Het gelukkige schrijven

Connie Palmen
Lucifer
Prometheus, 350 blz., € 19,95

Literatuur berust op roddel en mythologie. Je hoort een roddelverhaal over een vrouw in de provincie die een tragische dood sterft en vervolgens bouw je daar een toestand omheen waarin je een hele sociale klasse denkt te vangen. Romantische dagdromen over mooie liefdes, neukpartijen in koetsjes, schrijnende beelden van geknakte levens en zie: Madame Bovary.
Connie Palmen hoorde ongetwijfeld in haar kennissen- en vriendenkring al jaren allerlei verhalen over de tragische dood van Marina Schepers in 1981, vrouw van componist Peter Schat, die op een nacht in Griekenland van een terras op de rotsen naar beneden viel, dood. Een jammerlijk ongeluk. Wat was er precies gebeurd? Nevelen, schimmen, raadselen. En vooral: roddelverhalen. En langzamerhand moet het tot de schrijfster zijn doorgedrongen dat hier een ultiem onderwerp lag voor een roman die haar op het lijf geschreven is. En die haar de gelegenheid zou geven een kring, een sociale groep, scherp in beeld te krijgen. Niet meer Connie Palmen zelf in het centrum van de belangstelling, zoals in het merkwaardige en in mijn ogen minder geslaagde IM, maar een groep, een kongsi. Compleet met de door henzelf gecreëerde en tot vandaag in leven gehouden mythologie. De jongens van de opera Reconstructie (1969), zal ik maar zeggen, en hun meelopers. Allemaal oude mannen nu, of dood. Harry Mulisch, Hugo Claus, Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen, Peter Schat.

Palmen schreef een bijzonder geslaagde roman, waarin je niet alleen haar grote betrokkenheid bij de tragiek van die gevallen vrouw op iedere bladzijde voelt (en hoort) doorklinken, maar waarin ze ook de mythologie van deze romantische jongemannenclub pijnlijk scherp ontleedt. Hun egotripperij, hun wereldvreemde geklets in de ruimte, hun romantische, soms bijna potsierlijke doordrammerij: ze gaat het niet uit de weg. Ze is in deze roman tegelijk betrokken chroniqueur en spottend criticus. Voor een schrijver levert juist deze tegenstrijdigheid altijd het gelukkige schrijven op, het schrijven dat je heen en weer laat schieten tussen liefde en haat, tussen mededogen en spot. Maar je moet het als schrijver wel willen zien, je moet je open willen stellen voor de tegenstellingen in je verhaal en in je personages. Je mag nooit op ze neerkijken, je moet ze haten en liefhebben, liefst tegelijkertijd. Flaubert deed het met z’n Emma en Palmen doet het met haar groep op hol geslagen jongens. Het gelukkige schrijven is het schrijven dat ondanks zichzelf tegen zichzelf in schrijft, en deze roman is hiervan een zeer geslaagd voorbeeld.

Palmens besluit niet te werken met de ‘echte’ namen van alle betrokkenen pakt zeer gelukkig uit. Je hoeft je niet steeds af te vragen wie wie ook weer is. De figuren krijgen een eigen mythologie en een eigen stem die je niet noodzakelijk uit de culturele roddelpers hoeft te kennen. Het worden romanfiguren, met hun eigen subtiliteiten en verlangens. Al slaagt ze er goed in de stem van bijvoorbeeld Hugo Claus te laten klinken. Ze brengt een figuur op de planken, Puck, waarin wellicht haar eigen stem het scherpst doorklinkt. Deze Puck dient als tegenwicht van al dat gezwets van de heren, zij prikt hun lulkoek genadeloos door en opereert als hun kwade geweten. Ook weer zo’n gelukkige ingreep.

Maar vooral kreeg Palmen haar gelukkige schrijven voor elkaar door de organisatie van het verhaal. In het begin is de schrijfster zelf aan het woord. Ze ontmoet toevallig in 2005 een paar mensen van de oude groep, raakt in gesprek, vertelt dat ze een roman wil schrijven over de dood van die vrouw in Griekenland, dat ze werd gegrepen door de tekst op de rouwadvertentie (‘Onze engel is gevallen’). Ze maakt een afspraak met deze drie omdat die allerlei ‘geheimen’ kennen rondom die dood. Dan staat er dit, hier is Palmen aan het woord: ‘Schrijven is een ondergrondse activiteit. Mensen vertellen je verhalen en weten niet hoe jij intussen hun opmerkingen duidt zoals ze zelf niet voor mogelijk hielden.’ Precies dit doet ze in haar roman: ze geeft de verhalen weer via de visie van de betrokkenen, brengt ze aan het woord, ze trekt zichzelf uit hun verhalen terug waardoor ze voor zichzelf de gelegenheid creëert afstand tot het vertelde te bewaren. Ze legt de verhalen aan ons voor alsof ze de waarheid documenteert, terwijl je als lezer weet dat juist in die verhalen de mythologie van deze groep in kaart wordt gebracht. Je krijgt van binnenuit een kijkje in hun denkwereld. Hun complotdenken, hun revolutie-poeha, hun geloof in het ontbreken van het toeval, hun dwaze vermengingen van christendom en Griekse mythologie, hun potsierlijke neigingen alles op alles te betrekken.

Palmen trekt zich na het eerste korte hoofdstuk als het ware terug uit de roman, ze kruipt dan in de huid van de verschillende personages, ze is die personages, vermomt zich als die personages. Dit geeft haar de gelegenheid te tonen, niet te verklaren. Soms grijpt ze nog in, dan keert ze ineens als alwetende verteller in het verhaal terug. Wanneer Otto (de schaker Donner) bijvoorbeeld tijdens de begrafenis van de gevallen vrouw ineens erg bleek wordt, staat er dat ‘Otto over exact een half jaar zijn eerste hersenbloeding krijgt’. Ook op het eind neemt ze het woord. Overigens brengt ze de vriendschap tussen Otto en Aaron (Harry Mulisch) genadeloos in beeld. Hun Laurel en Hardy-achtige gedrag, hun dwaze en vaak potsierlijke meningen en opschepperige zelfbeeld, hun op vrijwel niets gebaseerde zelfvergroting: ze toont het allemaal haarfijn in hun dialogen. Palmen is een moedige schrijfster die in deze roman niet van plan was haar evident warme gevoelens voor al deze beroemde Leidse Pleiners onder de maat van haar schrijverschap te stellen. Ze is in deze roman geen roddeltante, ze is een waarachtig schrijfster die obsessief en zonder aanzien des persoons aan haar visie werkte. Deze roman is een ontroerend requiem.