Goudkoorts als motie van wantrouwen

Het geloof in een klomp

Langzaam dringt de wereldwijde goudkoorts tot Nederland door. Een reeks recente boeken van ‘goldbugs’ en ‘inflationistas’ waarschuwt voor de nakende financiële zondvloed. De oplossing? Goud! Kopen! Nu!

Wat had Karl Marx gemeen met liberale economen als David Ricardo? Waarin zag rijkskanselier Otto von Bismarck zich verenigd met een staatsgevaarlijk socialist als Ferdinand Lassalle? Welke voorkeur deelden uiteenlopende politici als Mussolini, Lenin en Churchill?

Allemaal hingen ze de gouden standaard aan. Tot in de twintigste eeuw was er weinig vanzelfsprekender dan dat betrouwbaar geld gekoppeld moest zijn aan fysiek goud. Twee wereldoorlogen en de Grote Depressie maakten daar een einde aan. ‘Er glijdt een enorme last van ons af’, zei John Maynard Keynes in 1931 nadat bekend was geworden dat Groot-Brittannië de gouden wisselstandaard verliet. Nooit moesten zakenlieden, ondernemers en werklozen zich terug laten stoppen in die ‘gouden kooi’. Sindsdien geldt ‘goud’ algemeen als een, om nogmaals met Keynes te spreken, ‘barbaars relikwie’. Wie daarin gelooft, is niet goed snik. Zoals belegger en multimiljardair Warren Buffett eens zei: ‘Het wordt in Afrika of ergens anders uit de grond gehaald. Dan smelten we het, begraven het weer en betalen mensen om het te bewaken. Het heeft geen nut. Iedere waarnemer van Mars zou zich op het hoofd krabben.’

Als dat zo is, zou diezelfde Marsbewoner de afgelopen jaren om de haverklap steil achterover zijn geslagen van verbazing. Bijvoorbeeld bij het aanschouwen van de oerconservatieve Amerikaanse commentator Glenn Beck. In zijn populaire televisieshow waarschuwde hij, schuilend in een gouden deuropening, voor een ‘economische aardbeving’. Beck raadde zijn kijkers voor dat geval aan om terug te grijpen op de heilige drie-eenheid van elke rechtschapen Amerikaan: ‘Gold, God and Guns.’

Hoe knotsgek ook, met zijn voorliefde voor goud staat een uiterst rechtse complotdenker als Beck niet langer alleen. Een luidruchtige subcultuur van conservatieve politici, beleggers en economen uit de hoek van de zogenoemde ‘Oostenrijkse school’ van Ludwig von Mises en Friedrich Hayek ziet het edelmetaal als dé oplossing voor alle economische problemen. Zij voelen zich gesterkt in die overtuiging door uiteenlopende ontwikkelingen, van de vele stemmen die goldbug Ron Paul ontving in de race om de Republikeinse presidentskandidatuur tot de recente goudaankopen van opkomende landen als China en India. En natuurlijk, niet te vergeten, de razendsnel gestegen goudprijs.

Zo hoog als in de Verenigde Staten of Duitsland loopt de goudkoorts in Nederland niet op. Toch begint ook hier de temperatuur te stijgen. Sinds het begin van de crisis in 2008 zijn de kraampjes en winkels van goudhandelaren onderdeel van het straatbeeld geworden. Op internetsites en blogs roert een kleine maar zeer fanatieke groep goudaanhangers zich. Langzaam maar zeker sijpelt hun wereldbeeld door naar het publieke debat – en de schappen van de boekhandels.

‘De kapitalismekritiek van een zwijgende minderheid’, noemde het Duitse weekblad Die Zeit de vlucht in goud. Die kwalificatie treft ook Nederland. Zo begint de Tilburgse econoom Edin Mujagic zijn onlangs verschenen boek Geldmoord: Hoe de centrale banken ons geld vernietigen met een veelgehoorde klacht: ‘Vroeger was één inkomen ruimschoots voldoende voor een gezin met twee kinderen, maar tegenwoordig is in een gezin met één inkomen het geld vaak al op voordat de maand om is.’ Hoe kan dat? Waarom lijken, populair gezegd, de boodschappen steeds duurder te worden?

De reden, laat Mujagic zien, is geldontwaarding. Uit historisch economisch onderzoek blijkt dat de koopkracht van het geld eeuwenlang stabiel is geweest. Een Nederlander kon rond 1800 met één gulden hetzelfde kopen als in 1450. Dat kwam doordat het geld gekoppeld was aan goud en zilver. De waarde van die zeldzame edelmetalen fluctueert nauwelijks. Maar een eeuw geleden schoot de inflatie plotseling omhoog. Sindsdien is ons geld almaar minder waard geworden. Gemiddeld met tien procent per jaar, aldus Mujagic, ‘met regelmatige periodes van hyperinflatie’.

Dat is geen natuurramp. Mujagic laat er geen twijfel over bestaan wier schuld dit is: de centrale banken. Door almaar meer geld in het systeem te pompen hebben zij de afgelopen eeuw doelbewust inflatie nagejaagd. Daardoor namen de immense schulden van hun overheden automatisch af. En de burger had ten onrechte het idee dat hij steeds rijker werd. ‘Centrale banken pleegden een brutale moord op ons geld, maar strooiden iedereen zand in de ogen door geld lenen decennialang spotgoedkoop te houden en daarmee de aandelenkoersen en huizenprijzen tot in de hemel te duwen. Het gevolg was dat de bevolking in het Westen collectief dronken en bedwelmd was en daardoor de werkelijkheid niet meer zag.’

Dat leek lange tijd goed te gaan. Tot er op de Amerikaanse huizenmarkt problemen ­ontstonden met slechte hypotheken. De paniek sloeg over naar de banken en van daaruit naar de rest van de economie. De grootste crisis sinds de jaren dertig was een feit. Met dank aan de centrale banken en de door hen gecreëerde geldbubbel, aldus Mujagic. Dat stemt weinig hoopvol voor de toekomst. Want in plaats van de geldbubbel leeg te laten lopen, zien de centrale banken zich gedwongen er nog een schepje bovenop te doen. Met grootschalige ­opkoopprogramma’s van staatsschulden zetten zij, zoals dat dan heet, ‘de geldpers aan’. Het risico wordt verder versterkt door de ­waarschuwing van het Internationaal Monetair Fonds (imf) voor een ‘valuta-oorlog’. Daarin probeert ieder land de koers van de eigen munteenheid zo laag ­mogelijk te houden. Zo wordt de export ­goedkoper, en kan de economie weer groeien.

Deze strategie heeft het voor overheden prettige neveneffect dat zij een deel van hun immense schuldenberg kunnen ‘weginflateren’. En wie betaalt die rekening? Mujagic benadrukt het keer op keer: de gewone, hard sparende Nederlander. Gelukkig voor hem zijn er mogelijkheden om deze dreigende onteigening te stoppen. In navolging van Milton Friedman pleit Mujagic ervoor om de macht van de centrale banken te beknotten. Het liefst zou hij Klaas Knot vervangen door een computer. Die doet vervolgens niets anders dan de geldhoeveelheid elk jaar met een bescheiden, vooraf vastgesteld percentage te vergroten. ‘De bijbehorende rente bepaalt de markt dan zelf.’ Om het monetaire stelsel extra geloofwaardigheid te verschaffen, ziet hij ook een rol weggelegd voor goud.

Andere auteurs leggen daar veel meer nadruk op. Zo begint journalist, publicist en sinds enkele jaren ook handelaar in goud Willem Middelkoop zijn nieuwe boek Goud en het geheim van geld met een citaat uit 1966 van Alan Greenspan, de latere voorzitter van de door goldbugs verfoeide Federal Reserve: ‘Overbesteding is louter een programma voor de confiscatie van bezittingen. Goud staat dit verderfelijke proces in de weg. Het fungeert als bescherming van eigendomsrechten. Als je dit begrijpt, begrijp je ook waarom de aanhangers van de verzorgingsstaat zo tegen de gouden standaard ageren.’ Een ongedekt geldstelsel, waarin goud dus geen rol speelt, is al meer dan 250 keer uitgeprobeerd en mislukt, schrijft Middelkoop. Waarom zou het deze keer wél goed gaan? De oplossing ligt volgens hem dan ook voor de hand: stap in goud. Vroeg of laat zullen overheden hetzelfde moeten doen.

Goud is wel eens vergeleken met een motie van wantrouwen tegen het economisch systeem. Dat spat bij Middelkoop van de bladzijden af. Zijn boek, opgebouwd aan de hand van 94 vragen, bevat hier en daar aardige historische weet­jes over de geschiedenis van geld en goud. Maar dat wordt overschaduwd door de achterdochtige toon, soms ontaardend in regelrecht complotdenken. ‘Toen ik een professor monetaire economie ooit vroeg of ik als toehoorder aanwezig mocht zijn bij een van zijn colleges, antwoordde hij dat dit onmogelijk was’, schrijft Middelkoop bijvoorbeeld. Om direct te concluderen: ‘Outsiders mogen blijkbaar niet de details te horen krijgen.’ Elders schrijft hij: ‘Wat weinig mensen weten is dat de aandeelhouders van de Fed aanzienlijke belangen hebben in de media. (…) Het kan haast geen toeval zijn dat er in de pers dan ook nauwelijks kritiek op de Fed te bespeuren is.’ Het komt blijkbaar niet bij de goudhandelaar Middelkoop op dat je, met eenzelfde vorm van guilty by investment, zijn eigen pleidooi kunt diskwalificeren.

Van zulk samenzweringsdenken distantieert Mujagic zich nadrukkelijk. In plaats daarvan verliest hij zich regelmatig in gezwollen, alarmistische vergelijkingen waar Geert Wilders nog een puntje aan kan zuigen. De centrale bankiers, ‘kruisvaarders tegen deflatie’, voeren sinds een eeuw een heuse ‘geldmoordoperatie’ uit. Onder hun invloed is de wereld afgeslagen richting ‘Inflatiestan’. Helemaal bont maakt Mujagic het als hij, in navolging van ‘genocide’ en ‘urbicide’, van ‘geldicide’ spreekt. Of beter: ‘pecunicide’. Opgegroeid in Bosnië-Herzegovina betrekt Mujagic ook zijn eigen achtergrond erbij. ‘Ik heb de pech gehad zowel genocide – volkerenmoord – als urbicide en geldmoord mee te hebben gemaakt’, schrijft hij, doelend op de hyperinflatie vlak voor en tijdens de oorlogen in voormalig Joegoslavië.

Tel daarbij op de soms belabberde onderbouwing (Mujagic gebruikt geen voetnoten; Middelkoop verwijst vooral naar websites en blogs van gelijkgestemden) en je krijgt sterk de indruk dat de goudliefhebbers voor eigen parochie preken. Inderdaad: een subcultuur. Een prettige uitzondering daarop vormt De geldbubbel: Hoe overheden en banken ons spaargeld hebben verkwanseld van Sander Boon. De politicoloog Boon werkte voor liberale denktanks, assisteerde Willem Middelkoop bij zijn bestseller Als de dollar valt (2007) en is nu consultant. Weliswaar laat ook hij lang niet altijd zien waar zijn informatie vandaan komt, maar hij doet in elk geval zijn best een nuchtere, redelijk doortimmerde monetaire geschiedenis neer te zetten.

Ons geld, concludeert Boon, is de afgelopen eeuw steeds ‘zachter’ geworden. ‘Goud transformeerde naar papiergeld, papiergeld veranderde in elektronisch geld, uitgegeven en beheerd door centrale banken. En vanaf het moment dat commerciële banken vrijwel onbeperkt krediet mochten verlenen en dit krediet mocht worden verhandeld als echt geld, werd de geldcreatie overgenomen door commerciële banken.’ Dat laatste is een belangrijke aanvulling op Mujagic. Die ziet in zijn boek de geldcreatie in het commerciële bankwezen, bovenal het schaduw­bankieren, grotendeels over het hoofd. Voor hem zijn de centrale banken het alfa en omega van alles wat mis is in de wereld: van vrijhandel en antiglobalisering tot de crisis van de democratie en de opkomst van het populisme. Boon maakt die fout niet. ‘Anno 2012 bestaat 97 procent van het in het Westen circulerende geld uit door commerciële banken in omloop gebracht krediet’, schrijft hij. Alleen de centrale banken aanpakken zet zo bezien weinig zoden aan de dijk. Het probleem zit dieper. De deregulering van de financiële sector heeft het zelfs mogelijk gemaakt dat schulden, denk aan Amerikaanse obligaties, op hun beurt weer als ‘veilig’ onderpand dienen voor nieuwe schulden. Zo ontstaan ellenlange ‘kredietketens’. En een desastreuze geldbubbel.

Interessant genoeg heerst er over die lezing van de crisis – er is te veel geld in het systeem gepompt, waardoor we op de pof zijn gegroeid – weinig onenigheid. Bijna net zo weinig als over de gouden standaard in de tijd van Marx en Ricardo. Heel anders ligt het als het over het waaróm van die geldbubbel gaat. Laat staan dat er overeenstemming bestaat over de weg uit de crisis.

Over die eerste vraag verschillen zelfs de ‘inflationistas’ van mening. Mujagic geeft zoals gezegd de centrale banken de schuld; zij creëren in opdracht van de politiek inflatie, om de schuldenberg weg te doen smelten. Middelkoop legt het accent meer op de Amerikaanse geopolitieke belangen, de positie van de dollar als wereld­reservemunt en de mondiale onevenwichtig­heden waar de enorme Amerikaanse import toe heeft geleid. Boon wijst big government aan als boosdoener. Hij legt een direct verband tussen de schuldeneconomie en de financiering van de opbouw van de welvaartsstaat in Europa.

Maar de ‘financialisering’, het sterk toegenomen gewicht van de financiële sector in onze economie, is iets van de jaren tachtig. De welvaartsstaat was toen al opgebouwd. Sterker nog: op hetzelfde moment als de geldbubbel ontstond, begonnen Thatcher en Lubbers sociale voorzieningen en uitkeringen te versoberen. Je zou dan ook net zo goed een heel andere ontstaansgeschiedenis van de geldbubbel kunnen vertellen. Was het doe-het-zelf-keynesianisme, waarin burgers en bedrijven met geleend geld de economie draaiende hielden, bijvoorbeeld niet het logische gevolg van het liberale offensief dat die welvaartsstaat inperkte en de lonen matigde? Een slinkse manier om de scherpste kantjes van dit beleid te slijpen? Of om de globale overproductie af te romen?

Over hoe deze crisis op te lossen lopen de meningen zo mogelijk nog verder uiteen. Van alle recepten die genoemd worden heeft een terugkeer naar een grotere rol van goud, zoals de gouden standaard, zeker niet de beste papieren. Een veelgehoord bezwaar is historisch. Anders dan de goldbugs suggereren, was het tijdperk van de gouden standaard niet vrij van crises. Ook toen was er op gezette tijden een financiële zeepbel, een bankrun, verstrekten banken overvloedige kredieten en namen ze soms te veel risico’s. De gouden standaard maakte het samenlevingen bovendien onmogelijk de gevolgen van de zo ontstane crises te dempen. De grillen van de conjunctuur troffen de mensen daarom snoeihard. Bij de minste tegenwind kwamen werknemers massaal op straat te staan en leden gezinnen honger. Los daarvan ging de gouden standaard moeilijk samen met een snelle expansie van handel en industrie. De hoeveelheid goud lag immers grotendeels vast.

Buiten de geschiedenis pleit er nog iets anders tegen een terugkeer naar goud: het heden. Er zijn uiteraard meer dan genoeg redenen te bedenken waarom de inflatie, zoals Mujagic, Middelkoop en Boon betogen, gierend uit de bocht gaat vliegen. Maar feit is en blijft dat die hyperinflatie vooralsnog in geen velden of wegen te bekennen is. Tekenend zijn de telkens opschuivende voorspellingen. Econoom Lex Hoogduin voorzag de inflatie al enkele jaren geleden, en volgens het vorige boek van Mujagic, Het inflatiespook (2010), zou het op dit moment uit de klauwen moeten lopen. Inmiddels houdt hij het op ‘half 2013/begin 2014’.

Hij moet wel. Economen als Mujagic hangen immers de theorie aan dat als de geldhoeveelheid toeneemt, de prijzen na enige tijd automatisch stijgen. Maar het probleem is dat het geld dat de centrale banken in het systeem pompen nu al meerdere jaren lang nauwelijks doorsijpelt naar de reële economie. Bedrijven klagen dat ze nauwelijks geld kunnen lenen bij banken. Dit is de zogenaamde ‘liquidity trap’. Zolang die er is, vindt er geen noemenswaardige geldontwaarding plaats. Bovendien zijn er ook tegengestelde trends aan te wijzen die de inflatie juist kunnen afremmen. Zowel huishoudens (hypotheken) als banken (strengere kapitaaleisen) proberen op dit moment massaal te ontschulden. Op die manier ‘verdwijnt’ er als het ware weer geld uit de economie.

Aan zulke bezwaren maakt Mujagic weinig woorden vuil. Dat is uiteindelijk misschien wel het grootste probleem met de goldbugs en inflationistas: hun monomanie. Ze zijn zo gefocust op inflatie en goud dat ze weinig oog hebben voor de rest van de werkelijkheid. Alleen binnen zo’n frame kun je, zoals Mujagic doet in zijn boek, het einde van de hongerlonen in de Chinese industrie niet beschouwen als een vooruitgang, maar een bedreiging: straks gaan de prijzen bij ons in de winkel stijgen! Inderdaad, als iedereen arm is, is er ook geen inflatie.

Alan Greenspan heeft goud de kanarie in de kolenmijn genoemd. Die nuttige rol van alarmbel vervullen ook de Nederlandse goudhaantjes met verve. Ze wijzen luid en duidelijk – iets te vaak, maar dat zij ze vergeven – op het bestaan van een geldbubbel. Maar verwacht van die kanarie geen gedetailleerde verklaring van hoe dat gas kon vrijkomen. Laat staan een plan over hoe de mijn straks weer opgebouwd moet worden.