© Koen van Weel / ANP

Om het cliché te vermijden dat de wedstrijd een stammenstrijd bleek, zeker voor de Nederlandse en de Argentijnse kijkers, haal ik de Britse fenomenoloog en Levinas-kenner Simon Critchley aan. Die schreef in het boekje What We Think About When We Think About Football (2017) dat een voetbalwedstrijd een ‘theater van identiteit’ is. Hij noemt familie, stam, stad, natie.

‘Het is de presentatie van identiteit in zijn altijd draaiende, gecompliceerde, instortende en dubbelgevouwen vormen. Voetbal is het theater van de differentiatie van identiteit.’

Tot uw dienst, tot zover – clichématige gedachten kunnen mooi worden verwoord. Maar dan. Eerst komt de Levinas-kenner nog met enkele zinnen drama en de krachten van het lot. Daarna concludeert hij: ‘Het is dit noodlottige drama waaraan we ons vrijelijk onderwerpen bij het kijken naar een wedstrijd.’

Daaraan moest ik denken tijdens de kwartfinale van het WK, Argentinië tegen Nederland, die eindigde in 2-2, waarna Argentinië de strafschoppenserie won. Wel, tot halverwege de tweede helft dacht ik er helemaal niet aan. Er was noodlot, natuurlijk, maar geen drama. Oranje, mijn stam, leek af te stevenen op een roemloze aftocht. Roemloos, juist door het gebrek aan drama. Het maakte dat je je, als fan, zat te verbijten. De kritiek zwol – en ik was vast de enige niet – op spelers die het wonder hadden moeten laten voltrekken, maar dat kennelijk niet konden. (Ze verdomden het, dacht een ieder onwillekeurig, hoe belachelijk zo’n gedachte ook is.)

En toen voltrok zich iets wat voetbalverslaggevers graag ‘het wonder’ noemen. In feite vormt het de kern in de aantrekkelijkheid van deze specifieke sport, voetbal.

De Noorse wetenschapper Sigmund Loland schreef eens dat de onweerstaanbare aantrekkingskracht van voetbal niet in de schoonheid van het spel ligt (de gedachte!) maar in iets wat hij noemt ‘de zoete spanning van de onzekerheid van de uitkomst’. En zo is het. Het is allemaal knudde en opeens sta je te schreeuwen en te juichen in de huiskamer. Dan zie je zelfs in een wappie als Wout Weghorst de trekken van een verlosser.

Critchley, de Levinas-kenner, schrijft dat zijn religieuze toewijding zich beperkt tot het voetbal, of eigenlijk: tot Liverpool, de club die hij volgt en steunt. Verder laat hij geen religie toe in zijn leven. Dat klinkt als een obligate bewering – in een boekje dat daar overigens vol mee staat. Het is ook vrij gewoon, natuurlijk. Minder gewoon is wat afgelopen week naar buiten kwam. Dat de voetballers van Oranje, zelf objecten van religieuze toewijding in een seculiere samenleving, zich wel tot de Heer wenden, en Jezus Christus. Zeker 11 van de 26 spelers van het team komen voor iedere wedstrijd bijeen in een kamer van het hotel in Doha, om te bidden. Ook praten ze regelmatig met elkaar over het geloof. Memphis Depay, zo viel dit weekeinde in NRC te lezen, gaat meestal voor in het gebed. En ook naar Gakpo wordt geluisterd, de speler van PSV die kerk gaat bij de evangelische ‘Levende Steen-gemeente’ in Roermond.

Jurriën Timber post voor iedere wedstrijd een bijbelvers op sociale media.

Ze doen het, zo schreef een verslaggever van de Volkskrant, vooral om rust in hun hoofd te krijgen. En eigenlijk bidden ze en verdiepen ze zich in het geloof, zo viel te horen in een tv-interviewtje met de speler Denzel Dumfries, om van ons af te zijn, wij volgelingen van voetbal, religieuze fanatici. Dat Memphis Depay zijn vingers in zijn oren stopt na een doelpunt, terwijl hij naar boven kijkt, is om ons te laten weten: ik hoor jullie niet, alleen Hem.

Zo bewaart hij de rust.

Het lastige is: rust helpt geen wedstrijden winnen. In het eerste uur van de wedstrijd zat de sereniteit iedereen dwars, fans en spelers. In lamme tamheid kwam Oranje met 0-2 achter. Daarna kwam de drieste Wout Weghorst erin – een van de spelers die meedoet aan de religieuze sessies geïnitieerd door Cody Gakpo. Met gebruik van eerst zijn hoofd bracht hij ons het hoofd op hol.

Uiteindelijk deed Weghorst iets wat pubquizzen zal halen tot in lengte van jaren: in twintig minuten scoorde hij even vaak als in twintig wedstrijden die hij voor het Britse Burnley speelde.

Zijn gelovige spelers succesvoller dan ongelovige spelers? Ik weet het niet, al wordt er in de VS geregeld onderzoek naar gedaan. Tegelijk begrijp ik, met Critchley, dat onze sportbeleving religieus van aard is. Niet voor niets geschiedde het bouwen van de stadions in Qatar met een fanatisme – en een minachting voor het menselijk leven – dat vergelijkbaar is met de bouw van kathedralen in middeleeuws Frankrijk. Begrijpelijk is eveneens dat de fans van voetbalclub Napels een volstrekt ernstig verzoek bij het Vaticaan hebben ingediend tot zaligverklaring van Maradona – God openbaarde zich immers in de wonderen die deze Argentijn bij leven verrichtte op een voetbalveld.

Hier vertel ik niets nieuws mee, ik weet het. Maar de religiositeit van de voetballers zelf biedt volgens mij wel nieuw, of in ieder geval beter inzicht in de essentie van het voetballen, en vooral: het aantrekkelijk maken van de sport. Die ligt in het ongewisse. Spelers zoeken steun in de bijbel en in een kerk als de Levende Steen-kerk in Roermond om juist enige grip te krijgen op de onvoorspelbaarheid in hun beroep, op de grilligheid. Zekerheid vinden in Jezus.

De wedstrijd kan alle kanten op, met grote gevolgen in lof en kritiek. De bijbelteksten blijven hetzelfde.

In dit blog doet De Groene komende weken verslag van het WK in Qatar – verslag van mensenrechten, misstanden, het mediacircus en misschien soms voetbal.