Hoofdcommentaar: Le Pen

Het gelijk van Jean-Marie Le Pen

Op vijf mei, de dag van de tweede en beslissende ronde van de Franse presidentsverkiezingen, zal Lionel Jospin aftreden als premier en zich terugtrekken uit de actieve politiek. Het straatrumoer van zijn verontwaardigde aanhangers kan de schade niet meer ongedaan maken. De Franse sociaal-democraat heeft een verpletterende nederlaag geleden door in de eerste ronde minder stemmen te trekken dan Jean-Marie Le Pen, die het over twee weken mag opnemen tegen de door corruptieschandalen geteisterde Jacques Chirac.

De laatste keer dat de tweede ronde werd uitgevochten door twee rechtse kandidaten was in 1969, toen de Fransen schoon genoeg hadden van alle opstandige studenten, radencommunisten en andere woelmakers die het jaar daarvoor de Vijfde Republiek op haar kop hadden gezet. Ditmaal ligt de oorzaak eerder in een gebrek aan linkse krachtdadigheid. Het succes van Le Pen is een Pyrrusoverwinning voor extreem rechts. Het Front National kwam zelden uit boven de zeventien procent die de leider in deze eerste ronde heeft gekregen en meer zal het waarschijnlijk nooit worden. De algemene verwachting is dat Jacques Chirac de tweede ronde met gemak wint, misschien wel met tachtig procent van de stemmen.

Jospins smadelijke afgang is in de eerste plaats een nederlaag voor links en voor de Franse democratie. De kiezers lieten het in groten getale afweten; alleen al in de hoofdstad kwam maar liefst 27 procent niet opdagen. Behalve de elf miljoen kiesgerechtigden die het niet de moeite waard achtten te gaan stemmen, brachten nog eens bijna een miljoen Fransen een blanco stem uit. Dat zijn de ware proteststemmers, zij die speciaal naar het stembureau komen om te laten weten dat ze wel willen stemmen maar dat er wat hun betreft niets te kiezen valt.

Zonder dat grote aantal onthoudingen zou de uitslag waarschijnlijk ook in het voordeel van Chirac zijn geweest, maar Jospin zou het er veel beter vanaf hebben gebracht.

Niet alleen extreem rechts spon garen bij de onverschilligheid, ook extreem links deed er haar voordeel mee. Daarbij werd leider Robert Hue van de gestaag wegzakkende communistische partij voor het eerst overvleugeld door twee trotskistische kandidaten — een «historische oorvijg» van formaat, zoals de commentator van Libération fijntjes opmerkte.

De uitslag is ook het gevolg van een aantal typisch Franse omstandigheden. Het verschil tussen Jospin en Chirac was na vijf jaar cohabitation (gezamenlijk regeren) zo gering dat zij in de media spottend «Chipin» en «Jorac» werden genoemd. Bovendien namen zij de extreem rechtse retoriek inzake de openbare veiligheid over, terwijl ze Le Pens deelname aan de presidentsverkiezingen juridisch trachtten te blokkeren. Zodoende joegen ze iedereen die overwoog extreem rechts te stemmen tegen zich in het harnas. Le Pens fameuze uitspraak dat «de kiezers het origineel verkiezen boven de kopie» werd opnieuw bevestigd.

Een andere bijzondere omstandigheid is de erfenis van François Mitterrand, die het Franse socialisme voor lange tijd in diskrediet heeft gebracht door zijn gebrek aan politieke overtuiging en vindingrijkheid te compenseren met een overdaad aan cesarisme. Enigszins gechargeerd kun je zeggen dat geen van de miljoenen Fransen die onder zijn veertienjarig bewind zijn opgegroeid nog ooit een regerende sociaal-democraat zal vertrouwen.

Maar hoe bijzonder de Franse omstandigheden ook zijn, toch is Jospins nederlaag een internationaal teken aan de wand. Hij vormt een nieuw hoofdstuk in de wanordelijke terugtocht van de sociaal-democratie in heel Europa. In de Duitse deelstaat Sachsen-Anhalt — om een recent voorbeeld te noemen — heeft de SPD ook een gevoelig verlies geleden. In de nationale peilingen staat Gerhard Schröders partij er niet al te best voor, en dat terwijl de SPD allerminst «paars» uitgeslagen is zoals haar Franse of Nederlandse zusterpartijen. De Duitse sociaal-democraten regeren nota bene samen met de Groenen. Toch slaat ook bij onze oosterburen de Politikverdrossenheit her en der gaten in het bestel. Hele stadswijken komen op verkiezingsdag niet meer opdagen. De teloorgang van de Europese sociaal-democratie is ten dele een kwestie van persoonlijke geloofwaardigheid. Geen Brit gelooft Tony Blair wanneer hij na acht jaar pseudo-thatcheriaans bewind aankondigt het socialisme nog eens te willen heruitvinden, net zomin als de Franse kiezers geloofden dat Jospin tot een dergelijke regeneratie in staat was. En zoals de Franse socialisten lijden onder een bewind van uitgediende «olifanten» (bijvoorbeeld Jacques Lang of de broertjes Attali), zo zijn het bij ons de Koks en Melkerts die een wedergeboorte in de weg staan.

Maar zulke problemen op het gebied van kadervorming staan nooit op zichzelf. De politieke geloofwaardigheid van de sociaal-democratie is in het geding. De voorlopers van de Derde Weg zijn uitgepraat; hun favoriete denkers, zoals Anthony Giddens en Ulrich Beck, staan met de mond vol tanden. Hun bezweringsformule dat de sociaal-democratie een nieuw evenwicht tussen politiek en markt moet zien te vinden, is een holle leuze gebleken. Wie de staat ontmantelt, zoals de Europese sociaal-democraten naar neoliberaal voorbeeld hebben gedaan, beschikt niet meer over het vereiste instrument om dat evenwicht af te dwingen. De enigen die momenteel de staat in ere willen herstellen, zijn de extreem rechtse partijen.

Het is vervelend steeds weer die uitspraak van Le Pen te moeten herhalen, maar hij heeft gelijk. Als we van Le Pen leren om weer politiek te bedrijven, heeft zijn kortstondige zege tenminste enige zin gehad.