KZ Mauthausen als onderdeel van de maatschappij

Het gelijk van Hannah Arendt

Het beeld van de SS’er als buitenmaatschappelijke psychopaat is in de meeste gevallen niet juist. Deze systeemmedewerkers waren normale mensen die in oorlogstijd niet alleen deelnamen aan excessieve vormen van misdaad en geweld, maar er vaak ook in organisatorisch opzicht actief aan bijdroegen.

‘We kunnen ervan uitgaan dat mensen die in een kamp als Mauthausen werkten, midden in de maatschappij stonden, en dat het bij hen niet om een soort sadistische onaardse beesten ging’, stelt dr. Bertrand Perz, historicus aan de Universiteit van Wenen. Hij onderzocht met een team de ‘daderprofielen’ van mensen die in het werkkamp Mauthausen werkzaam waren.

Met zijn observatie bevestigt hij onder meer een conclusie die de filosofe Hannah Arendt in 1964 trok, nadat ze het proces tegen Adolf Eichmann had gevolgd. Zij beschreef deze architect van de shoah in haar boek Eichmann in Jerusalem als verschrikkelijk en afschrikwekkend normaal: ‘Het verontrustende aan de persoon Eichmann was toch wel dat deze man noch pervers, noch sadistisch was. Die normaliteit was erger dan alle gruwelijkheden van WOII bij elkaar.’ Niet voor niets gaf ze haar procesverslag de ondertitel A Report on the Banality of Evil. Gabriel Bach, een van de aanklagers in dit proces, verzette zich, net als later vele anderen, fel tegen deze analyse van Arendt – een controverse die nu, bij het uitkomen van de film Hannah Arendt, weer oplaait.

Juist over de ‘banaliteit’ die Arendt noemt, hier te verstaan in de betekenis van eenvoud en dagelijksheid, rapporteert ook Bertrand Perz. ‘Hoe wrang en pijnlijk het ook is, we kunnen niet anders dan constateren dat er ook in een KZ een vorm van “normaliteit” bestond, een vorm van dagelijks werk.’ Perz onderzocht hoe het kamppersoneel samengesteld was, hoe het functioneerde en hoe het kamp georganiseerd was.

Het is voor het eerst dat systematisch onderzoek wordt gedaan naar de medewerkers van een concentratiekamp, wat een ander perspectief kan werpen op misdadige praktijken tijdens het regime, meent de onderzoeker. ‘De hoogste kampofficieren en de beulen werden na de oorlog berecht, dat leverde documentatie op. Daarnaast hebben ook gevangenen hun gruwelijke ervaringen gedeeld, onder meer in films, boeken en televisiedocumentaires. Maar over de groep anonieme medewerkers en medewerksters die het grootste deel van het totaal aantal functionarissen uitmaakte is nauwelijks iets bekend.’

Uit het onderzoek blijkt dat het KZ-personeel zeer heterogeen van samenstelling was: van arbeiders en boeren tot academisch geschoolden en middenstanders. Een kamp werd geleid door de Kommandaturstab, die leiding gaf aan de Wachmannschaft. Daarnaast waren er brandweermannen, bewakingsmensen en burgermedewerkers voor administratieve taken. Het ging om een omvangrijke groep mensen. In het voorjaar van 1945, kort voor de bevrijding, werkten er tienduizend bewakers in het kamp – bijna twee keer zo veel als in Auschwitz. Perz bracht de verbindingen tussen hen, hun gevangenen en de wereld buiten het kamp in kaart. ‘We hopen daarmee uiteindelijk te kunnen verklaren hoe gewone mensen toen tot nauwelijks te bevatten misdaden kwamen. En hoe ze na de oorlog hun leven weer op konden pakken.’

De totale organisatie, bestaande uit officieren, onderofficieren en het lagere personeel, hield in totaal tweehonderdduizend mensen gevangen. Meer dan 110.000 gevangenen stierven in het kamp. De leiding was in handen van een commandant, met zo’n vierhonderd officieren en onderofficieren. Daaronder bevond zich de laag SS’ers, die grotendeels uit de directe omgeving kwamen, en daar ook woonden. Deze groep gaf leiding aan de artsen, de administratie, en een groot aantal bewakers, die, afhankelijk van hun plaats in de rangorde, in eigen wijken woonden, ingekwartierd werden bij boeren of in barakken bij het kamp verbleven.

Wat deden al die bewakers, hoe leefden ze? Perz vertelt: ‘We weten van excessen, van ruzies, zowel in het kamp als daarbuiten. Denk daarbij ook aan ruzies in het dorpscafé. Maar we weten nu ook dat hun kinderen in de dorpen naar school gingen en dat ze zelf meededen aan skiwedstrijden. Een team van kampfunctionarissen speelde mee in de regionale voetbalcompetitie. Bewakers uit het kamp trouwden met vrouwen uit de omgeving. Daarmee ontkracht het onderzoek in elk geval de naoorlogse _“wir haben es nicht gewusst”-_mantra van Duitsers en Oostenrijkers. Iedereen die in de buurt van een groter concentratiekamp woonde wist precies wat daar gebeurde. Kamp en omgeving waren nauw met elkaar vervlochten.’ Perz legt uit dat dit ook nauwelijks anders kon: veel mannen vochten aan het front, dus met wie overbleef in de dorpen en steden moest het nabijgelegen kamp draaiende gehouden worden. Dat waren zowel vrouwen als mannen. ‘Ga er maar vanuit dat het personeel van een concentratiekamp uit het hart van de maatschappij kwam en niet, zoals vaak wordt aangenomen, bestond uit een soort ontspoorde mensen. Je zou kunnen stellen dat er qua samenstelling nauwelijks een verschil was tussen het kampcomplex en de campus of omgeving van een willekeurige industrie.’

De vraag is gerechtvaardigd of Perz met zijn onderzoek niet te laat komt. Veel van de daders zijn immers gestorven. Volgens de onderzoeksleider is dat niet per se een handicap. Er is, weet Perz, altijd een groep overlevenden van de kampperiode geweest die wilde praten, denk aan het document van Steven Spielberg. Ook overlevenden van Mauthausen zijn geïnterviewd, al in de jaren tachtig.

Daders spraken echter niet vrijwillig. De hogere functionarissen, zoals de commandanten, werden na de oorlog tijdens processen ondervraagd, maar de bewakers, de mensen die bij de steengroeve hardhandig de orde handhaafden bijvoorbeeld, zwegen over deze periode. ‘Die daders zouden nu nog steeds niet gesproken hebben, er heerste onder hen een zwijgcultuur. We zien nu, na eerste berichten over ons onderzoek in de pers, dat we mail en telefoontjes krijgen. “Mijn grootvader werkte in het kamp, maar het was taboe om erover te spreken.”’

Perz krijgt ook weinig informatie van de kinderen van die daders. ‘Bij hen herkennen we het fenomeen dat de ouders beschermd worden.’ Volgens de onderzoeker heeft die generatie haar ouders niet sterk en succesvol meegemaakt. ‘Waar hoge SS’ers vaak al kort na de oorlog weer goede banen kregen, daar viel de groep eronder terug in de armoede van voor de oorlog.’ De kinderen namen hun ouders mentaal in bescherming, stelt Perz.

het is juist de derde generatie, de kleinkinderen van de daders, die zich momenteel nieuwsgierig toont, die nooit méér hoorde dan wat vage geruchten die ze nu probeert te duiden. Perz: ‘Deze mensen melden zich nu bij ons. Ze vragen om informatie, maar komen ook met fragmentarische mededelingen.’

Perz geeft aan dat er nauwelijks negatief gereageerd wordt op het onderzoek. ‘De opmerking “moet dat nou, nu nog zo’n onderzoek”, krijgen we eigenlijk nooit. Integendeel, we krijgen informatie.’ Mensen willen weten wat hun grootouders gedaan of misdaan hebben en in hoeverre hun familie bij de misdaden betrokken was.

Speciale aandacht was er in het onderzoek voor die arbeiders die hun eerste dagen in het kamp sleten, en plotseling werden geconfronteerd met de harde realiteit en mishandelingen die zich er dagelijks afspeelden. Herkent Perz hierin het zogenaamde prisoner’s experiment, het experiment waarbij een groep studenten gesplitst wordt in gevangenen en bewakers, en waarbij de bewakers zich binnen slechts een paar dagen gruwelijk gaan misdragen? ‘Niet helemaal, want in eerste instantie kregen mensen de gevangenen nauwelijks te zien en de misdaden, de martelingen of de kwellingen van de kampartsen al helemaal niet.’

Een kamp was in eerste instantie een enorm bedrijf. Wie nieuw binnenkwam, als bewaker bijvoorbeeld, of als administratief medewerker, vervulde zijn diensten aan de rand van het kamp, bewaakte de omheining, of werkte in een soort kantooromgeving. ‘Het was zeker confronterend om gevangenen te zien. Ik vrees echter dat mensen die in het kamp kwamen werken er verder weinig bij dachten, behalve dan dat ze zelf blij waren dat ze te eten kregen, en kleding mee naar huis konden nemen. Het was in de strenge winter beter in het kamp te werken dan erbuiten te zijn.’

Vanuit een functie aan de rand van het kamp konden medewerkers dan andere taken krijgen, in die zin wenden ze aan geweld en gruweldaden. ‘Maar ook dan klopt de vergelijking met het zogenaamde prisoner’s dilemma niet. Bij dat experiment zijn zowel de gestraften als de straffers in het begin gelijk. In het kamp was het beeld echter al gekleurd. Gevangenen, veelal joden, waren immers Untermenschen, dat beeld zat er bij de meeste burgers wel ingeramd.’

In eerder werk beschrijft Hannah Arendt dit mechanisme al, waarbij ze stelt dat in een totalitair systeem groepen van de bevolking door indoctrinatie en terreur zo kunnen worden ‘geprepareerd’ dat ze even zo goed de rol van dader kunnen innemen als tot slachtoffer kunnen vervallen. In dat opzicht liep Arendt op het prisoner’s experiment vooruit. Tegen de tijd echter dat kampen als Mauthausen ontstonden was de tweedeling in de maatschappij al een feit.

Pas aan het eind van de oorlog namen, mede vanwege personeelsgebrek, Wehrmacht-soldaten de rol van SS’ers over, onder meer in de steengroeve. Hier werden gevangenen onder mensonterende omstandigheden te werk gesteld. ‘Die waarneming zal voor de soldaten zeker verschrikkelijk zijn geweest, we hebben echter nauwelijks documenten waaruit dat blijkt. Vergeet niet dat deze soldaten al veel gezien hadden aan het front, voor hen was dit KZ onderdeel van een systeem. Ze waren blij nog in leven te zijn.’

Uit het onderzoek stijgt een beeld op van lijdzaamheid, zowel bij de lagere medewerkers in het kamp als bij de mensen die van buiten met het kamp te maken hebben. ‘Er was geen verzet, totaal geen verzet. Hooguit bestonden er vormen van milde sabotage uit eigen gewin, bijvoorbeeld in de vorm van zwarte handel – hoe gevaarlijk ook.’ Er bestond een levendige zwarte markt tussen mensen die werkten in het kamp en buitenstaanders. Gevangenen kregen per persoon weliswaar zeer slecht en weinig te eten, maar er ging dagelijks een hoop voedsel, kleding, en voor de officieren ook sigaretten het kamp in. Dat waren goede producten voor de zwarte markt.

Uit het onderzoek blijkt dat sommige officieren en medewerkers aan het eind van de oorlog toenadering zochten tot gevangenen. ‘Dat waren vaak kerels die in een ander kamp tot de ergste beulen behoorden’, zegt Perz, ‘en nu hoopten een goed getuigenis te krijgen of zelfs een bewijs van moedig gedrag door het voor gevangenen op te nemen.’ Die wrede groep daders was zich zeer wel bewust van haar daden – de groepen onder en boven hen niet. De eenvoudigen hadden het excuus van de sociale druk, de armoede en de plicht deel te nemen. ‘Bij elk daderonderzoek is het belangrijk te kijken naar omstandigheden en het moment van het delict. In een bepaalde groepsdynamiek en in een bepaalde omgeving zijn mensen makkelijker tot geweld en mishandeling te brengen – kijk maar naar de misstanden van Amerikaanse soldaten in Irak.’

Wanneer het referentiekader dan ook nog eens zo is dat geweld tegen bepaalde groepen steeds weer getoond wordt, en een vertaalslag gemaakt wordt van dit geweld naar een vorm van werk – dan ontstaat een gevaarlijk soort normaliteit die de daders naar hun gevoel en overtuiging vrijspreekt.

Ook de leiders, zoals Adolf Eichmann, konden zich voor hun geweten verschuilen achter het systeem, zoals tijdens de processen bleek. Eichmann ging daarbij zelfs zo ver dat hij aangaf zijn hele loopbaan geleefd te hebben naar de maximes van Kants deontologische morele voorschriften. Toen de rechter hem verbaasd vroeg hoe Immanuel Kant die dan definieerde, kon de nazi-misdadiger tot ieders verwondering een tamelijk precieze definitie geven van Kants categorische imperatief: ‘Daaronder versta ik dat het principe van mijn willen en streven zo moet zijn dat het altijd tot principe van een algemeen geldende wet uitgevaardigd kan worden.’

Interessant werd het toen de rechters verder vroegen en stelden dat medewerking aan de Endlösung toch niet vanuit die maxime te verklaren was. Toen bleek dat Eichmann, en vele andere nazi’s, de filosofie van Kant niet opzij schoven, maar anders interpreteerden, ongeveer op de manier waarop de hoogste jurist van het Derde Rijk, Hans Frank, het in Die Technik des Staates (1942) formuleerde: ‘Handel zo, dat de Führer, wanneer hij van je handelen zou weten, deze handelingen goed zou keuren.’ Het was geen kwestie van het opvolgen van bevelen of het navolgen van de wet, maar juist van een bewuste en totale identificatie met de geest van de wetten. Identificatie dus, met de bron waaruit een dergelijke wet, hoe absurd of gruwelijk ook, ontsprong. Bij Kant was die bron de praktische Vernunft, bij het ‘thuisgebruik voor de kleine man’, zoals Eichmann het formuleerde, was deze bron equivalent aan de wil van Hitler.

Er bleef echter, ook voor de hoogste officieren, ruimte voor eigen beslissingen. Bijvoorbeeld voor het benoemen van zogenoemde Funktionshäftlinge. Deze gevangenen hadden een speciale positie. Het waren veelal niet-joodse, Duits sprekende gevangenen, onder meer uit Holland, Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg, alsmede in ongenade gevallen SS’ers, die een wat betere behandeling kregen. Daar stond tegenover dat zij vaak de onderdrukkers van de anderen waren, weet Perz: ‘Daarom, en doordat ze kennis hadden van het systeem en wisten hoe de kampleiding ageerde, kwamen juist zij in de eindfase van de oorlog in gevaar.’ Vaak werden ze gedood om te voorkomen dat ze na de oorlog konden getuigen tegen de leidinggevenden.

Na de oorlog konden kampmedewerkers rekenen op steun van hun omgeving. Ongeveer driehonderd mannen die in Mauthausen werkten werden na de oorlog aangeklaagd. Daarvan kregen er velen levenslang – maar de laatste kwam in 1955 vrij. Zij en bijna alle anderen vonden hun weg weer in de maatschappij. ‘Niet alleen familieleden, maar ook pastoors, burgemeesters, leraren en zelfs sommige van de eerder genoemde Funktionshäftlinge stonden voor het goede karakter van deze mensen in.’ Volgens Perz was er een net dat al deze mensen opving. ‘Dat bewijst eens te meer dat het beeld van de SS’er als buitenmaatschappelijke psychopaat in de meeste gevallen niet juist is. Deze systeemmedewerkers waren, hoe moeilijk het ook te begrijpen is, normale mensen die in oorlogstijd niet alleen deelnamen aan excessieve vormen van misdaad en geweld, maar er vaak ook in organisatorisch opzicht actief aan bijdroegen.’

Die constatering geeft Hannah Arendt postuum gelijk in de felle discussie over het Eichmann-proces, waarin haar verweten werd een persoon als Eichmann te reduceren tot een schrijftafelcrimineel.