Het gelijk van sicco

Hij geeft eigenlijk geen interviews meer, maar voor een oude vriend maakte Sicco Mansholt (87) van zijn hart geen moordkuil. Over de PvdA, over Europa, over de boeren, over de koloniale oorlog in Indonesie en over God.
HENNY DOET DE deur open. Het is een kwart eeuw geleden dat we elkaar voor het laatst zagen. Ze is natuurlijk ook ouder geworden, iets kleiner, maar haar statigheid is nog volkomen intact, haar stem is kristalhelder - dat ze over de tachtig is, lijkt onwaarschijnlijk. Binnen enkele seconden valt de kwart eeuw weg. In de wat duistere hal van de voormalige boerderij waarschuwt ze bezorgd: ‘Sicco geeft helemaal geen interviews meer, hij doet dit nog vanwege de oude relatie. Maar maak het niet te lang alsjeblieft, een uurtje…’

Uit wat eens de opkamer moet zijn geweest en nu zijn kantoor is, komt Sicco de oude boerenkamer binnen. Ook hij is oud geworden, maar als je weet dat hij nog maar kort geleden hooguit honderd meter kon lopen, lijkt zich een wonder te hebben voltrokken. Hij doet alsof we elkaar vorige week nog hebben gesproken, hij heeft maar een heel kleine voorzet nodig om volstrekt gecoordineerd korte metten te maken met wat resteert van het socialisme, met de reputaties van Willem Drees, Joop den Uyl, Felix Rottenberg, de leiders der volkeren, de politici. En met zichzelf. Toen Nederland in de jaren veertig zijn koloniale oorlog begon tegen Indonesie en hij in die periode als minister van Landbouw lid was van de kabinetten Schermerhorn en Beel I, toen had hij moeten aftreden, vindt hij nu. En toen de landbouw in Europa van schaarste naar overproduktie ging, hadden de subsidies aan de boeren herzien moeten worden.
Hij zit met zijn rug naar het licht. Langs hem heen kijkend zie je de zware lucht boven het groene land. Wapserveen. Lintdorp van zes kilometer, eens het domein van rijke boeren. En misschien nog wel.
Hij wordt in september bij leven en welzijn zevenentachtig. Hij moet geclassificeerd worden als een van de grote naoorlogse Nederlandse politici. Hij zat tijdens de oorlog in het verzet, als boer in de Wieringermeer, constant gezocht door de SS en de SD, en hij werd onmiddellijk na de oorlog minister, 36 jaar oud. Bleef de steek dragen in niet minder dan zes regeringen. (Schermerhorn-Drees, Beel, Drees-Van Schaik, nog eens drie keer Drees.) Daarna, van 1958 tot 1973, lid van de Europese Commmissie, als Nederlands commissaris, de laatste twee jaar als voorzitter. Dus bijna dertig jaar aan de top.
Hij was en is groot van postuur, hij wekte altijd de indruk in alles immer gelijk te hebben - pas nu, in de winter van zijn leven, etaleert hij zonder enige schroom zijn ongelijk, zijn tekorten. Zijn eredoctoraten, zijn onderscheidingen zijn nauwelijks te tellen, het enige ereattribuut waar hij wel aan schijnt te hechten is de (ere)doctorstitel: dr. S. L. Mansholt. Zo staat hij in het telefoonboek.
VERONTRUST EN teleurgesteld zal hij straks afscheid nemen van deze wereld. Zijn allergrootste teleurstelling, hij laat er geen twijfel over bestaan, is het falen van het socialisme. In een boek uit de late jaren zeventig, De crisis, verhaalt hij uitvoerig hoe zijn grootvader en zijn vader op het Groningse platteland als welgestelde boeren de eerste socialisten waren. Voor de boerengemeenschap aldaar waren ze daardoor outcasts: een boer, een werkgever-socialist… Sicco en de vier andere kinderen ontvingen het socialisme derhalve als een geloof. En nu?
Sicco: ‘Het socialisme heeft zijn tijd gehad. Veel is in de afgelopen eeuw bereikt. Maar het faalt bij het aanpakken van de nieuwe vraagstukken waarvoor de wereld staat. Terwijl de problemen waar de maatschappij voor staat over de grenzen heen gaan, ja, zelfs globaal zijn, heeft de sociaal- democratie zich in de naties opgesloten. Daarmee is bijvoorbeeld in Nederland de PvdA, die nationaal de draagster zou moeten zijn van het socialisme, verschrompeld tot een heel klein beweginkje, totaal in zichzelf gekeerd. Ik heb aan Den Uyl gevraagd zich met kracht in te zetten voor de ontplooiing van een Europese socialistische partij met een duidelijk program. Tevergeefs. Felix Rottenberg heb ik bezworen: jongen, trek er op uit, ga naar Hongarije, ga naar Roemenie, ga naar Frankrijk, ga de wereld in. Maar hij en zijn maten doen alsof alles draait om wat hier in dit kleine land gebeurt. Zie ook het gedoe in het Europees parlement. De invloed van de socialistische fractie is nul, ze zijn niet in staat gebleken een gezamenlijk programma te creeren, laat staan zich daarvoor met kracht in te zetten. Een papieren tijger.’
Hij laat er, een kwartier in het gesprek, geen twijfel over bestaan wat zijn oordeel is over de kwaliteit in het algemeen van de hedendaagse politici. Hij haalt namen uit het verre verleden naar boven van mannen die in zijn ogen echt groot waren: Roosevelt, Monnet, Spaak, Adenauer, ja zelfs De Gaulle. Als ik tegenwerp dat het naoorlogse Nederlandse socialisme toch mannen heeft opgeleverd als Willem Drees en Joop den Uyl, lijken zijn ogen vuur te schieten: 'Drees - en ik was er toch bij! - heeft niets nagelaten om de vorming van een Europees groter geheel tegen te houden. Joop heeft zeker veel voor het socialisme betekend, maar is blijven steken in zijn verlangen om minister-president van Nederland te worden.’
Het is het moment dat je, als iets jongere maar toch niet jonge interviewer, meent te moeten waarschuwen: 'Sicco, als we dit publiceren krijg je heel Nederland over je heen. Ze zullen zeggen: typische ouwe-lullenpraat. Niets deugt, niets heeft gedeugd.’ In Brussel, als Europese autoriteit, zou hij op zo'n moment zijn opgestaan en rond zijn bureau zijn gaan stampen, uiterlijk kalm, van binnen rebellerend. Hij zegt nu: 'Nee, nee en nog eens nee. Dit is geen ouwe-lullenpraat. Dit is de waarheid. Onze wereld en vooral het Nederlandse wereldje lijdt aan een verschrikkelijk gebrek aan grote mannen met visie. Kijk rond. Je ziet de armoe aan talent bijna elke dag op je televisiescherm. Trouwens: ik heb op het gevaar van dat volkomen gebrek aan talent en vooral visie - maar dat houdt er verband mee natuurlijk - al gewezen in 1975 of zo. Lees dat boek van me maar, De crisis.’
HIJ LAAT NEDERLAND en zelfs Europa op dit punt van het gesprek even los, want het is de wereld die hem het meest zorgen baart.
'Weinigen schijnen goed te beseffen wat er gebeurt. We hollen in een adembenemend tempo achteruit. We zijn bezig de slag om het milieu totaal te verliezen, die hebben we al verloren. De welvaart en de economische groei gaan in het rijke deel van de wereld met twee tot drie procent per jaar vooruit, dat betekent een verdubbeling van het verbruik per hoofd in een generatie. De welvaartskloof tussen ons en het arme deel van de wereld wordt groter, maar ook in dat arme deel streeft men terecht naar een groter aandeel. En door de snelle bevolkingsgroei overschrijden we nu al de draagkracht van onze planeet, de gebruiksruimte. Hoe lang denk je dat de wereld dit kan volhouden? Wij, de rijken, zullen moeten beseffen dat ons verbruik, ook van energie, terug moet en per se niet moet groeien, zoals nu het geval is.
Je hebt gelijk als je tegen me zegt dat ik in het begin van de jaren zeventig voorspelde dat het mis zou gaan als de wereldbevolking de vier miljard zou passeren. Als voorzitter van de Europese Commissie heb ik voorstellen gedaan het beleid om te gooien, maar men lachte mij uit. En nu? In de loop van de volgende eeuw zullen we op aarde zijn met twaalf miljard mensen, het dubbele van nu. Het verbruik per hoofd neemt snel toe, dus we racen naar de ondergang. En noem mij een paar gezaghebbende politici die zich daarvan bewust zijn, althans zich daarnaar gedragen… Het ontbreekt ons zelfs aan gezaghebbende organen op wereldschaal om deze problemen het hoofd te bieden. We verliezen ons in machteloos gepraat op internationale conferenties, zoals nu weer die in Kopenhagen.’
Je wil dus zeggen dat de wereld bezig is aan eng egoisme ten onder te gaan?
'Ja. Je kunt natuurlijk nog hopen dat de nood zo hoog wordt dat in het begin van de volgende eeuw pogingen gedaan zullen worden de zaken te redresseren. Maar eerlijk gezegd: ik geloof er niet in.’
Je kunt er, halverwege de sessie, moeilijk aan twijfelen dat Sicco Leendert Mansholt, lichamelijk verzwakt, toch nog beschikt over een doordringende mentale kracht. Nog steeds kun je, zoals vroeger, bijna nooit twijfelen aan zijn gelijk. Het is ook duidelijk dat hij bezig is met een soort politiek testament.
Als je terugkijkt op je leven, wat had je dan anders moeten doen, niet in het prive-domein, maar professioneel?
'Er is een ding dat me vooral de laatste tijd erg bezig houdt, dat me zelfs benauwt. Ik had, toen Nederland een koloniale oorlog ging voeren in Indonesie, moeten aftreden, weg moeten gaan.’
Was het een koloniale oorlog?
'Zonder de geringste twijfel. Ik moet wel zeggen: we beseften als leden van het kabinet nauwelijks hoe diep dat streven naar onafhankelijkheid van de Indonesiers was. Maar desondanks, mijn enige excuus is dat ik relatief jong was en onervaren. Ik stond ook onder invloed van Wim Schermerhorn. Hij was een stuk ouder dan ik, hij was een wijs man die zeker ook wel begrip had voor de verlangens van de Indonesiers. Toch geloofde ook hij tenslotte in de noodzaak van een politionele actie. Ik zal nooit het beslissende telegram vergeten met de fatale boodschap. Dus ja, ik had moeten aftreden, dat vind ik nu.
Een tweede zaak waar ik niet tevreden op terugkijk, is de landbouwpolitiek. De beheersing van de markt is grotendeels mislukt. Het principe, in het begin, was goed. Er was schaarste, we moesten zo snel mogelijk weer self-supporting worden. Evenwel, langzaam maar zeker werd de schaarste omgezet in overproduktie. De boeren konden produceren wat ze wilden, ze kregen toch betaald. Dat leidde tot de boterbergen, de melkmeren. Op dat punt zijn we met zijn allen niet bij machte geweest de zaak om te gooien. De boeren waren machtig. In de meeste Europese landen vooral ook electoraal machtig. En we zijn dus veel te lang doorgegaan met zware subsidies. Mijn plan de subsidies af te schaffen en een toeslag te geven op het inkomen zodat de produktie geen winstmotief meer zou zijn, dat plan heeft het nooit gehaald. We hebben de markteconomie niet kunnen herstellen.’
Dus de boeren die je vrienden waren, werden je vijanden?
'Dat is overdreven, maar er ontstond wel een gespannen verhouding.’
HIJ KOMT TOCH weer terug op de Nederlandse politiek. Hij ergert zich aan wat hij noemt de 'idiote zelfoverschatting’ van Nederland. 'Dit landje heeft in het geheel niets te betekenen. Steeds staan we klaar met ons vingertje om anderen erop te wijzen hoe ze zich moeten gedragen. We zijn een van de meest vervuilde landen ter wereld en doen alsof wij op het gebied van het milieu de wijsheid in pacht hebben.’
Volgt een korte oratie over de rol die een landje als Nederland zou moeten spelen in Europa: 'We moeten ons er veel meer van bewust worden dat we een deeltje vormen van een veel groter geheel, dat waarschijnlijk nog groter zal worden. Maar ik geef toe: er zal ook in dat grotere geheel, Europa, een grote structuurwijziging moeten komen, anders gaat het mis. We leven nog steeds met het oude Verdrag van Rome. Maastricht heeft er nauwelijks iets aan veranderd. Nog heel even en Europa zal niet bestaan uit vijftien landen maar mogelijk uit vierentwintig. Proberen dat overeind te zetten en te houden met de huidige structuur is waanzin. Er moet onder het Verenigd Europa een geheel nieuwe structuur worden gezet. Het aantal leden van de Europese Commissie moet drastisch worden verminderd. Er moet een kern komen van een stuk of tien, twaalf mensen. Natuurlijk, dan zal lang niet elk land een commissaris binnen die Commissie hebben. So what! Als je doorgaat zoals nu, dan komt er niets van terecht, helemaal niets.’
En als we nu even met de twee benen op de grond gaan staan, anno maart 1995, wat dan?
'Men moet niet bang zijn voor harde maatregelen en harde beslissingen, als die nodig zijn. Neem Engeland. Engeland is op het ogenblik echt een blok aan het Europese been. Dan moet je kappen overwegen. Ik heb met generaal De Gaulle veel meningsverschillen gehad, maar achteraf denk ik dat hij gelijk had wat betreft Engeland. Hij heeft destijds de onderhandelingen afgebroken, erg dramatisch. Maar nu denk ik dat hij de positie van Engeland goed heeft ingeschat. En als nu blijkt dat een deel van dat Europa wel verder wil gaan met de integratie, op sociaal terrein of met een monetaire unie, dan zullen we niet moeten aarzelen, maar doen!’
Hij pauzeert even. Dan lijkt hij niet te kunnen nalaten weer de vinger te heffen naar wie hij de schuldigen acht: 'De socialisten hebben nog maar sedert kort Europa ontdekt. Ze hebben lang een gezonde ontwikkeling tegengehouden. Ook hier is het socialisme te eng gebleken. Zo was het in Engeland en Denemarken, maar ook in ons land.’
Is de individualisering ook de schuld van het socialisme?
'Dat zou ik niet durven zeggen, maar ik vind wel dat de toegenomen individualisering binnen de maatschappij een goede zaak is. De mensen hebben geleerd zelfstandig te denken, ze zijn rijper geworden. En ja, dat is gegaan ten koste van wat je mag noemen het collectivisme. Hoe dan ook, een ontwikkeling die moeilijk is tegen te houden.’
NEE, HIJ VINDT het niet te triviaal om een mening te geven over de kistkalveren. Er komt weer een typisch antwoord: 'Natuurlijk ben ik niet voor het houden van kistkalveren. Ik ben ervan overtuigd dat er rond het jaar 2000 geen kalveren meer in kisten worden gehouden. Maar je mag je wel afvragen hoe zinnig het is je enorm druk te maken over het lot van kistkalveren en andere dieren als de mensen zelf bezig zijn elkaar meedogenloos uit te moorden. Ruanda. Joegoslavie. Alleen: het probleem van de kistkalveren, als het al een probleem is, kunnen we oplossen. Het probleem Joegoslavie kunnen we kennelijk niet oplossen. Iets om over na te denken, vind ik.’
Als hij nu zo ontevreden is over de wereld, over de mensen, over de leiders, de politici, vindt hij dan niet dat het tijd wordt te denken over een andere vorm van democratie?
'Ik zie geen andere vorm. Je kunt natuurlijk proberen veranderingen aan te brengen in het systeem, veranderingen in de keuze van mensen, zodat je in staat wordt gesteld mensen te kiezen die echt de enorme problemen van deze wereld kunnen aanpakken. Want ook al zie ik geen andere, betere vorm van onze democratie, je moet wel vaststellen dat het huidige systeem - het benoemen, kiezen, selecteren van de mensen - uitermate gebrekkig functioneert, dat wel.’
En dan, bijna in zichzelf gekeerd, nog eens: 'Je had toch vroeger in het parlement meer mensen met een brede kijk, mensen waar je tegen opkeek? Echter, als ik op het ogenblik allerlei parlementariers bezig zie, dan zie ik specialistjes op beperkte terreinen: kortzichtige, beperkte mensjes. En toch, de goede mensen zijn er wel. Maar die mijden kennelijk de politiek als job of we slagen er onvoldoende in die bekwame mensen naar voren te halen.’
Is Wim Kok beperkt? Steekt hij af tegen Drees?
'Nee, dat kun je niet zeggen. Drees is overschat, ondanks veel kwaliteiten. Ik vond hem in allerlei opzicht beperkt, ik heb hem twintig jaar meegemaakt - Indonesie, Europa… Hij was niet echt een staatsman.’
WE PRATEN ANDERHALF uur, af en toe heeft Sicco Mansholt moeite een vraag goed te verstaan, hij heeft een gehoorapparaat. Maar zijn antwoorden zijn stuk voor stuk to the point. We betreden toch nog even het prive-domein, hetgeen nu makkelijker blijkt dan vroeger. Dit Wapserveen, dit boerenlintdorp, blijft hij daar echt wonen, ook nu transport een probleem begint te worden?
Hier neemt Henny het gesprek over. Wonen is kennelijk voor haar een probleem. Henny: 'Ik heb wel eens gekeken naar een verzorgingsflat. Het is hier wel mooi, maar er is hier geen openbaar vervoer. Sicco en ik rijden nog alle twee auto. Maar je weet natuurlijk niet hoe lang dat nog kan. Wij hebben onze kinderen verspreid zitten, maar we komen er moeilijk toe ze nog te bezoeken. Verhuizen is echter voor Sicco onbespreekbaar.’
Hij heeft, bijna goedmoedig, Henny laten gaan. Dan, heel kordaat: 'Ik ga hier niet weg, nooit. Als het niet meer gaat, dan moet er hulp komen, zo veel als nodig is. Maar hier wil ik blijven.’
Hij zwaait naar het raam, naar het open land. De bossen. Hij werd geboren als zoon van een boer. Hij wil kennelijk dicht bij wat des boers is het leven uit gaan.
Nog een vraag die je vroeger nooit aan de introverte Sicco Mansholt gesteld zou hebben: Gelooft hij in God?
'O nee, ik ben atheist, heel bewust, heel rationeel. De natuurwetenschappen hebben ons duidelijk gemaakt hoe het leven tot stand is gekomen, we weten dat er onherroepelijk een einde aan is, het leven is een samenspel van leven en dood, van materie… Er is bij mij geen twijfel aan de begrensdheid van het leven. Geen hiernamaals. Geen hemel of hel. En verder: als alle mensen van de aarde verdwijnen, zou die aarde gewoon doordraaien. De mens is op aarde het gevaarlijkste dier, doordat de mens de capaciteit heeft te kunnen denken. Juist daardoor is hij bezig de aarde in zeer snel tempo onleefbaar te maken. Geen enkel ander dier doet dat, alleen de mens.’