 Er breekt een oorlog uit tussen Charles I en het parlement. Onder leiding van Oliver Cromwell wordt Charles I verslagen en op 30 januari 1649 voor hoogverraad geëxecuteerd.
1651 Vanuit Parijs publiceert Hobbes Leviathan, een amoreel, machtsrealistisch traktaat over de natuurwetten waar mensen aan onderhevig zijn en hoe de ideale heerser daarmee omgaat.
1649-1660 De Britse republiek, de Common Wealth, vecht verschillende oorlogen uit met opstandige Ieren, Schotten en overgebleven royalisten. Cromwell regeert als Lord Protector, de facto alleenheerser.
1660 Charles II keert terug uit ballingschap in Frankrijk en de Restauratie begint; Charles kent Hobbes een royaal pensioen toe.
1679 Hobbes sterft, 91 jaar oud.