Hoofdcommentaar

Het gelijk van Wellink

Het plan om op de Waddenzee nu eindelijk naar gas te boren, heeft alle winden mee. Toen het tweede kabinet-Kok eind jaren negentig een beslissing moest nemen, waren er ogenschijnlijk weinig economische redenen om de ecologische argumenten opzij te schuiven. Olie was begin 1999 goedkoop (circa elf dollar per vat). Nog geen jaar later was de verhouding wat verstoord. De prijs van een vat steeg naar 25 dollar. Ecologische motieven werden navenant minder waard. Na de oorlog in Afghanistan ging het een beetje bergafwaarts met het zwarte goud. Maar nu zijn de verhoudingen pas echt zoek. Een vaatje kost veertig dollar. De regimes van olie-exporterende landen draaien zich in bed nog eens lekker om. De schatkist stroomt vol zonder dat ze er veel voor moeten doen.

De oorzaken? Het ligt aan de oorlog tegen terrorisme, die op 11 september 2001 is begonnen en de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië heeft verknald. Het ligt aan de oorlog in Irak, waar de olieproductie na één jaar bevrijding nog even laag is als tijdens het embargo tegen Saddam Hoessein. En het ligt uiteraard aan het onstuimige China dat met een economische groei van tien procent alle grondstoffenmarkten (van cement en staal tot olie en gas) over de kling jaagt, zich voorbereidt op een «harde landing» maar wel alle troeven in handen blijft houden. Die factoren laten zich niet in een handomdraai corrigeren. Integendeel, het kan nog erger worden. Bijvoorbeeld als de Amerikanen zich verder in het Iraakse moeras laten wegzuigen, het Saoedische koningshuis onder druk van moslimfundamentalisme omver tuimelt of de Chinese communistische partij het zo handig speelt dat de groei er niet verzuipt in inflatie.

De energiemarkt is daarom op drift. De handel speculeert op een zwart scenario, merendeels gebaseerd op het klassieke westerse referentiekader dat de (post)industriële wereld maar met één ding bezig is: met energie. Volgens Peter Odell, emeritus hoogleraar in Rotterdam en old hand uit de jaren zeventig, zijn al die licht hysterische analisten het spoor bijster. De oliekaart is ingewikkelder dan een simpel sommetje van vraag en aanbod. Dat maakt de toekomst overigens onheilspellender. Het is complete anarchie, aldus Odell vorige week in The Financial Times. De olieprijs kan alle kanten op. De markt gaat uit van een stijging, richting zestig dollar per vat, hetgeen een fnuikend effect zou hebben op de economische groei in grote delen van de wereld. De prijs kan ook in elkaar klappen. Stilletjes zijn de energiejunks in het Westen, die nu 37 procent van hun brandstoffen uit olielanden betrekken, hun verslaving aan het bestrijden. Gas wordt belangrijker, energiezuinige productie ook. Bovendien wordt de oliewinning in bijvoorbeeld Saoedi-Arabië steeds duurder. Het spuit er al lang niet meer voor een appel en een ei uit de grond. Dat is niet louter prettig. Als de prijs weer duikelt, gaan de olie-exporterende landen intern rotten, van het Arabisch schiereiland tot Siberië, en zijn de politieke gevolgen evenmin te overzien. Elke «weddenschap» is bloedlink, aldus Odell.

Wat de politici niet durven toegeven, weet de markt namelijk wel. In Irak draait het allereerst om olie, de rest is cosmetica. Iedereen zal uiteindelijk dan ook mee betalen aan die zompige oorlog in het hart van de oliewereld.

President Wellink van De Nederlandsche Bank voorspelde dat reeds in maart 2003 in De Groene Amsterdammer. Terugblikkend op de financiering van de Vietnamoorlog zei hij over de op handen zijnde invasie van Irak: «Stel dat de oorlogs inspanningen op de lange duur de middelen van de Amerikaanse economie te boven gaan: dan gaat het niet goed. De eerste tekenen zie je al. Het tekort op de betalingsbalans tendeert naar een procent of vijf. En dan hebben we nog niet eens de echte oorlogscijfers tot onze beschikking.» Hetgeen nu gebeurt. Niet alleen de begroting van de Verenigde Staten is uit het lood en blijft dat de komende jaren, de anarchie op de energiemarkt zal daar nog een schepje bovenop doen.

Je zou zeggen: reden om de publieke discussie in Nederland over de betrokkenheid bij de oorlog op te luisteren met koele cijfers. Als er op de overheidsuitgaven moet worden bezuinigd, gebeurt dat tenslotte ook met een aan plezier grenzend genoegen.

Helaas. Niets van dat al. Regering en parlement spreken vooral in morele termen over de Hollandse bijdrage aan de pacificatie van Irak. Gecompliceerd is de moraal van het verhaal inderdaad. Weggaan is de deur daar openzetten voor een puinhoop waarin het islamisme pleegt te gedijen. Blijven is de deur hier opengooien voor chaos en sociaal-economische onrust. Het kabinet-Balkenende kiest voor het laatste, gokkend op een nieuwe rol van de Verenigde Naties. Omdat vooralsnog niets daarop wijst, zal de regering dankzij haar solidari teit met het Amerikaanse beleid (inclusief bijbehorende verhoorpraktijken) komende maand haar alibi’s kwijtraken. De oppositie heeft ook geen koers. Sommige politici vinden de tijd rijp voor «inpakken en wegwezen». Andere laten hun beslissing afhangen van de VN — wier interventie een conditio sine qua non moet zijn — en speculeren dus op tijd.

Deze onmaterialistische benadering is ontroerend. Al klinkt ze uit de mond van de VVD pijnlijk ongeloofwaardig. Die partij tamboereert immers sinds het bewind van Bolkestein op een buitenlands beleid dat zich primair laat leiden door nationale belangen. Maar het zou consistenter zijn als de re gering ook in haar buitenlandse politiek aan het rekenen sloeg.

Eerst de kosten en baten vaststellen van de Nederlandse steun voor de oorlog in Irak en dan pas beslissen over de Waddenzee. Het is een kwestie van eerlijkheid. Of, in de termen van de premier: «Fatsoen moet je doen».