Essay: Het gelijk van Tacitus. Jongeren in de 1ste eeuw

Het gelijk van Tacitus

Wat kunnen wij leren uit de peda go gische beschouwingen van de oudheid?

Vroeger was alles beter, dat is algemeen bekend. De eerste mensen leefden als goden, hoefden nooit te werken, bleven hun hele leven gezond en stierven vredig in bed. «Oogsten gaf de aarde, die het graan schenkt, uit zichzelf, goedgeefs en overvloedig; zij genoten van hun voedsel in vrede, ongestoord, genietend van hun grote welvaart,» aldus de dichter Hesiodos, die in de zevende eeuw voor Christus moest vaststellen dat het hollend achteruitging met de wereld. Het gouden geslacht werd opgevolgd door een zilveren generatie, die al van minder allooi was, waarna het bronzen geslacht zich exclusief ging bezighouden met oorlog en zo zichzelf uitroeide. Daarna kwamen de helden en halfgoden die vochten bij Thebe en Troje, die door Hesiodos worden beschouwd als rechtvaardiger en beter dan de generatie vóór hen. Kennelijk zijn er tijdens de onherroepelijke neergang ook oplevingen mogelijk. Maar nu heerst het ijzeren geslacht, dat gekweld wordt door verdriet en ellende. Deze mensen zijn bij hun geboorte al ten dode opgeschreven, en binnenkort zal Zeus hen verdelgen, want ze kennen geen fatsoen meer, schrijft Hesiodos:

Wie eden houdt, het recht betracht, het goede doet

zal geen waardering krijgen; juist de bruut, de man

die kwaad doet, zal in tel zijn en het rechtsgeding

wordt met de vuist beslecht. Er zal geen schroom meer zijn;

de minste zal de meerdere doen struikelen,

hem vals beschuldigen, het staven met een meineed!

Hesiodos’ gemopper doet denken aan dat van de oudoom van Gerard Reve, die tempo doeloe als volgt typeert: «toen was nog niets voorgoed bedorven:/ inlanders wisten hun plaats, je hoorde niet van onrust stokers./ De mensen waren aardig, hadden iets over voor elkaar./ Er was nog echte hartelijkheid, en liefde.»

Opmerkelijk is dat de morele verontwaardiging van zowel Hesiodos als Reve gepaard gaat aan een fantasie over vredige welvaart in het verleden. Ze zouden het misschien niet toegeven, maar onbewust moeten ze vermoed hebben dat de moraal pas na het vreten komt. Alleen wie geen materiële zorgen heeft, kan het zich veroorloven een goed mens te zijn. Waarmee niet gezegd is dat materiële overvloed automatisch tot een ethisch paradijs leidt.

In de oudheid was Hesiodos zeker niet de enige die een permanente neergang van de menselijke beschaving dacht waar te nemen. De mythe van de vier of vijf mensengeslachten lezen we ook bij Vergilius en Ovi dius, en de homerische held Nestor verveelt zijn aanzienlijk jongere strijdmakkers herhaaldelijk met opschepperij over de mannen uit zijn jeugd. Maar er zijn ook altijd optimistische geluiden geweest. Plato was misschien niet de meest vooruitstrevende denker die men zich kan voorstellen, hij geloofde wel degelijk dat de wereld verbeterd kon worden. Interessanter zijn de opvattingen van Epikouros, schitterend onder woorden gebracht in het leerdicht van Lucretius. Epikouros gaat uit van een chaotisch, uit atomen bestaand universum, waarin volstrekt toevallig de mens is ontstaan, die door een moeizaam proces van trial and error zijn weg heeft gevonden. Het enige wat de mens nog van een gelukkig leven scheidt, is zijn angst voor de dood en voor de goden, en het is de filosofie die hem daarvan kan verlossen.

Ook Vergilius gelooft, hoe somber hij van nature ook is, in een wederkomst van het Gouden Tijdperk, en wel heel spoedig. Onder de strakke leiding van keizer Augustus zullen materiële welvaart en moreel besef weer hersteld worden. Broers zullen elkaar niet meer treffen op het slagveld, boeren zullen niet meer van hun land verdreven worden, tempels worden opgeknapt en de literatuur zal bloeien. Een generatie later is dat optimisme echter verdwenen. In Rome worden boeken verbrand en de door en door cynische Ovidius wordt verbannen naar een achterlijke badplaats in Roemenië.

Het valt op dat in alle discussies die in de oudheid over vooruitgang of verval werden gevoerd, de jeugd geen speciale rol werd toegekend. Kleine kinderen golden als onvolledige mensen, meisjes trouwden zodra ze geslachtsrijp waren en jongens werden klaargestoomd voor hun latere functies. Subculturen van jongeren bestonden niet, laat staan dat opstandige pubers of adolescenten om verandering riepen. Voordat ze op dat idee konden komen, waren ze allang ingekapseld door het systeem.

Dat betekent echter niet dat er niet fundamenteel werd nagedacht over opvoeding en onderwijs. Hesiodos zou zijn leerdicht niet geschreven hebben als hij niet gedacht had dat het zinvol was kennis door te geven; Homeros’ epische gedichten werden nog eeuwen beschouwd als bron van waardevolle levenslessen. Griekse jongetjes leerden lezen en schrijven, worstelen en zingen, maar voortgezet en hoger onderwijs bestonden niet. Via de relaties van vader vond men zijn weg. De sociale mobiliteit was dan ook gering. Dat veranderde in de vijfde eeuw voor Christus, toen allerlei economische en sociale factoren in verschillende Griekse stadstaten democratiseringsbewegingen op gang brachten en rondreizende docenten, sofisten genaamd, tegen flinke bedragen cursussen welsprekendheid en dialectiek gingen aanbieden. Weliswaar moest je geld en tijd hebben om hiervan gebruik te kunnen maken, een aristocratische afkomst was niet langer een voorwaarde om invloed te verwerven.

Hoewel Sokrates en zijn deftige leerling Plato met lede ogen aanzagen hoe allerhande patjepeeërs de Atheense volksvergadering naar hun hand zetten, konden zij niet voorkomen dat de sofistische scholing uitgroeide tot een vorm van hoger onderwijs met een duidelijk herkenbaar curriculum. Plato en Aristoteles zetten er hun eigen scholen tegenover, zodat er vanaf de vierde eeuw ruwweg twee typen hoger onderwijs bestonden: aan de ene kant de vooral beschouwelijk ingestelde universiteiten van de filosofen, aan de andere kant de meer op maatschappelijk succes gerichte retorenscholen. Toen de democratisch bestuurde steden door koningen als Alexander waren ver overd, was er weliswaar geen behoefte meer aan vlammende politieke welsprekendheid, maar handhaafde de retorenschool zich als instituut dat fatsoenlijke burgers opleidde tot be schaafde Grieken, of ze nu in Alexandrië, Antiochië, Athene, Syracuse of Marseille woonden.

In de tweede eeuw voor Christus lijfden de Romeinen een groot deel van de Griekse wereld in bij hun rijk. Ze begrepen welke voordelen het Griekse onderwijs bood, maar, oerconservatief als ze waren, vreesden ze ook dat het hun voorvaderlijke normen en waarden zou kunnen ondermijnen. Met een typerende dubbele moraal werden Griekse filosofen en retoren naar Rome gehaald om de elite te onderrichten, in het Grieks welteverstaan, om te voorkomen dat ook het lagere volk er zijn voordeel mee zou doen. Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon, want Cicero (106-43), zelf een man die als eerste van zijn familie tot de hoogste ambten wist door te dringen (tot het laatst toe werd hij door zijn vijanden als parvenu gekarakteriseerd), pleitte onomwonden voor filosofisch en retorisch onderricht in het Latijn. Juist om te voorkomen dat de edele welsprekendheid zou worden bezoedeld door machtshongerig tuig achtte hij de koppeling tussen moraalfilosofie, poëzie, staatsrecht en retorica essentieel. Eenmaal tot de elite doorgedrongen zat hij er niet op te wachten dat anderen daarin eveneens zouden slagen.

Toen Augustus zijn dictatuur had gevestigd (27 v. Chr.) paste de cultuur zich aan. Filosofen, die in Rome altijd dichter bij de politiek hadden gestaan dan in Griekenland, trokken zich terug, de literatuur verstarde, maar de retorenscholen bloeiden als nooit tevoren. De gewijzigde politieke verhoudingen maakten een grotere sociale mobiliteit mogelijk, hoewel er van democratische instituties geen sprake meer was. De retorenschool bleek het middel om door te dringen tot bestuurlijke functies. Vanzelfsprekend was de training niet gericht op universele intellectuele vorming en open debatten, maar werden de studenten meesters in de vernietigende aanklacht, de gluiperige insinuatie, het flitsende praatje en de kruiperige lofzang.

Al gauw signaleert de vakliteratuur dat er met het onderwijs iets grondig mis is. De eerste die erover fulmineert is de vader van de filosoof Seneca, die op ruim negentigjarige leeftijd een serie boeken over beroemde redenaars publiceert. De jeugd van tegenwoordig, aldus Seneca senior, kan niets meer onthouden en probeert vooral snel te scoren met gewiekste oneliners. Een halve eeuw later maakt Quintilianus, hoogleraar welsprekendheid onder Vespasianus, Titus en Domitianus, zich nog steeds druk over dezelfde uitwassen. Op foute scholen worden de studenten getraind in effect bejag, zonder dat er een degelijke bodem van kennis en inzicht onder zit. In dezelfde tijd schrijft Tacitus een dialoog over het verval van de welsprekendheid, en ook het vermaarde Griekse tractaat Over het sublieme (overgeleverd op naam van Longinus) constateert dat de wansmaak regeert.

Dat deze vier schrijvers – en ze zijn niet de enige – geen reactionaire zuurpruimen waren, maar goeddeels gelijk hadden, is evident voor iedereen die kennisneemt van de literatuur van de eerste eeuw. Zelden is er meer kitsch geproduceerd dan in die periode. Belangrijker is echter de vraag hoe zij de neergang verklaarden en welke oplossing ze ervoor hadden. Om te beginnen: het ging hun niet om de welsprekendheid alleen, want die beschouwden zij slechts als symptomatisch voor wat er in de rest van de samenleving aan de hand was. De een na de ander wijt het verval van de retorica aan een algehele zedelijke verloedering, die op haar beurt wordt verklaard uit de ongehoorde toename van luxe in de afgelopen eeuw. Ik citeer Quintilianus: «We hebben de jongste kinderen meteen al verzwakt met genietingen. Die weke opvoeding die wij toegeeflijkheid noemen breekt alle spierkracht van lichaam en geest. Wat zal hij die in purperen pakjes rondkruipt, later als volwassene niet begeren? De eerste woordjes kan hij nog niet uitbrengen, maar ‹scharlakenverf› begrijpt hij al, en hij zeurt om peperdure kleertjes. Wij vormen hun smaakpapillen nog voordat hun tong kan spreken. (…) Onze vriendinnetjes, onze maîtresses zien zij; ieder diner galmt van onwelvoeglijke liedjes, dingen die te schandelijk zijn om over te praten kunnen zij aanschouwen. Hieruit ontstaat gewenning, daaruit karakter.» Longinus zegt het zo: «De geldhonger waaraan wij allemaal ziekelijk en onverzadelijk lijden, en de jacht naar genot maken slaven van ons.» Nadat de rijkdom en de weelde onze huizen zijn binnengedrongen, «worden hebzucht, ijdelheid en luxe geboren, rasechte kinderen van hun ouders. En laat je ook deze nakomelingen van de rijkdom de volwassenheid bereiken, dan duurt het niet lang of zij verwekken onverbiddelijke heersers in de ziel: zelfoverschatting, wetteloosheid en onbeschaamdheid.»

Met deze naar bigot conservatisme riekende tirade reageert Longinus op een verklaring die minstens zo plausibel is, namelijk dat de armoede van de literatuur veroorzaakt wordt door een gebrek aan democratische vrijheden. «De vrijheid, zo heet het, is in staat om de verbeelding van grote geesten te laten gedijen, hen aan te moedigen en tegelijk de eerzucht in hen te wekken om het tegen de ander op te nemen in wedijver om de eerste plaats.» Maar wij zijn van jongs af aan gewend aan een verdiende slavernij, hetgeen ons maakt tot niets meer dan «formidabele mooipraters». Ook Tacitus denkt dat het verval van de welsprekendheid te maken heeft met de politieke situatie. De retorica bloeit in perioden van politieke chaos: laten we blij zijn, lijkt hij te zeggen, dat een strenge keizer de orde handhaaft, dan nemen we het bedroevende peil van de retorica voor lief. In hoeverre Tacitus hier ironisch is, is al eeuwen onderwerp van wetenschappelijke discussie.

Anders dan Quintilianus en Longinus maakt Tacitus echter een rigoureus onderscheid tussen poëzie en de hogere literaire genres aan de ene, en welsprekendheid aan de andere kant. Dat de retorica ten prooi is gevallen aan baantjesjagers en ouders die hun kinderen zo snel mogelijk aan een diploma willen helpen, betekent niet dat er geen goede literatuur gemaakt zou kunnen worden. De ware dichter trekt zich terug op zijn landgoed om in de luwte aan grootse tragedies te kunnen werken. De voornaamste spreker in Tacitus’ dialoog, Maternus, bewijst met zijn Cato, een drama over radicaal verzet tegen de dictatuur van Caesar, dat ook poëzie maatschappelijk relevant, ja zelfs explosief kan zijn.

Tacitus’ snijdende faillietverklaring van de retorica had uiteraard geen enkel effect. Een vermogend senator kan het zich immers veroorloven in een otium cum dignitate meesterwerken te schrijven, de gewone man wil hogerop. Tot aan het eind van de oudheid bleef de structuur van het retorisch curriculum dan ook grotendeels ongewijzigd, totdat Goten, Vandalen, Franken en Longobarden het Romeinse rijk over namen. Als er ooit een onderwijssysteem is geweest dat op geen enkele manier inspeelde op de veranderende behoeften van zijn tijd, was het wel de klassieke retorenschool, die niet in de gaten had dat de wereld waaruit ze voortkwam, allang niet meer bestond.

Wat kunnen wij leren uit de pedagogische beschouwingen van de oudheid? In de eerste plaats dat de gedachte als zou de mensheid met iedere generatie dommer en slechter worden, al in de oudste westerse literatuur voorkomt, en daarna nooit is weggeweest. Tegelijkertijd – en dat wordt minder vaak gezien – waren er ook altijd optimisten die in vooruitgang geloofden. In de tweede plaats wordt vanaf de eerste eeuw voor Christus steevast verondersteld dat wansmaak en oppervlakkigheid het gevolg zijn van een slecht karakter, dat weer veroorzaakt wordt door overdreven luxe. Ook dat is een vermoeden dat we tegenwoordig vaak tegenkomen. Of er nu een kern van waarheid in schuilt of niet, zo gesteld is het in ieder geval een grove simplificatie. Natuurlijk is een groot deel van onze jongeren belachelijk vermogend en tot in de grond verwend, maar dat betekent niet dat ze geen gevoel voor het Ware, het Goede en het Schone zouden hebben.

In de derde plaats loont het de moeite die dialoog van Tacitus opnieuw te bestuderen. Een eerlijke samenleving, zo suggereert hij, bestaat bij de gratie van een open debat, dat gevoerd dient te worden door hoogopgeleide, welbespraakte mensen. Zulke mensen zijn er niet vanzelf, die moeten worden opgeleid door rechtschapen docenten die hun vak beheersen. Maar aangezien zo’n samenleving in Tacitus’ tijd niet meer bestond – en ook Tacitus vraagt zich af of die er überhaupt ooit geweest was – heeft het voor de meeste mensen weinig zin zich te bekwamen in iets wat ze niet nodig zullen hebben. Als je met een paar smerige trucjes een baan kunt krijgen, waarom zou je dan Euripides, Plato en Cicero gaan lezen?

Eén van de problemen van het huidige onderwijs is dat diepgang niet loont. Op scholen wordt weliswaar gedebatteerd, maar veelal aan de hand van voorgekauwde stellingen die iedere sukkel van het web kan plukken. Als je daarmee je examen kunt halen, waarom je dan verdiepen in de argumentatieleer die formeel verplicht is op havo en vwo? Bovendien, zelfs als je erin slaagt na grondige studie een maatschappelijk probleem uitputtend te analyseren, dan nog is de kans groot dat de vermaledijde instituties, de snelle jongens op de departementen, de mannen van de bonusregelingen of de fundamentalistische wereldleiders glim lachend al je argumenten terzijde schuiven. Wie het onderwijs wil hervormen, moet eerst de wereld veranderen, maar daarvoor moet je eerst het onderwijs hervormen.

Misschien is daarom, ook voor gefrustreerde jongeren met talent, de omweg van Maternus een optie. Trek je terug uit de ratrace en schep kunstwerken die er in hakken zonder expliciet te zijn, schrijf manifesten die dieper doordacht en poëtischer geformuleerd zijn dan de Europese grondwet, laat zien dat de wereld geen bedrijf is, maar een leerschool, een broedplaats of een atelier. En vergeet even dat Maternus door keizer Domitianus uit de weg werd geruimd.