Essay: Engelse filosofen als grutters in denken

Het gelukkige lijden der kruideniersfilosofen

Wittgenstein twijfelde aan de toerekeningsvatbaarheid van George Moore. Nietzsche hekelde de kruideniersfilosofie» van Herbert Spencer. De Britse filosofie heeft nooit echt hoog aangeschreven gestaan. «Common sense»-denken, van eminent belang om de doorsneemens van het grootst mogelijke geluk te voorzien, is vooral veel «common», en weinig «sense».

Een Europadebat in The House of Lords, ergens begin 1997. Buiten is het etenstijd, binnen verrijst de Earl of Onslow voor een oorlogsverklaring: «Wij, staande in de traditie van John Locke, Adam Smith en de vrijheid van het subject, wij zijn in strijd met de erfgenamen van Rousseau, Nietzsche en Colbert.» Instemmend gemompel. Hoewel hij geen democratisch gekozen volksvertegenwoordiger is en de door hem opgesomde namen waarschijnlijk niet bij iedere kiesgerechtigde direct een belletje doen rinkelen, sprak Onslow namens een meerderheid van de Britten, die weinig op hebben met het continentale denken.

De National Portrait Gallery te Londen herbergt een portret van George Steiner. Dat mag opmerkelijk heten. Deze in Parijs geboren filosoof had ooit zijn oog laten vallen op een lectoraat aan de universiteit van Cambridge. Zijn curriculum vitae was ernaar: Oxford, Princeton, Harvard, Sorbonne… Tijdens zijn sollicitatiegesprek maakte hij echter een beslissende fout: hij liet weten veel waarde te hechten aan grote filosofische ideeën. In gesprek met de BBC-journalist Jeremy Paxman blikte Steiner terug: «Ik zei dat iemand neerschieten naar aanleiding van een meningsverschil over Hegel een prijzenswaardige daad zou zijn. Immers, het geeft aan dat zulke dingen ertoe doen.» Steiner kon fluiten naar de betrekking. In het gevang belanden voor het ventileren van politieke ideeën, zoals Bertrand Russell mocht ervaren, is tot daaraan toe. Sterven voor het recht van voetbalcoach Glenn Hoddle om te geloven in reïncarnatie, dat lukt ook nog wel. Maar sterven voor de absolute geest, de eeuwige wederkeer, de hyperrealiteit en het niets dat nietst? «Do not all the charms fly/ At the mere touch of cold philosophy?» (Keats)

Als erfgenamen van William of Ockham, bekend van zijn scheermes waarmee hij overbodige metafysica wegsneed, hebben de Britten altijd wat meewarig gekeken naar de continentale filosofen met hun metafysische denknijverheid. Lezers lastigvallen met eindeloze zinnen, urenlang discussiëren in door Gauloises geparfumeerde cafés, filosofie verplichten op middelbare scholen, sterven omwille van speculatieve gedachten — zulks kon slechts tot ellende leiden. In ieder geval niet tot het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen. Met afschuw reageerde de filosofische gemeenschap van Cambridge indertijd op de aanvaring tussen de Oostenrijkers Ludwig Wittgenstein en Karl Popper over de levensvatbaarheid van morele stellingen, waarbij eerstgenoemde dreigend een brandende pook hief, deze na een gevatte opmerking van Popper neersmeet en de deur dichtsloeg van de kamer waar de door Wittgenstein gepresideerde Moral Science Club op die bewuste najaarsavond in 1946 bijeen was gekomen. Vorig jaar rezen in de Britse pers twijfels over de aanstelling van John Reid als staatssecretaris van Noord-Ierse zaken. Hoe kan iemand die Hegel en Gramsci citeert ergens vrede brengen?

Met diens gepassioneerde houding mochten de Britten dan moeite hebben, Wittgensteins heldere filosofische, of beter antifilosofische, werk oogstte waardering. Dat ligt anders met Jean-Paul Sartre, wiens existentialisme nooit is komen aanspoelen bij de witte krijtrotsen van Dover. Dat had niet alleen te maken het gebrek aan cafés met een lees-, schrijf- of schaaktafel. Gevoelig als hij bleek voor het communistische ideaal is Sartre voor de Britten eerder het symbool geworden van waar filosofisch fanatisme toe kon leiden. The Sunday Telegraph kraakte de «gallocentrische» Sartre-biografie van de intellectuele «glamourpoes» Bernard Henry-Lévy. Het betrof immers een rehabilitatie. Levens gevaarlijk. Daar kwam nog eens bij dat de lezer niet te weten komt hoe de kat van Sartre heette, noch wie al zijn maîtresses waren. Sartre werd tevens als gevaar gezien voor de beschaving rondom het voetbalveld. Toen de Franse voetballer Eric Cantona — die nadat hij op de BBC zijn devotie had geuit voor Rimbaud de volgende dag reeds alle delen van Rambo in zijn postbus aantrof — een provocerende voetbalfan een karatetrap had verkocht, legde The Times meteen een link met de invloed van «de James Dean van de filosofie» en diens minachting voor de gevolgen van daden.

De constatering dat Lévy de naam van Sartres kat, als hij er al één had, niet vermeldde, kan alleen van een Britse beroepslezer komen. Tegenover de Grote Verhalenvertellers stellen de eilandbewoners hun chattering classes, wier leden een aangeboren gevoel voor het smeuïge detail koesteren. Om die reden ook weten we meer over het privé-leven van Inspector Morse dan van dat van Derrick. Bij de uitgever Harper & Collins schrokken ze zich rot toen Margaret Thatcher aankondigde dat haar autobiografie het karakter zou krijgen van een intellectuele beschouwing van haar regeringsperiode. «Wie is er nu in een intellectuele studie geïnteresseerd? We hadden liever gezien dat mevrouw Thatcher ons vertelde wat voor een tandpasta ze gebruikte.» Dat er meer interesse bestaat voor de persoon achter het idee, het kunstwerk of de politieke analyse had Oscar Wilde reeds opgemerkt: «Als je een echte Engelsman een idee uiteenzet — toch al een vermetele onderneming — dan zal het nooit in hem opkomen om te overwegen of het waar is. Het enige wat hij het overwegen waard vindt, is de vraag of de spreker er zelf in gelooft.»

Moe van de intellectuele spraakverwarring in Quartier Latin stelde de Franse filosoof Jean Baudrillard — die door The Guardian aan zijn lezers werd geïntroduceerd als «de David Bowie van de filosofie» — een paar jaar terug vast dat het tijd is om het land eens te ontdekken waar mensen belangrijker zijn dan ideeën. Zijn landgenoot Voltaire had daartoe reeds in de zeventiende eeuw een poging ondernomen nadat hij uit zijn vaderland was verbannen. In zijn brieven loofde hij de vrijheid van meningsuiting in het land waar Quakers noch natuur wetenschappers iets te duchten hadden van de anglicaanse kerk, en waar nobele aristocraten literatuur een warm hart toedroegen. Net als Nederland was het Verenigd Koninkrijk dankzij een veilige mate van onverschilligheid jegens filosofische theorieën een vrijstaat voor geleerden. Karl Marx kon in Londen Das Kapital op schrift stellen zonder te worden lastiggevallen door premature revoluties. In de afgelopen eeuw zorgden tal van filosofische vrijheidsstrijders voor wat opklaringen in het intellectuele lagedrukgebied boven Groot-Brittannië, waaronder Isaiah Berlin (die ooit een brief van een jonge Tony Blair mocht ontvangen waarin deze informeerde naar het onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid), Karl Popper en Paul Feyerabend. Laatstgenoemde, levensgenieter pur sang, stelde geheel in de geest der Britten dat ideologieën toch vooral niet te serieus moesten worden genomen en dat mensen moesten worden bevrijd opdat ze kunnen lachen.

Feyerabend zelf mocht zich altijd vrolijk maken over de taalfilosofen van Oxford, die hij in geen enkele polemiek onbeschimpt liet. Mogelijk uit rancune omdat hij er nooit een professoraat kreeg, vatte zijn rivaal Popper de filosofische cultuur van Oxford samen als: «150 filosofen, maar geen filosofie». Veel beter was het niet in Cambridge. Wittgenstein voelde zich er een «levende dode», zo blijkt uit Wittgenstein’s Poker, een boek over het pookincident in het licht van de waterscheiding in de twintigste-eeuwse filosofie. De opvliegende Oostenrijker wist zich omringd door heren in anorak met een erfelijke neiging tot roddelzucht, rechtvaardigheid, relativeringsvermogen en human interest. Ze hadden er geen moeite mee het «goede», tot weerzin van hun Oostenrijkse collega, te definiëren als al wat bewonderenswaardig is. George Moore, medegrondlegger van de Angelsaksische taalfilosofie, definieerde «goed» zelfs simpelweg als hetgeen wat «goed» is. En dat wordt weer intuïtief bepaald. Voor Wittgenstein was het reden om ernstig te twijfelen aan Moores toerekeningsvatbaarheid. Wittgenstein was niet de eerste die af en toe zijn bedenkingen had bij de geestesgesteldheid van de Britse denkers. Herbert Spencers credo dat «denknoodzakelijkheden automatisch ook morele noodzakelijk heden zijn» had volgens Friedrich Nietzsche niet misstaan als opschrift boven een modern gekkenhuis. Even verderop hekelde de Duitse filosoof de «kruideniersfilosofie van de heer Spencer», gekenmerkt door een «volslagen afwezigheid van een ideaal, behalve dat van de doorsneemens».

De Britse filosofie bestaat voornamelijk uit helder geschreven voetnoten bij John Stuart Mills On Liberty, naast de bijbel, de complete toneelstukken van Shakespeare en de cricketalmanak Wisden het belangrijkste boek van de Britten. Het common sense-denken is van eminent belang gebleken om de doorsneemens van het grootst mogelijke geluk te voorzien. Het Verlichtingsdenken met zijn beloften over de mondige, vrije burger mag dan in Franse salons of cafés aan het papier zijn toevertrouwd, in het Verenigd Koninkrijk is het middels mond-tot-mondreclame tot leven gekomen. De beroemdste Britse filosoof van het moment, Roger Scruton, maakt zich dezer dagen vooral druk over het gevaar dat uitgaat van de idealist Blair. Diens kruistocht tegen alles wat met traditie van doen heeft, kan tot niets anders leiden dan vervreemding en zelfs terrorisme. In Het Westen en de islam beweert Scruton dat mensen hun loyaliteiten moeten binden aan echte stukjes aarde in plaats van aan denkbeeldige hemelse visioenen. Vanuit zijn landhuis te Gloucestershire verkoopt hij adviezen over the pursuit of happiness op het platteland, met vossenjacht als specialiteit. Titels als The Usage of Philosophy in Everyday Life en The Consolation of Philosophy bevolken de filosofiekasten in de boekwinkels. De Zwitserse filosoof Alain de Botton wordt er rijk door het verspreiden van huis-, tuin- en keukenfilosofie. Waar de Duitsers een vaderland hebben, de Fransen de staat, daar hebben de Britten een huis. Het wilde wonen is een Britse uitvinding. In zijn huis, symbool voor vrijheid, verschuilt de Brit zich voor Leviathan. Met een tuin als verdedigingslinie.

In tegenstelling tot de Fransen voelen de Britten (een «volk van winkeliers» smaalde Napoleon Bonaparte) zich dus niet één met de staat, maar is de staat de vijand. Dat verschil openbaart zich wanneer beide volken samenwerken. Tijdens de ontwikkeling van de Concorde raadpleegden de Fransen geen enkele keer de arme burgers die werden geplaagd door het geluid van de toestellen. «Als je een moeras wilt dempen, houd je geen enquête onder de kikkers, toch?» verduidelijkte een Franse politicus, tot schrik van zijn Britse gehoor. De aanleg van de spoorlijn tussen Parijs en Londen verliep dan ook met twee snelheden. In het graafschap Kent had ieder lid van de Committee for the Protection of Rural Kent of de Channel Tunnel Opposition Association, alle ruimte om te vechten voor zijn rechten, en die van zijn voorvaderen. Reeds in 1882 leidde dit plan overigens al tot angstvisioenen. In het verhaal How John Bull Lost London plunderen socialistische Fransen zonder enig respect voor eigendom winkels en huizen. Het is geen toeval dat de Eurostar gestaag afremt zodra hij het eiland op rijdt, waar «de lucht frisser is, het bier bitterder, de munten zwaarder, het gras groener, de reclame onbeschaamder en de mensen beter gemanierd», zoals George Orwell begin jaren veertig gepassioneerd schreef in The Lion and the Unicorn (een paar decennia later zag Willem Frederik Hermans dat toch iets anders, blijkens zijn hilarische Monoloog van een Anglofoob).

Alleen al met betrekking tot de smaak van het bier is het voor de Britten de vraag of het er beter op zal worden als blindedarm van een Europese superstaat. De genoemde Earl of Onslow zei liever slecht te worden geregeerd door Major en zo mogelijk nog slechter door Blair, dan goed door Kohl, Chirac of Bismarck. Wat de meeste Britten betreft is het Europese bouwwerk een marktplaats met wat huishoudelijke mededelingen. De vertaling van deze pragmatische levens visie in het Europabeleid luidt: wait and see (en onderwijl wat geld terugeisen). Bij het gebrek aan idealisme past een historisch gebrek aan vergezichten, samenhangende plannen of megalomane projecten. De Britten hebben nooit een Hausmann of een Berlage gekend. Wel een Charles of Windsor, ook een visionair maar dan eentje van het nostalgische soort. Het futuristische Crystal Palace, gemaakt voor de wereldtentoonstelling van 1851, was een uitzonderlijk fenomeen. 85 jaar later brandde het eindelijk af. De ruïne is nog intact. Met de Millennium Dome probeerde Blair nog een lichtbaken voor de toekomst neer te zetten, maar het project zorgde slechts voor ontslagen ministers en financiële rampspoed. Het falen van dit project stond hoog op het lijstje van The Sun van redenen waarom de Britten trots zijn op hun land.

Zonder plan, vergezicht, geschreven grondwet, Hegel, geloof in het oplossend vermogen van de overheid en zonder onbereikbaar ideaal plukt de vrijgevochten Brit improviserend de dag. In zijn humoristische boek The English schrijft Jeremy Paxman dat zijn landgenoten zich achteruit lopend voorwaarts bewegen. En dat over een hindernisbaan! Alsof de gouden eeuw der nuttigheidsfilosofie er nooit heeft plaats gevonden, staat de dienstregeling los van de feitelijke loop der treinen, slibben wegen dicht, houden scholen kunstmatig de cijfers hoog, is hotel Fawlty Towers zo gek nog niet, krijgen veel werknemers contant hun weekloon, moeten energie rekeningen soms nog worden voldaan in de winkel, en weet niemand meer waarom er verschillende kranen zijn voor koud en heet water. Omdat de verwachtingen toch al laag gespannen waren, gedragen de Britten zich echter niet als verwende kinderen. Keurig doen alsof er niets aan de hand is, dat kunnen de Britten als geen ander. «Hanging on in quiet desperation is the English way» — Pink Floyd zong het al.