Commentaar: Den Haag

Het gelijk van Van Aartsen

Het was op het eerste oog een zegen dat Jozias van Aartsen eens danig de oren werd gewassen door premier Kok. Wie hem onlangs over het gazon van het Witte Huis zag paraderen — borst vooruit, handen achter het lijf, helemaal het haantje — kon niet anders dan concluderen dat onze gewezen minister van Varkenszaken het veel te hoog in de bol heeft. Terwijl Kok tijdens hetzelfde bezoek aan Washington van Clinton te horen kreeg dat hij «de echte leider van de Derde Weg» is, bleef deze ingetogen en bescheiden, terwijl Van Aartsen er bijliep alsof de hele wereld in katzwijm aan zijn voeten lag. Nu zegt lichaamstaal natuurlijk niet alles, maar Van Aartsen is werkelijk een exceptioneel geval van Haagse hybris. Nu houdt de VVD er sinds jaar en dag de gewoonte op na wel heel curieuze zondagskinderen te selecteren voor Buitenlandse Zaken (wie herinnert zich nog het ijskonijn Stikker, of de bijna surrealistische Van der Klaauw?), maar zo bont als nu heeft men het nog niet eerder gemaakt.

Het was dan ook een regelrechte openbaring het verongelijkte gezicht van Van Aartsen te zien terwijl hij door Kok onbarmhartig werd afgebrand. Toch beklijft enkele dagen na de publieke tuchtiging iets van de notie dat hier onrecht is geschied. De vraag is namelijk of Van Aartsen inzake zijn gewraakte uitspraken over de coup van Kostunica bij hoge uitzondering het gelijk niet geheel aan zijn zijde had. Want waaruit bestaat de legitimatie van Kostunica nu eigenlijk? Uit zijn eigen — ongedocumenteerde dus oncontroleerbare — bewering dat hij de verkiezingen heeft gewonnen? Welk bewijs was er nu werkelijk dat deze zoon van een radicale cetnik, een politiek delinquent ten tijde van Tito bovendien, een absolute meerderheid had behaald?

Eigenlijk ontpopte Van Aartsen zich met zijn uitspraak dat de tegenstanders van Milosevic er toch het beste aan deden deel te nemen aan een tweede verkiezingsronde, bij hoge uitzondering eens als een ware democraat, een onvervalste legalist, die het zelfs aandurfde de willekeur van de straat te trotseren, hoe handig die voor de politieke agenda van de EU ook mocht uitkomen. Door zowel Joschka Fischer als Madeleine Albright in de gordijnen te jagen werd er eindelijk weer eens een eigen politieke lijn gevolgd in Den Haag. Dat hij juist daar zo hard voor is bestraft, laat — alle primaire leed vermaak ten spijt — toch een onbevredigend gevoel achter.