Het geluk van een zoele zomer

‘Geluk? Daarover hoor je niet te spreken. Een woord te veel en het is lachwekkend. Twee woorden en het is verdwenen, weg.’ H.M. van den Brink laat het zijn hoofdfiguur denken, en toch gaat zijn novelle precies daarover, over geluk. Het geluk van twee jongens die tijdens een zoele zomer in een slanke roeiboot varen over de rivier die de stad doorsnijdt. Die eerst onhandig met hun ledematen en roeispanen worstelen, maar na maanden verbeten oefenen zo nu en dan het geluk smaken van vanzelfsprekend samenspel, van woordloze harmonie, van ‘de natuurlijke staat der dingen’. Die kampioenen worden.

Natuurlijk gaat Over het water niet alleen over geluk. Of misschien moet je zeggen: het gaat over geluk dat verleden tijd is en juist daardoor kan er over gesproken worden. Het geluk is een mooi glinsterend ding geworden dat je kunt vastpakken en voorzichtig van alle kanten bekijken. Het is voorgoed voorbij. ‘Zelfs als aan deze winter ooit een eind komt, zal het nooit meer zomer mogen worden’, denkt de ik-figuur. 'Niemand mag meer gelukkig zijn.’
Aan het begin van de novelle staat de ik-figuur op de spekgladde steiger voor het botenhuis. Het is winter en het sneeuwt. De vensters van de stad zijn verduisterd, er rijden geen trams meer, de straten zijn boomloos. Van het botenhuis is bijna niets meer over. Er gaan vliegtuigen door de lucht, die over de stad, de polders, heide en boerderijen heen op weg zijn naar een bestemming in het oosten. Het wordt nergens expliciet genoemd, maar je kunt uit de beschrijving opmaken dat het de laatste winter van de oorlog is.
Het is een mooi procédé dat in de hele novelle wordt toegepast. De sensatie van het roeien, het spannen van de spieren, de manier waarop de bladen van de spanen het water in gaan, de pijn van het roeien door de vermoeidheid heen - het wordt allemaal heel gedetailleerd beschreven. Plaats en tijd daarentegen worden vaag aangeduid. Ze vormen het impliciete decor waartegen het drama zich afspeelt. En ook het drama laat zich alleen tussen de regels door lezen; nergens wordt het expliciet gemaakt.
Over het water speelt zich in feite af tijdens die ijskoude nacht op de steiger. De ik-figuur beleeft in een lange monologue intérieur de gelukkige zomer van weleer en mijmert over zijn verbondenheid met het water. Telkens wordt er heen en weer gesprongen in de tijd. De gelukkige zomer was, zo kun je als lezer reconstrueren, de zomer van 1939. De ik-figuur, Anton, en David, zijn maat in de dubbeltwee zonder stuurman, zijn zeventien jaar oud. Ze zijn door Schneiderhahn, een mysterieuze Duitser die in de stad in een hotel woont, uitverkoren om kampioenen te worden. Hij geeft ze aanwijzingen vanaf de wal, hij bestookt ze met ingewikkelde trainingsschema’s in gotisch schrift.
Het geluk bestaat niet alleen uit de stralende warmte en de momenten waarop de twee lichamen in de roeiboot zich verenigen, één worden. Het moment waarop niet het hoofd voorschrijft wat het lichaam moet doen, maar waarop het lichaam vanzelf handelt en met gelukzalige perfectie de ingewikkelde bewegingen uitvoert. Voor Anton betekent de zomer van 1939 ook een ontsnapping uit de wereld zoals die voor hem klaarligt. Hij is van eenvoudige komaf. Zijn ouders wonen in een nieuwbouwwijk die door de bevoogdende patriarchen van de stad voor het volk is gepland. Zo'n wijk met een geometrisch stratenplan, met solide huizen waarvan de ramen nauwelijks groter zijn dan schietgaten en een indeling die zo dwingend is dat 'er nog geen stoel op een plek geplaatst kon worden die door de bestuurders maatschappelijk onverantwoord werd geacht, laat staan een tafel of een bank’.
Als er iets tekenend is voor zijn ouderlijk huis, is het stilstand. Zijn ouders zijn stille mensen die aan geen enkel sociaal leven deelnemen. Teruggetrokken gaan ze hun bangelijke gang. Zijn vader werkt in de tramremise, de plek waar de trams na een bedrijvige dag tot stilstand komen. Voor hemzelf is na school ook een stil leven uitgetekend op kantoor. En dan haalt hij zich opeens iets ongewoons in het hoofd: hij wil lid worden van de roeivereniging. Tussen de hoge heren en jongens als David die 'bij hun geboorte niet alleen een leven, maar meteen ook de hele wereld cadeau hebben gekregen’ voelt hij zich natuurlijk een buitenstaander. Anton is niet meer dan 'een gast in het grote gezelschap’. Maar het water leert hem wat het is om te bewegen en dat bewegen leven is. Water, roeien, het is voelen dat je bezig bent met leven.
Natuurlijk is Schneiderhahn ook een buitenstaander. Hoe warm het ook is die zomer, hij heeft altijd zijn lange regenjas aan. In zijn hotel is hij omringd door geheimzinnige boeken vol onleesbare gotische letters. Als zijn jongens een wedstrijd hebben gewonnen en het clubhuis vol mensen is, staat hij achteraf, een glas cognac in de hand. Hij is 'iemand die verdwaald is’, net als Anton. Misschien dat juist buitenstaanders het geluk goed kunnen proeven.
Maar het impliciete drama is dat David, voor wie de chique roeivereniging een natuurlijke biotoop is, van wie de hele wereld is, later waarschijnlijk een noodgedwongen buitenstaander is. David hoeft niet naar kantoor, David mag na het gymnasium gaan studeren. Of hij dat ook gaat doen wordt niet verteld. Tussen de zomer van 1939 en de koude nacht op de steiger in de hongerwinter gaapt een groot gat waar niets over wordt verteld. Je weet alleen dat de laatste wedstrijd die gelukkige zomer om het kampioenschap van Nederland ging en dat de jongens zich zouden voorbereiden op de Olympische Spelen in Helsinki, het land van de duizend meren. Met die Spelen is het niets geworden.
Het wordt nergens uitgesproken, maar de neerslachtigheid van Anton is zo groot dat je gaat denken dat er meer aan de hand is dan de gefnuikte droom van de Spelen en een ellendige oorlogstijd. Eigenlijk is de novelle te subtiel om het te expliciteren en het klinkt veel te plat, maar toch: David met zijn donkere krullen wachtte waarschijnlijk nog een heel ander lot in de oorlog. Die zomer in de smalle boot was er geen verschil tussen alleen en samen, denkt Anton. 'Hij was mijn spiegelbeeld en ik het zijne.’ Er is dan meer aan de hand dan verloren geluk en verloren jeugd en onschuld. Met David is ook een stuk van Anton zelf verdwenen in de oorlog.