Het gelukkige schrijven

BERNLEF
DE RODE DROOM
Querido, 236 blz., € 18,95

Kowalski en Krap ontmoeten elkaar in de eerste scène in het volkspark. Ze zijn allebei 55 jaar, de eerste werkte in Thuisland bij papierfabriek Loretz, ‘op de afdeling Landelijke Distributie Toiletpapier, ldt’. De ander zat in de lift-branche en is sinds Thuisland door Buurland is overgenomen gedegradeerd tot suppoost in het Liftenmuseum van de stad K. Niet wat je noemt grootse carrières. Beide heren kijken met enige verbazing en lichte weerzin naar de veranderingen die hebben plaatsgevonden. Het socialisme van Thuisland was natuurlijk ook niks, dat weten ze heel goed, maar volgens Krap was dat dan toch in principe wel mooi. ‘De maatschappij moet alleen radicaal anders worden ingericht. Dan zal het werkelijkheid worden.’
Bernlef schreef een vrolijk, zij het toch ook enigszins melancholiek boek over de avonturen van deze twee morsige mannen die het leven in een postcommunistisch land, dat sterk aan Oost-Duitsland na De Val doet denken, nauwelijks aankunnen en zich overgeven aan merkwaardige dromen over een betere samenleving. Als de mensen maar eens beter zouden nadenken. Krap ontpopt zich als de denker, Kowalski is meer de doener die bezorgder is over de begonia’s in zijn appartementje dan over de geldigheid van de ideeën van Krap. Maar vrienden zijn en blijven het.
Dit is uiteraard een satire, eentje die geworteld is in een ijzersterke literaire en filmische traditie. Bouvard en Pécuchet van Flaubert, Don Quichot en Sancho Panza, Stan Laurel en Oliver Hardy. Deze komische en tegelijkertijd tragische duo’s hebben de schrijver voor ogen gestaan. Allemaal willen ze iets, maar wat, allemaal hebben ze het beste met ons voor (en met zichzelf), maar theorie en praktijk lopen nogal eens uiteen. Vooral Krap vond ik aanstekelijk en mooi raar, hij is een utopist, een encyclopedist, hij weet alles en meestal beter. Hij probeert door het hele boek heen een theo-rie van de grond te krijgen over ‘wederzijdse aantrekkingskracht’ tussen mensen. Een theo-rie die Newtons wetten van de zwaartekracht zou moeten aanvullen. ‘Wat ik ontdekt heb is een andere kracht’, beweert Krap ergens, ‘net zo sterk: de wederzijdse aantrekkingskracht. Mensen worden aangetrokken door alles wat hun genot en genoegdoening schenkt.’ Volgens Krap is dit een ‘manifestatie van de universele wil’. Aan mij is dit soort filosofisch gezwatel wel besteed, aan Bernlef duidelijk ook, je merkt gewoonweg dat hij geniet van het geouwehoer dat deze figuur te pas en te onpas, vooral dat laatste, ter tafel brengt. Bovendien krijgt deze ‘held’ maar niet voor ogen wat hij precies bedoelt, wat zijn pogingen steeds sympathieker maakt. Alle andere personages in het boek spreken hem tegen, ze vinden hem ouderwets, een dromer en een nitwit en ook dit nam me steeds meer voor hem in. Het eigenaardige is dat ik af en toe, dankzij Bernlefs merkwaardige denkkracht toch begon te denken: verrek, die Krap heeft nog gelijk ook. Ik heb het idee dat de schrijver me dan precies had waar hij me hebben wilde. Je kunt lachen om Krap en het is natuurlijk een belachelijke provinciaal, maar ondertussen. Juist deze dubbelzinnigheid maakt Bernlefs roman tot een ijzersterke parabel.
Venijnig is het allemaal niet. De schrijver had duidelijk geen zin nu maar eens voorgoed af te rekenen met het Oost-Duitse gedachtegoed en met de dromerijen daarover. Of om ieder idealisme belachelijk te maken, dat soort boeken worden de laatste tijd al genoeg geschreven en hun kracht is alleen dat ze achteraf gelijk hebben, waar het in literatuur toch echt niet om gaat. Af en toe deed deze roman me denken aan Voltaire’s Candide. Ook daarin onderneemt de held allerlei reizen, moet hij allerlei bittere ervaringen ondergaan en is het gezwatel over de voordelen van idealistische wereldopvattingen niet van de lucht. Ook daarin de dubbelzinnigheid. En waar Candide tegen het einde zijn tuin verzorgt, gaat Kowalski de begonia’s water geven.
Bernlef nam met deze roman een keer vrijaf van zijn meestal veel ernstiger werk, er hangt iets onbezorgds en vrolijks tussen de zinnen en de bladzijden. Je merkt dit ook aan de vrolijke grappen die de schrijver uithaalt met de verteller van dit verhaal die zich af en toe in de ik-vorm nogal brutaal en tussen haakjes met de gang van zaken bemoeit. Dan staat er bijvoorbeeld: ‘[Ik voeg mij bij hen op het moment dat zij de stad K. net achter zich hebben gelaten]’. De verteller die zijn helden letterlijk vergezelt! Daarmee laat hij onnadrukkelijk het raadselachtige van literatuur zien, het onnatuurlijke ervan. Bernlef treedt hiermee buiten de veilige grenzen van de vertelling zelf.
Dit alles komt sterk in de buurt van wat ik maar weer eens ‘het gelukkige schrijven’ wil noemen. Onbekommerd en moeiteloos schrijven, bijna gedachteloos, maar dat is uiteraard schijn, als je goed kijkt zie je dat het allemaal ijzersterk in elkaar zit. Af en toe duikt tussen alle melancholieke vrolijkheid toch ineens de meer ernstige poëticale schriftuur van Bernlef op. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De twee heren belanden bijvoorbeeld op het strand in Zandvoort. ‘Op het strand was niemand te bekennen. Alleen een zwarte hond rende met de wind mee pijlsnel van hen vandaan. Kowalski keek hem na, zag hem als een stipje in de nevelige verte oplossen.’ De werkelijkheid die zich in het niets oplost. Maar vervolgens gaat de schrijver weer onbekommerd op pad met zijn helden. Bernlef is een gelukkige schrijver.